Protocol van Torremolinos van 1993 inzake het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

Type Verdrag
Publication 1993-04-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij dit Protocol,

Erkennend de aanzienlijke bijdrage die kan worden geleverd door het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977, aan de veiligheid van schepen in het algemeen en aan de veiligheid van vissersvaartuigen in het bijzonder,

Erkennend evenwel dat sommige bepalingen van het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977, aanleiding hebben gegeven tot problemen bij de uitvoering van die bepalingen door een aantal Staten met omvangrijke vissersvloten die hun vlag voeren en dat dit de inwerkingtreding van het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977, en daarmee de uitvoering van de daarin vervatte voorschriften heeft verhinderd,

Geleid door de wens in onderlinge overeenstemming de strengst mogelijke praktisch uitvoerbare normen vast te stellen voor de beveiliging van vissersvaartuigen die kunnen worden nageleefd door alle betrokken Staten,

Overwegend dat dit doel het beste kan worden bereikt door het sluiten van een Protocol inzake het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Algemene verplichtingen
1.

De Partijen bij dit Protocol geven uitvoering aan de bepalingen van:

2.

De artikelen van dit Protocol en de voorschriften van de Bijlage bij het Verdrag worden, onverminderd de wijzigingen vervat in de Bijlage bij dit Protocol, gelezen en uitgelegd als een enkel instrument.

3.

De Bijlage bij dit Protocol vormt een integrerend deel van het Protocol en een verwijzing naar dit Protocol houdt terzelfdertijd een verwijzing in naar de Bijlage hierbij.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder:

Artikel 3. Toepassing
1.

Dit Protocol is van toepassing op zeegaande vissersvaartuigen, met inbegrip van vaartuigen waarop de vangst tevens wordt verwerkt, die gerechtigd zijn de vlag van een Partij te voeren.

2.

De bepalingen van de Bijlage zijn niet van toepassing op vaartuigen die uitsluitend worden gebruikt:

3.

De bepalingen van deze Bijlage zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt.

4.

In het geval in een hoofdstuk voor de toepassing van dat hoofdstuk een limiet van de lengte van het vaartuig groter dan 24 meter wordt voorgeschreven, bepaalt de Administratie welke voorschriften van dat hoofdstuk, geheel of ten dele, van toepassing dienen te zijn op een vissersvaartuig waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, maar minder dan de in dat hoofdstuk voorgeschreven limiet van de lengte, en dat gerechtigd is de vlag van die staat te voeren, met inachtneming van het type, de afmetingen en de wijze van exploitatie van een dergelijk vaartuig.

5.

De Partijen spannen zich in om, bij hoge voorrang, uniforme normen in te stellen die door de Administraties moeten worden toegepast op de in het vierde lid bedoelde vissersvaartuigen, die in dezelfde regio worden geëxploiteerd, rekening houdend met de wijze van exploitatie, de beschutte aard en de klimatologische omstandigheden in die regio. Deze regionale uniforme normen worden medegedeeld aan de Organisatie, die deze ter kennisneming mededeelt aan de andere Partijen.

Artikel 4. Afgifte van certificaten en controle door de havenstaat
1.

Elk vaartuig dat in overeenstemming met de bepalingen van de voorschriften in het bezit van een certificaat moet zijn, is, wanneer het zich in een haven van een andere Partij bevindt, onderworpen aan de controle door door de Regering van die Partij naar behoren bevoegd verklaarde ambtenaren, voorzover deze controle erop gericht is zekerheid te verkrijgen dat het krachtens de bepalingen van de desbetreffende voorschriften afgegeven certificaat geldig is.

2.

Een zodanig certificaat wordt, indien het geldig is, aanvaard, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de toestand van het vaartuig of van zijn uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van dat certificaat of dat het vaartuig en zijn uitrusting niet voldoen aan de bepalingen van de desbetreffende voorschriften.

3.

In de in het tweede lid genoemde omstandigheden of wanneer het certificaat verlopen is of niet langer geldig is, moet de controlerende ambtenaar stappen ondernemen om te verzekeren dat het vaartuig niet vertrekt voordat het zonder gevaar voor vaartuig of opvarenden zee kan kiezen of de haven kan verlaten om zich naar de passende reparatiewerf te begeven.

4.

In het geval dat deze controle aanleiding geeft tot enige vorm van ingrijpen, stelt de controlerende ambtenaar de consul of, bij diens afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger van de staat wiens vlag het vaartuig gerechtigd is te voeren terstond schriftelijk in kennis van alle omstandigheden die ertoe hebben geleid dat deze ingreep noodzakelijk werd geacht. Bovendien worden de aangewezen inspecteurs of de erkende organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de certificaten eveneens op de hoogte gebracht. De feiten met betrekking tot de ingreep worden aan de Organisatie gerapporteerd.

