Besluit van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen

Type Verdrag
Publication 2007-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Raad van de Europese Unie,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 269,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op artikel 173,

Gezien het voorstel van de Commissie1)PB C 274 E van 28.9.1999, blz. 39.,

Gezien het advies van het Europees Parlement2)Advies uitgebracht op 17 november 1999 (PB C 189 van 7.7.2000, blz. 79).,

Gezien het advies van de Rekenkamer3)PB C 310 van 28.10.1999, blz. 1.,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité4)PB C 368 van 20.12.1999, blz. 16.,

Overwegende hetgeen volgt:

De Europese Raad van Berlijn van 24 en 25 maart 1999 heeft onder meer geconcludeerd dat het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen billijk, doorzichtig, kosteneffectief en eenvoudig moet zijn, en dat het gebaseerd moet zijn op criteria die het bijdragevermogen van iedere lidstaat het best weerspiegelen.

Het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen moet de zekerheid bieden van toereikende middelen voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Gemeenschappen, waarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline niet uit het oog mag worden verloren.

De beste gegevens moeten worden gebruikt voor de begroting van de Europese Unie en de eigen middelen van de Gemeenschappen; de toepassing van het Europese stelsel van economische rekeningen (ESR 95) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2223/961)PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 448/98 (PB L 58 van 27.2.1998, blz. 1). zal de meting van de gegevens van de nationale rekeningen verbeteren. zal de meting van de gegevens van de nationale rekeningen verbeteren.

Ten behoeve van de eigen middelen moeten de meest recente concepten inzake statistiek worden gebruikt; dienovereenkomstig moet het bruto nationaal product (BNP) worden gedefinieerd als zijnde voor deze doeleinden gelijk aan het bruto nationaal inkomen (BNI) als door de Commissie krachtens het ESR 95 bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2223/96.

Indien wijzigingen van het ESR 95 resulteren in significante veranderingen in het BNI als bepaald door de Commissie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2223/96, moet de Raad besluiten of deze wijzigingen ook voor de eigen middelen gelden.

Bij Besluit 94/728/EG, Euratom van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen2)PB L 293 van 12.11.1994, blz. 9. werd het maximumbedrag van de eigen middelen voor 1999 op 1,27% van het bruto nationaal product van de Gemeenschappen tegen marktprijzen vastgesteld en werd voor de kredieten voor vastleggingen een algemeen maximum van 1,335% van het bruto nationaal product van de Gemeenschappen bepaald. werd het maximumbedrag van de eigen middelen voor 1999 op 1,27% van het bruto nationaal product van de Gemeenschappen tegen marktprijzen vastgesteld en werd voor de kredieten voor vastleggingen een algemeen maximum van 1,335% van het bruto nationaal product van de Gemeenschappen bepaald.

Die in percent van het bruto nationaal product uitgedrukte maximumbedragen moeten worden aangepast teneinde het bedrag van de financiële middelen dat ter beschikking van de Gemeenschappen wordt gesteld ongewijzigd te houden, zulks door vaststelling van een formule voor het bepalen van de nieuwe maxima in verhouding tot het voor deze doeleinden vastgestelde bruto nationaal product, welke na het van kracht worden van dit besluit moet worden toegepast.

In de toekomst moet, bij gelegenheid van veranderingen in het ESR 95 die belangrijke gevolgen voor de hoogte van het bruto nationaal product hebben, dezelfde methode worden gebruikt.

Met het oog op de voortzetting van het proces, waarbij rekening wordt gehouden met het vermogen van elke lidstaat om aan het stelsel van eigen middelen bij te dragen, en waarbij voor de minst welvarende lidstaten de regressieve elementen van het huidige stelsel worden bijgesteld, is de Europese Raad van Berlijn van 24 en 25 maart 1999 tot de conclusie gekomen dat de financieringsregels van de Unie als volgt moeten worden gewijzigd:

het maximale opdrachtpercentage van de BTW-middelen wordt van 1% verlaagd tot 0,75% in 2002 en 2003 en tot 0,50% vanaf 2004;

de BTW-grondslag van de lidstaten blijft afgetopt op 50% van hun bruto nationaal product.

