Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties

Type Verdrag
Publication 2009-06-23
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Hoge Overeenkomstsluitende Partijen, lidstaten van de Europese Unie,

Verwijzend naar de akte van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997,

Memorerend dat de verplichtingen in de overeenkomst inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douane-administraties, ondertekend te Rome op 7 september 1967, moeten worden versterkt,

Overwegende dat de douane-administraties op het douanegebied van de Gemeenschap, met name op de plaats van binnenkomst en de plaats van vertrek, verantwoordelijk zijn voor de voorkoming, de opsporing en de bestrijding van inbreuken, niet alleen op communautaire regelingen, maar ook op nationale wetten, in het bijzonder in de gevallen als bedoeld in de artikelen 36 en 223 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Overwegende dat de zich steeds verder ontwikkelende illegale handel van allerlei aard een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, openbare zedelijkheid en openbare veiligheid vormt,

Overwegende dat er regels moeten worden opgesteld voor de bijzondere samenwerkingsvormen die grensoverschrijdende acties meebrengen ter voorkoming, opsporing en bestrijding van bepaalde inbreuken op zowel de nationale wetgeving van de lidstaten als de communautaire douaneregelgeving; dat dergelijke grensoverschrijdende acties steeds moeten worden uitgevoerd met inachtneming van het legaliteitsbeginsel (dat wil zeggen overeenkomstig het toepasselijke recht van de aangezochte lidstaat en de richtsnoeren van de bevoegde autoriteiten van die lidstaat), het subsidiariteitsbeginsel (dergelijke acties mogen slechts worden gevoerd wanneer andere vormen van actie met minder verstrekkende gevolgen niet geschikt blijken te zijn) en het evenredigheidsbeginsel (bij de vaststelling van de omvang en de duur van de actie moet worden uitgegaan van de ernst van de vermoedelijke inbreuk);

Ervan overtuigd dat het noodzakelijk is om de samenwerking tussen douane-administraties te versterken door procedures vast te leggen in het kader waarvan douane-administraties gezamenlijk kunnen optreden en gegevens over illegale handelsactiviteiten kunnen uitwisselen;

Indachtig dat het tot de dagelijkse werkzaamheden van de douane-administraties behoort om zowel communautaire als nationale bepalingen toe te passen en dat er dientengevolge een onmiskenbare noodzaak bestaat om te garanderen dat de bepalingen betreffende wederzijdse bijstand en samenwerking in beide sectoren zich zoveel mogelijk parallel ontwikkelen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Toepassingsgebied
1.

Onverminderd de bevoegdheden van de Gemeenschap verlenen de lidstaten van de Europese Unie elkaar wederzijds bijstand en werken zij samen via hun douane-administraties, om

2.

Onverminderd artikel 3 doet deze overeenkomst geen afbreuk aan toepasselijke bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen justitiële autoriteiten, of aan verdergaande bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten aangaande samenwerking tussen de douane-autoriteiten of andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zoals voorzien in lid 1, alsmede van regelingen die op hetzelfde gebied zijn overeengekomen op basis van een uniforme wetgeving of van specifieke regelingen die in wederkerige toepassing van wederzijdse bijstand voorzien.

Artikel 2. Bevoegdheden

De douane-administraties passen deze overeenkomst toe binnen de grenzen van de bevoegdheden die hen krachtens nationale bepalingen zijn toegekend. Niets in deze overeenkomst kan worden uitgelegd als een wijziging in de bevoegdheden die krachtens nationale bepalingen aan de douane-administraties in de zin van deze overeenkomst zijn toegekend.

Artikel 3. Verhouding tot de wederzijdse rechtshulp van de justitiële autoriteiten
1.

Deze overeenkomst is van toepassing op wederzijdse bijstand en samenwerking in het kader van strafrechtelijke onderzoeken betreffende inbreuken op nationale en communautaire douanevoorschriften, ter zake waarvan de verzoekende autoriteit bevoegd is op grond van de nationale bepalingen van de betrokken lidstaat.

2.

Wanneer een strafrechtelijk onderzoek wordt verricht door of onder leiding van een justitiële autoriteit, bepaalt deze autoriteit of verzoeken om wederzijdse bijstand of samenwerking in verband daarmee ingediend worden op de grondslag van de toepasselijke bepalingen betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken dan wel op grondslag van deze overeenkomst.

