← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel

Geldende tekst a fecha 2002-03-09

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Ernstig bezorgd over het groeiend aantal doden en gewonden ten gevolge van bewuste aanslagen gericht tegen VN-personeel en geassocieerd personeel,

Indachtig het feit dat aanslagen gericht tegen, of andere vormen van mishandeling van, personeel dat namens de Verenigde Naties handelt, ongerechtvaardigd en onaanvaardbaar zijn, ongeacht wie de daders zijn,

Erkennende dat VN-operaties worden uitgevoerd in het gemeenschappelijk belang van de internationale gemeenschap en in overeenstemming met de beginselen en doelstellingen van het Handvest der Verenigde Naties,

Erkentelijk voor de belangrijke bijdrage die VN-personeel en geassocieerd personeel leveren aan de inspanningen van de Verenigde Naties op het gebied van de preventieve diplomatie, vredestichting, vredeshandhaving, vredesopbouw en humanitaire en andere operaties,

Zich bewust van de bestaande regelingen ter verzekering van de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel, met name de door de voornaamste organen van de Verenigde Naties genomen maatregelen ter zake,

Erkennende evenwel dat de huidige maatregelen ter bescherming van VN-personeel en geassocieerd personeel ontoereikend zijn,

Beseffende dat de doeltreffendheid en de veiligheid van VN-operaties blijken toe te nemen wanneer deze operaties worden uitgevoerd met instemming en medewerking van de ontvangende Staat,

Een beroep doende op alle Staten waarin VN-personeel en geassocieerd personeel zijn ingezet en op alle anderen op wie dat personeel moet kunnen rekenen, om ruimhartig steun te verlenen ter vergemakkelijking van de uitvoering van VN-operaties en de vervulling van het mandaat daarvan,

Overtuigd van de dringende noodzaak om passende en doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van aanvallen gericht tegen VN-personeel en geassocieerd personeel en ter bestraffing van de daders,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2. Werkingssfeer
1.

Dit Verdrag is van toepassing op VN-personeel en geassocieerd personeel alsook op VN-operaties als omschreven in artikel 1.

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op een VN-operatie waarvoor door de Veiligheidsraad machtiging is verleend als dwangactie op grond van Hoofdstuk VII van het Handvest der Verenigde Naties, waarbij personeel is betrokken als strijders tegen georganiseerde strijdkrachten en waarop het recht inzake internationale gewapende conflicten van toepassing is.

Artikel 3. Identificatie
1.

De militaire en politie-onderdelen van een VN-operatie en hun voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen voeren duidelijke herkenningstekens. Het overige personeel dat en de overige voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen die bij een VN-operatie zijn betrokken, zijn op deugdelijke wijze te herkennen, tenzij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties anders besluit.

2.

Alle leden van het VN-personeel en geassocieerd personeel dragen deugdelijke identiteitsbewijzen.

Artikel 4. Overeenkomsten inzake de status van de operatie

De ontvangende Staat en de Verenigde Naties sluiten zo spoedig mogelijk een overeenkomst inzake de status van de VN-operatie en van alle bij de operatie betrokken personeel, met inbegrip van, onder andere, bepalingen betreffende de voorrechten en immuniteiten voor militaire en politie-onderdelen van de operatie.

Artikel 5. Doortocht

Een Staat van doortocht vergemakkelijkt de vrije doortocht van VN-personeel en geassocieerd personeel, alsmede de uitrusting daarvan, naar en van de ontvangende Staat.

Artikel 6. Naleving van wetten en voorschriften
1.

Onverminderd de voorrechten en immuniteiten die zij genieten of de vereisten van hun taken, zullen VN-personeel en geassocieerd personeel:

2.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neemt alle passende maatregelen om de nakoming van deze verplichtingen te waarborgen.

Artikel 7. Plicht om de veiligheid en beveiliging van VN-personeel en geassocieerd personeel te waarborgen
1.

VN-personeel en geassocieerd personeel, alsmede de uitrusting en gebouwen daarvan, mogen niet het voorwerp worden van een aanslag of gedraging die het belet zijn mandaat te vervullen.

2.

De Staten-Partijen nemen alle passende maatregelen om de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel te waarborgen. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag nemen met name alle passende maatregelen om VN-personeel en geassocieerd personeel dat op hun grondgebied is ingezet te beschermen tegen de in artikel 9 genoemde strafbare feiten.

3.

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag werken, waar mogelijk, met de Verenigde Naties en andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag samen ter uitvoering van dit Verdrag, in het bijzonder in alle gevallen waarin de ontvangende Staat zelf niet in staat is de vereiste maatregelen te nemen.

