Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen

Type Verdrag
Publication 2002-03-09
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten;

Ernstig bezorgd over de toename over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen;

In herinnering brengend de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties;

Tevens in herinnering brengend de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme, bijlage bij resolutie 49/60 van de Algemene Vergadering van 9 december 1994 waarin, onder andere: „de lidstaten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische daden, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, met inbegrip van daden die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen";

Vaststellend dat de Verklaring Staten tevens aanmoedigt „het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn gedaantes en verschijningsvormen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omvat”;

Voorts in herinnering brengend resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996 en de Aanvullende Verklaring bij de Verklaring van 1994 inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme;

Tevens vaststellend dat terroristische aanslagen door middel van springstoffen of andere dodelijke instrumenten steeds vaker voorkomen;

Voorts vaststellend dat de bestaande multilaterale juridische instrumenten deze aanslagen onvoldoende aanpakken;

Overtuigd van de dringende noodzaak tot verbetering van de internationale samenwerking tussen Staten bij het opstellen en het nemen van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van deze daden van terrorisme, alsmede ter vervolging en bestraffing van de daders;

Overwegende dat dergelijke gedragingen de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrusten;

Vaststellend dat de activiteiten van strijdkrachten van Staten onderworpen zijn aan regels van internationaal recht die buiten het kader van dit Verdrag vallen en dat het feit dat bepaalde handelingen van het toepassingsgebied van dit Verdrag worden uitgesloten, niet betekent dat anderszins onwettige handelingen worden gebillijkt of gewettigd of dat vervolging op grond van ander recht wordt uitgesloten;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon wederrechtelijk en opzettelijk een springstof of ander dodelijk instrument aflevert, plaatst, tot ontlading of ontploffing brengt op, bij of in een openbare plaats, een staats- of regeringsvoorziening, een openbaar vervoerssysteem of een infrastructurele voorziening,

2.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid.

3.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon:

Artikel 3

Dit Verdrag is niet van toepassing indien het strafbaar feit wordt gepleegd binnen één Staat, de vermoedelijke dader en de slachtoffers onderdanen zijn van die Staat, de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van die Staat en geen andere Staat een grond heeft krachtens artikel 6, eerste lid of artikel 6, tweede lid, van dit Verdrag tot uitoefening van rechtsmacht, met dien verstande dat de bepalingen van de artikelen 10 tot en met 15, voor zover deze zich daartoe lenen, in dergelijke gevallen van toepassing zijn.

Artikel 4

Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om:

Artikel 5

Iedere Staat die Partij is treft de nodige maatregelen, eventueel met inbegrip van de benodigde nationale wetgeving, om zeker te stellen dat strafbare handelingen die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag, met name indien zij zijn bedoeld om of ermee wordt beoogd het publiek, een groep personen of bepaalde personen grote angst aan te jagen, onder geen enkele omstandigheid worden gerechtvaardigd door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of andere soortgelijke aard en worden bestraft met straffen die passen bij de ernst van deze handelingen.

Artikel 6
1.

Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, indien:

2.

Een Staat die Partij is kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vestigen, indien:

3.

Elke Staat die Partij is en die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van de rechtsmacht die hij overeenkomstig het tweede lid op grond van zijn nationale wetgeving heeft gevestigd. Indien zich wijzigingen voordoen, stelt de betrokken Staat die Partij is de Secretaris-Generaal daarvan onmiddellijk in kennis.

4.

Elke Staat die Partij is neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat die Partij is en die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste of tweede lid.

5.

Dit Verdrag sluit niet de uitoefening uit van enige rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden die een Staat die Partij is in overeenstemming met zijn nationale wetgeving heeft gevestigd.

Artikel 7
1.

Indien een Staat die Partij is informatie verkrijgt dat de pleger of vermoedelijke pleger van een in artikel 2 omschreven strafbaar feit zich mogelijk op zijn grondgebied bevindt, neemt de desbetreffende Staat die Partij is de maatregelen die krachtens zijn nationale wetgeving nodig zijn voor een onderzoek naar de in de verstrekte informatie opgenomen feiten.

2.

Een Staat die Partij is en op wiens grondgebied de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, neemt, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, in overeenstemming met zijn nationale recht de gepaste maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van die persoon ten behoeve van strafvervolging of uitlevering.

3.

Een ieder tegen wie de in het tweede lid genoemde maatregelen worden genomen, heeft het recht:

4.

De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.

5.

De bepalingen van het derde en vierde lid gelden onverminderd het recht van een Staat die Partij is en die zich beroept op rechtsmacht overeenkomstig artikel 6, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, onderdeel c, het Internationale Rode Kruis te verzoeken zich in verbinding te stellen met de vermoedelijke dader en deze te bezoeken.

6.

Wanneer een Staat die Partij is krachtens dit artikel een persoon in detentie heeft gesteld, stelt hij de Staten die Partij zijn en die overeenkomstig artikel 6, eerste en tweede lid, hun rechtsmacht hebben gevestigd, alsmede wanneer hij dit nodig acht, alle andere belanghebbende Staten die Partij zijn, rechtstreeks of via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, onverwijld in kennis van het feit dat de betrokken persoon in detentie is gesteld en van de omstandigheden die zijn detentie rechtvaardigen. De Staat die het in het eerste lid van dit artikel bedoelde onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mee aan genoemde Staten die Partij zijn en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

Artikel 8
1.

De Staat die Partij is en op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader zich bevindt, is, in de gevallen waarop artikel 6 van toepassing is, indien hij deze persoon niet uitlevert, zonder enige uitzondering en ongeacht of het strafbare feit op zijn grondgebied is gepleegd of niet, verplicht de zaak zonder onnodige vertraging over te dragen aan zijn bevoegde autoriteiten voor vervolging door middel van een procedure overeenkomstig het recht van die Staat. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van elk ander strafbaar feit van ernstige aard krachtens het recht van die Staat.

2.

Wanneer het een Staat die Partij is op grond van zijn nationale wetgeving alleen is toegestaan een onderdaan uit te leveren of op andere wijze over te leveren op voorwaarde dat deze wordt teruggezonden naar die Staat om de straf te ondergaan die is opgelegd als gevolg van het proces of de procedure waarvoor de uitlevering of overgave van de persoon werd verzocht, en deze Staat en de Staat die verzoekt om uitlevering van de persoon instemmen met deze optie en andere voorwaarden die zij gepast achten, is een dergelijke voorwaardelijke uitlevering of overgave voldoende voor ontheffing van de in het eerste lid omschreven verplichting.

Artikel 9
1.

Voordat dit Verdrag in werking treedt, worden de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in alle tussen de Staten die Partij zijn bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Staten die Partij zijn verplichten zich ertoe bedoelde strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat vervolgens tussen hen wordt gesloten.

2.

Indien een Staat die Partij is en die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die Partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Staat die Partij is, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering op grond van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.