5.

Indien de betrokken autoriteit van de havenstaat de in het derde lid bedoelde stappen niet kan ondernemen of indien het het vaartuig is toegestaan naar de volgende aanloophaven te varen, stelt de betrokken autoriteit van de havenstaat de in het vierde lid bedoelde Partij en de autoriteiten van de volgende aanloophaven in kennis van alle relevante informatie met betrekking tot het vaartuig.

6.

Bij de uitvoering van een controle krachtens dit artikel wordt al het mogelijke in het werk gesteld om het onnodig vasthouden of vertragen van het vaartuig te voorkomen. Elk vaartuig dat onnodig is vastgehouden of vertraagd als gevolg van de uitvoering van een controle, heeft recht op vergoeding van de geleden verliezen of schade.

7.

Ten aanzien van vaartuigen van Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol, passen de Partijen de eisen van dit Protocol toe voorzover zulks noodzakelijk is om ervoor zorg te dragen dat deze vaartuigen geen gunstiger behandeling genieten.

Artikel 5. Overmacht
1.

Een vaartuig dat bij de aanvang van een reis niet is onderworpen aan de bepalingen van dit Protocol of niet verplicht is een certificaat aan boord te hebben overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol, wordt hieraan ook niet onderworpen wegens een afwijking van zijn voorgenomen route die te wijten is aan slecht weer of aan enige andere vorm van overmacht.

2.

Personen die aan boord van een vaartuig zijn door overmacht of tengevolge van de verplichting schipbreukelingen of andere personen te vervoeren, worden niet in aanmerking genomen bij de vraag of het vaartuig voldoet aan de bepalingen van dit Protocol.

Artikel 6. Verstrekking van inlichtingen
1.

De Partijen zenden aan de Organisatie:

2.

De Organisatie stelt alle Partijen in kennis van de ontvangst van elke mededeling die op grond van het eerste lid, letter a), is gedaan en stelt hen in kennis van alle inlichtingen die haar op grond van het eerste lid, letters b) en c) zijn verstrekt.

Artikel 7. Ongevallen aan vissersvaartuigen overkomen
1.

Elke Partij stelt een onderzoek in naar elk ongeval dat haar vaartuigen waarop de bepalingen van dit Protocol van toepassing zijn, mocht overkomen, wanneer zij van oordeel is dat een zodanig onderzoek kan bijdragen tot het doen vaststellen van wijzigingen die in dit Protocol wenselijk zouden kunnen zijn.

2.

Elke Partij verstrekt de Organisatie, ter kennisgeving aan alle Partijen, relevante inlichtingen betreffende de resultaten van een zodanig onderzoek. Rapporten of aanbevelingen van de Organisatie die gebaseerd zijn op dergelijke inlichtingen, mogen niet de identiteit of nationaliteit van de betrokken vaartuigen onthullen, of op enigerlei wijze een vaartuig of een persoon verantwoordelijk stellen of de verantwoordelijkheid daarvan veronderstellen.

Artikel 8. Andere verdragen en interpretatie

Geen enkele bepaling van dit Protocol doet afbreuk aan de huidige of toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van een Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggenstaten.

Artikel 9. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
1.

Dit Protocol blijft open voor ondertekening op het Hoofdkantoor van de Organisatie van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1994 en blijft daarna open voor toetreding. Alle Staten kunnen partij bij dit Protocol worden door:

2.

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door de nederlegging van een hiertoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.

3.

Elke Staat die hetzij dit Protocol heeft ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hetzij de vereiste akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding overeenkomstig dit artikel heeft nedergelegd, verstrekt de Secretaris-Generaal, op het tijdstip van de nederlegging van de bovengenoemde akte en aan het einde van elk jaar, inlichtingen over het totale aantal vissersvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer die gerechtigd zijn de vlag van die Staat te voeren.

Artikel 10. Inwerkingtreding
1.

Dit Protocol treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan 15 Staten, waarvan het totale aantal vissersvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer niet minder dan 14.000 bedraagt, dit hetzij hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, hetzij overeenkomstig artikel 9 de vereiste akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd.

2.

Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Protocol hebben nedergelegd nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.

3.

Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop dit Protocol in werking is getreden, treedt dit Protocol in werking drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.

4.

Na de datum waarop een wijziging van dit Protocol geacht wordt te zijn aanvaard ingevolge artikel 11, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op dit Protocol, zoals gewijzigd.

Artikel 11. Wijzigingen
1.

Dit Protocol kan worden gewijzigd door middel van een van de twee der in dit artikel genoemde procedures.

2.

Wijzigingen na bestudering binnen de Organisatie:

3.

Wijzigingen door een Conferentie:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.