Artikel 8. Plicht om vastgehouden of gevangengenomen VN-personeel en geassocieerd personeel vrij te laten of te doen terugkeren

Behoudens een andersluidende bepaling in een toepasselijke overeenkomst inzake de status van strijdkrachten, mag VN-personeel of geassocieerd personeel, indien dit tijdens de uitoefening van zijn taken wordt vastgehouden of gevangengenomen en is geïdentificeerd, niet worden onderworpen aan ondervraging en dient het terstond te worden vrijgelaten en in de gelegenheid te worden gesteld terug te keren naar de Organisatie der Verenigde Naties of andere daarvoor in aanmerking komende autoriteiten. In afwachting van de vrijlating dient het te worden behandeld in overeenstemming met de universeel erkende normen op het gebied van de rechten van de mens en met de beginselen en de geest van de Verdragen van Genève van 1949.

Artikel 9. Strafbare feiten ten aanzien van VN-personeel en geassocieerd personeel
1.

Het opzettelijk plegen van

wordt door elke Staat die Partij is bij dit Verdrag strafbaar gesteld krachtens zijn nationale wetgeving.

2.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag stelt op de in het eerste lid genoemde strafbare feiten passende straffen, waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van deze feiten.

Artikel 10. Vestiging van rechtsmacht
1.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om zich bevoegd te verklaren kennis te nemen van de in artikel 9 genoemde strafbare feiten in de volgende gevallen:

2.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag kan zich ook bevoegd verklaren kennis te nemen van deze strafbare feiten wanneer deze zijn gepleegd:

3.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die zich bevoegd heeft verklaard met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gevallen, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan in kennis. Indien bedoelde Staat die Partij is bij dit Verdrag vervolgens afstand doet van deze bevoegdheid, stelt deze de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan in kennis.

4.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om zich bevoegd te verklaren om kennis te nemen van de in artikel 9 genoemde strafbare feiten ingeval de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en deze Staat de bedoelde persoon niet uitlevert ingevolge artikel 15 aan een van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die zich in overeenstemming met het eerste of tweede lid bevoegd hebben verklaard.

5.

Dit Verdrag sluit geen enkele rechtsmacht in strafzaken uit, die wordt uitgeoefend krachtens de nationale wetgeving.

Artikel 11. Voorkoming van strafbare feiten ten aanzien van VN-personeel en geassocieerd personeel

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag werken samen ter voorkoming van de in artikel 9 genoemde strafbare feiten, met name door:

Artikel 12. Uitwisseling van informatie
1.

Indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied een in artikel 9 genoemd strafbaar feit is gepleegd redenen heeft om aan te nemen dat een vermoedelijke dader dit grondgebied is ontvlucht, doet deze Staat, onder de in zijn nationale wetgeving gestelde voorwaarden, aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en, rechtstreeks of door tussenkomst van de Secretaris-Generaal, aan de betrokken Staat of Staten alle relevante feiten met betrekking tot het gepleegde strafbare feit toekomen, alsook alle informatie waarover die Staat beschikt met betrekking tot de identiteit van de vermoedelijke dader.

2.

Wanneer een in artikel 9 genoemd strafbaar feit is gepleegd, spant een Staat die Partij is bij dit Verdrag die beschikt over informatie betreffende de identiteit van het slachtoffer en de omstandigheden van het strafbare feit, zich ervoor in om, onder de in zijn nationale wetgeving gestelde voorwaarden, deze informatie volledig en onverwijld toe te zenden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en de betrokken Staat of Staten.

Artikel 13. Maatregelen met het oog op vervolging of uitlevering
1.

Wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, neemt de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied de vermoedelijke dader zich bevindt, de passende maatregelen krachtens zijn nationale wetgeving om diens aanwezigheid met het oog op vervolging of uitlevering te verzekeren.

2.

De ingevolge het eerste lid genomen maatregelen worden in overeenstemming met de nationale wetgeving en onverwijld ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en, rechtstreeks of door tussenkomst van de Secretaris-Generaal, van:

Artikel 14. Vervolging van vermoedelijke daders

Indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied de vermoedelijke dader zich bevindt, de betrokkene niet uitlevert, legt deze Staat, zonder enige uitzondering en zonder onnodig uitstel, de zaak voor aan zijn bevoegde autoriteiten met het oog op vervolging, volgens een procedure in overeenstemming met de wetgeving van die Staat. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in het geval van een gewoon strafbaar feit van ernstige aard overeenkomstig de wetgeving van die Staat.

