Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme

Type Verdrag
Publication 2002-04-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,

Ernstig bezorgd over de toename over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen;

In herinnering brengend de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties, vervat in resolutie 50/6 van de Algemene Vergadering van 24 oktober 1995;

Tevens in herinnering brengend alle relevante resoluties terzake van de Algemene Vergadering, waaronder resolutie 49/60 van 9 december 1994 met als bijlage de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme, waarin de lidstaten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische daden, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, met inbegrip van daden die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen;

Vaststellend dat de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme Staten tevens aanmoedigt het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn gedaantes en verschijningsvormen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omvat;

In herinnering brengend resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996, derde alinea, onderdeel f., waarin de Vergadering alle Staten opriep om stappen te ondernemen voor het, met passende nationale maatregelen, voorkomen en verhinderen van de financiering van terroristen en terroristische organisaties, of deze financiering nu rechtstreeks is of onrechtstreeks via organisaties die ook liefdadige, sociale of culturele doelstellingen hebben of voorgeven te hebben of die tevens zijn betrokken bij wederrechtelijke activiteiten zoals onwettige wapenhandel, handel in verdovende middelen en afpersing, waaronder het inzetten van personen ten dienste van het financieren van terroristische activiteiten, en in het bijzonder om te overwegen waar nodig regulerende maatregelen te nemen voor het voorkomen en verhinderen van verkeer van fondsen waarvan wordt vermoed dat zij bestemd zijn voor terroristische doeleinden, zonder op enige wijze de vrijheid van rechtmatig kapitaalverkeer te belemmeren, alsmede de uitwisseling van informatie over het internationale verkeer van dergelijke fondsen te intensiveren;

Tevens in herinnering brengend resolutie 52/165 van de Algemene Vergadering van 15 december 1997, waarin de Vergadering Staten opriep in het bijzonder aandacht te schenken aan de uitvoering van de maatregelen in de derde alinea a. tot en met f. van haar resolutie 51/210 van 17 december 1996;

Voorts in herinnering brengend resolutie 53/108 van de Algemene Vergadering van 8 december 1998, waarin de Vergadering besloot dat het bij resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996 ingestelde Comité ad hoc een ontwerp moest opstellen voor een internationaal verdrag ter bestrijding van de financiering van het terrorisme, als aanvulling op hiermee verband houdende bestaande internationale instrumenten;

Overwegende dat de financiering van terrorisme de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrust;

Vaststellend dat aantal en ernst van daden van internationaal terrorisme afhankelijk is van de financiering die terroristen kunnen verkrijgen;

Tevens vaststellend dat de bestaande multilaterale juridische instrumenten zich niet expliciet richten op dergelijke financiering;

Overtuigd van de dringende noodzaak tot verbetering van de internationale samenwerking tussen Staten bij het opstellen en nemen van doeltreffende maatregelen ter voorkoming van de financiering van terrorisme, alsmede ter bestrijding ervan door vervolging en bestraffing van de daders;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van:

3.

Om een gedraging/handeling een strafbaar feit te doen zijn als omschreven in het eerste lid, is het niet noodzakelijk dat de fondsen feitelijk zijn gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit bedoeld in het eerste lid, onderdelen a. of b.

4.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel.

5.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon:

Artikel 3

Dit Verdrag is niet van toepassing indien het strafbare feit wordt gepleegd binnen één Staat, de vermoedelijke dader een onderdaan is van die Staat en zich bevindt op het grondgebied van die Staat en geen andere Staat een grond heeft krachtens artikel 7, eerste lid, of artikel 7, tweede lid, tot uitoefening van rechtsmacht, met dien verstande dat de bepalingen van de artikelen 12 tot en met 18, voor zover deze zich daartoe lenen, in dergelijke gevallen van toepassing zijn.

Artikel 4

Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om:

Artikel 5
1.

Elke Staat die Partij is neemt, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, de noodzakelijke maatregelen om een op zijn grondgebied gevestigde of krachtens zijn wetten georganiseerde rechtspersoon aansprakelijk te stellen wanneer een persoon die verantwoordelijk is voor de leiding van of het toezicht op die rechtspersoon, in die hoedanigheid, een in artikel 2 omschreven strafbaar feit heeft gepleegd. Deze aansprakelijkheid kan straf-, civiel- of bestuursrechtelijk zijn.

2.

Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.

3.

Elke Staat die Partij is ziet er in het bijzonder op toe dat de overeenkomstig het bovenstaande eerste lid aansprakelijke rechtspersonen worden onderworpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende straf-, civiel- of bestuursrechtelijke sancties. Dergelijke sancties kunnen geldelijke sancties omvatten.

Artikel 6

Elke Staat die Partij is treft de nodige maatregelen, eventueel met inbegrip van de benodigde nationale wetgeving, om te verzekeren dat strafbare gedragingen/handelingen die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag onder geen enkele omstandigheid worden gerechtvaardigd door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of andere soortgelijke aard.

Artikel 7
1.

Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten indien:

2.

Een Staat die Partij is kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vestigen indien:

3.

Elke Staat die Partij is en die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van de rechtsmacht die hij overeenkomstig het tweede lid heeft gevestigd. Indien zich wijzigingen voordoen, stelt de betrokken Staat die Partij is de Secretaris-Generaal daarvan onmiddellijk in kennis.

4.

Elke Staat die Partij is neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat die Partij is en die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste of tweede lid.

5.

Wanneer meer dan een Staat die Partij is aanspraak maakt op rechtsmacht met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, streven de betrokken Staten die Partij zijn ernaar hun optreden op passende wijze te coördineren, in het bijzonder betreffende de voorwaarden voor vervolging en de modaliteiten voor wederzijdse rechtshulp.

6.

Onverminderd de maatstaven van algemeen internationaal recht sluit dit Verdrag niet de uitoefening uit van enige rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden die een Staat die Partij is in overeenstemming met zijn nationale wetgeving heeft gevestigd.

Artikel 8
1.

Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, voor het identificeren, opsporen en bevriezen of in beslag nemen van alle fondsen gebruikt of bestemd ten dienste van het plegen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, alsmede de opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten, ten behoeve van eventuele verbeurdverklaring.

2.

Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, voor de verbeurdverklaring van fondsen gebruikt of bestemd ten dienste van het plegen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten en de opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten.

3.

Elke betrokken Staat kan overwegen verdragen te sluiten inzake het delen met andere Staten die Partij zijn, op reguliere basis of van geval tot geval, van de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen.

4.

Elke Staat die Partij is overweegt het instellen van mechanismen waarmee de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen worden aangewend voor het schadeloos stellen van de slachtoffers van strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a. of b., of hun verwanten.

5.

De bepalingen van dit artikel worden toegepast onverminderd de rechten van te goeder trouw handelende derden.

Artikel 9

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.