De Europese Raad van 24 en 25 maart 1999 heeft het in zijn conclusies passend geacht het bedrag te verhogen dat de lidstaten inhouden ter dekking van de inningskosten met betrekking tot de zogenaamde traditionele eigen middelen die aan de begroting van de Europese Unie worden afgedragen.

De begrotingsonevenwichtigheden moeten zodanig worden gecorrigeerd dat de voor het beleid van de Gemeenschappen beschikbare eigen middelen niet worden beïnvloed en in de mate van het mogelijke moeten worden opgelost door het uitgavenbeleid.

De Europese Raad van 24 en 25 maart 1999 heeft geconcludeerd dat bij de wijze van berekening van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten gunste van het Verenigd Koninkrijk, als omschreven in Besluit 88/376/EEG, Euratom1)PB L 185 van 15.7.1988. blz. 24., en bevestigd bij Besluit 94/728/EG, Euratom, geen rekening mag worden gehouden met buitengewone voordelen die voortvloeien uit veranderingen van de financieringssystemen en de toekomstige uitbreidingen. Tegelijkertijd zal er ten tijde van de uitbreiding ook een aanpassing komen om de„totale toegewezen uitgaven" te verlagen met een bedrag dat gelijk is aan de jaarlijkse pretoetredingsuitgaven in de kandidaat-lidstaten, waardoor ervoor wordt gezorgd dat de uitgaven waarvoor thans geen correctie geldt, ook in de toekomst niet worden gecorrigeerd., en bevestigd bij Besluit 94/728/EG, Euratom, geen rekening mag worden gehouden met buitengewone voordelen die voortvloeien uit veranderingen van de financieringssystemen en de toekomstige uitbreidingen. Tegelijkertijd zal er ten tijde van de uitbreiding ook een aanpassing komen om de„totale toegewezen uitgaven" te verlagen met een bedrag dat gelijk is aan de jaarlijkse pretoetredingsuitgaven in de kandidaat-lidstaten, waardoor ervoor wordt gezorgd dat de uitgaven waarvoor thans geen correctie geldt, ook in de toekomst niet worden gecorrigeerd.

De beschrijving van de berekening van de aan het Verenigd Koninkrijk toegestane correctie voor begrotingsonevenwichtigheden is om redenen van duidelijkheid vereenvoudigd. Deze vereenvoudiging heeft geen gevolgen voor het bedrag van de aan het Verenigd Koninkrijk toegestane correctie.

De Europese Raad van 24 en 25 maart 1999 heeft besloten de financiering van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk zodanig te wijzigen dat Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden een verlaging van hun aandeel in de financiering tot 25% van hun normale aandeel tegemoet kunnen zien.

De monetaire reserve, hierna „monetaire reserve EOGFL" genoemd, de reserve voor de financiering van het Garantiefonds en de reserve voor spoedhulp in niet-lidstaten vallen onder bijzondere regelingen.

De Commissie moet vóór 1 januari 2006 een algemeen onderzoek instellen naar de werking van het stelsel van eigen middelen, zo nodig vergezeld van passende voorstellen, zulks in het licht van alle relevante elementen, waaronder de gevolgen van de uitbreiding voor de financiering van de begroting van de Europese Unie, de mogelijkheid tot wijziging van de samenstelling van de eigen middelen – door het creëren van nieuwe autonome eigen middelen – en de aan het Verenigd Koninkrijk toegestane correctie voor begrotingsonevenwichtigheden alsmede de verlaging van het aandeel van Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden in de financiering van deze correctie voor het Verenigd Koninkrijk.

Er dient te worden voorzien in bepalingen die de overgang mogelijk maken van het bij Besluit 94/728/EG, Euratom ingevoerde stelsel naar het uit dit besluit voortvloeiende stelsel.

De Europese Raad van 24 en 25 maart 1999 heeft besloten dat dit besluit op 1 januari 2002 van kracht moet worden,

heeft de volgende bepalingen vastgesteld waarvan hij de aanneming door de lidstaten aanbeveelt:

Artikel 1

Vervallen

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

GEDAAN te Brussel, 29 september 2000.

Voor de Raad

De voorzitter

L. FABIUS

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.