Artikel 15. Uitlevering van vermoedelijke daders
1.

Voorzover de in artikel 9 genoemde strafbare feiten niet als uitleveringsdelicten zijn vermeld in een uitleveringsverdrag, bestaande tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, worden zij geacht als zodanig daarin te zijn opgenomen. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verplichten zich ertoe deze strafbare feiten als uitleveringsdelicten op te nemen in elk uitleveringsverdrag dat tussen hen zal worden gesloten.

2.

Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag waarmee die Staat geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan deze dit Verdrag beschouwen als de wettelijke basis voor uitlevering wegens deze strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de in de wetgeving van de aangezochte Staat gestelde voorwaarden.

3.

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen deze strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, die zijn onderworpen aan de in de wetgeving van de aangezochte Staat gestelde voorwaarden.

4.

Elk van deze strafbare feiten wordt ten behoeve van uitlevering tussen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag geacht te zijn begaan, niet alleen op de plaats waar het is begaan, maar ook op het grondgebied van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, die hun rechtsmacht hebben vastgelegd in overeenstemming met artikel 10, eerste of tweede lid.

Artikel 16. Wederzijdse rechtshulp in strafzaken
1.

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp in strafzaken wegens de in artikel 9 genoemde strafbare feiten, waaronder hulp ter verkrijging van het hun ter beschikking staande bewijsmateriaal dat nodig is in verband met de vervolging. In alle gevallen is de wetgeving van de aangezochte Staat van toepassing.

2.

De bepalingen van het eerste lid laten uit enig ander verdrag voortvloeiende verplichtingen betreffende wederzijdse rechtshulp onverlet.

Artikel 17. Behoorlijke behandeling
1.

Een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld in verband met een van de in artikel 9 genoemde strafbare feiten wordt een behoorlijke behandeling, een eerlijk proces en volledige bescherming van zijn rechten gewaarborgd in elk stadium van het onderzoek of de procedure.

2.

Iedere vermoedelijke dader heeft het recht

Artikel 18. Kennisgeving van het resultaat van de procedure

De Staat die Partij is bij dit Verdrag waarin een vermoedelijke dader strafrechtelijk wordt vervolgd, brengt het eindresultaat van de procedure ter kennis van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de informatie doorzendt aan de andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.

Artikel 19. Verspreiding

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verplichten zich ertoe dit Verdrag op zo breed mogelijke schaal te verspreiden en met name de bestudering ervan, alsmede van de relevante bepalingen van het internationale humanitaire recht, op te nemen in hun militaire opleidingsprogramma's.

Artikel 20. Vrijwaringsclausules

De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet:

Artikel 21. Recht op handelen uit zelfverdediging

Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat deze een beperking inhoudt van het recht om te handelen uit zelfverdediging.

Artikel 22. Regeling van geschillen
1.

Elk geschil tussen twee of meer Staten die Partij zijn bij dit Verdrag inzake de uitleg of toepassing van dit Verdrag dat niet wordt geregeld door middel van onderhandelingen, wordt op verzoek van één van hen onderworpen aan arbitrage. Indien de partijen er binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de organisatie van de arbitrage, kan een van die partijen het geschil voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Gerechtshof.

2.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag of van toetreding daartoe verklaren dat hij zich niet gebonden acht door de bepalingen van het eerste lid of een gedeelte daarvan. De andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag zijn niet gebonden aan de bepalingen van het eerste lid of het desbetreffende gedeelte daarvan tegenover een Staat die Partij is bij dit Verdrag die een dergelijk voorbehoud heeft gemaakt.

3.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het tweede lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 23. Toetsingsbijeenkomsten

Op verzoek van een of meer Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en na goedkeuring door een meerderheid van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag belegt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een bijeenkomst van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag om de toepassing van het Verdrag en eventuele daarbij ondervonden problemen te bezien.

Artikel 24. Ondertekening

Dit Verdrag staat voor alle Staten voor ondertekening open tot en met 31 december 1995 op de zetel van de Verenigde Naties te New York.

Artikel 25. Bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 26. Toetreding

Dit Verdrag staat voor alle Staten open voor toetreding. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 27. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag treedt in werking dertig dagen na de datum waarop tweeëntwintig akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding zijn nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

2.

Voor elke Staat die het Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, dan wel hiertoe toetreedt na de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 28. Opzegging
1.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

2.

De opzegging wordt van kracht één jaar na de datum waarop deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is ontvangen.

Artikel 29. Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan zal toezenden aan alle Staten.

DONE at New York this ninth day of December one thousand nine hundred and ninety-four.