Artikel 4. Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Artikel 5. Centrale coördinatiediensten
1.

De lidstaten wijzen bij hun douane-autoriteiten een centrale dienst (coördinatiedienst) aan. Deze is, onverminderd lid 2, belast met het ontvangen van de verzoeken om wederzijdse bijstand krachtens deze overeenkomst en het coördineren van de wederzijdse bijstand. Deze dienst is ook belast met de samenwerking met andere autoriteiten die bij een bijstandsmaatregel krachtens deze overeenkomst betrokken zijn. De coördinatiediensten van de lidstaten onderhouden met name in de gevallen als bedoeld in titel IV de nodige rechtstreekse onderlinge contacten.

2.

De activiteiten van de centrale coördinatiediensten vormen geen beletsel, met name in spoedgevallen, voor rechtstreekse samenwerking tussen andere diensten van de douaneautoriteiten van de lidstaten. Om redenen van doeltreffendheid en samenhangendheid dienen de centrale coördinatiediensten op de hoogte te worden gesteld van acties waarbij deze rechtstreekse samenwerking plaatsvindt.

3.

Indien de douane-autoriteit niet of slechts gedeeltelijk bevoegd is voor de behandeling van een verzoek, dan zendt de centrale coördinatiedienst het verzoek door aan de bevoegde nationale autoriteit en stelt hij de verzoekende autoriteit daarvan in kennis.

4.

Indien het op juridische of feitelijke gronden niet mogelijk is het verzoek in te willigen, dan zendt de coördinatiedienst het verzoek terug aan de verzoekende autoriteit met een toelichting betreffende de beletselen.

Artikel 6. Verbindingsfunctionarissen
1.

De lidstaten kunnen afspreken om voor een bepaalde of onbepaalde duur en op onderling overeen te komen voorwaarden verbindingsfunctionarissen uit te wisselen.

2.

De verbindingsfunctionarissen hebben geen operationele bevoegdheid in het ontvangende land.

3.

Ter bevordering van de samenwerking tussen de douane-administraties van de lidstaten kunnen de verbindingsfunctionarissen, met toestemming of op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, worden belast met de volgende taken:

4.

De lidstaten kunnen bilaterale of multilaterale afspraken maken over het mandaat en de standplaats van de verbindingsfunctionarissen. De verbindingsfunctionarissen kunnen ook de belangen van een of meer andere lidstaten behartigen.

Artikel 7. Legitimatieplicht

Behoudens andersluidende bepalingen in deze overeenkomst dienen de functionarissen van de verzoekende autoriteit die in een andere lidstaat aanwezig zijn om de uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten uit te oefenen, te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waarin hun identiteit en hun officiële functie zijn aangegeven.

TITEL II. BIJSTAND OP VERZOEK

Artikel 8. Beginselen
1.

Bij de bijstand als bedoeld in deze titel gaat de aangezochte autoriteit of de door haar benaderde bevoegde autoriteit te werk als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit van haar eigen lidstaat. Daartoe gebruikt zij al de haar in het kader van haar nationale wetgeving ter beschikking staande wettelijke bevoegdheden ter inwilliging van het verzoek.

2.

De aangezochte autoriteit breidt deze bijstand uit tot alle aspecten van de inbreuk die duidelijk samenhangen met de in het verzoek om bijstand vermelde zaak, zonder dat daartoe een aanvullend verzoek wordt verlangd. In twijfelgevallen neemt de aangezochte autoriteit eerst contact op met de verzoekende autoriteit.

Artikel 9. Vorm en inhoud van de verzoeken om bijstand
1.

Verzoeken om bijstand worden steeds schriftelijk gedaan. Het verzoek gaat vergezeld van de voor de behandeling ervan noodzakelijke bescheiden.

2.

De overeenkomstig het bepaalde in lid 1 ingediende verzoeken behelzen de hierna volgende gegevens:

3.

De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de lidstaat van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal.

4.

Wanneer zulks vereist is wegens het spoedeisende karakter van de situatie, worden mondelinge verzoeken aanvaard, mits zij zo spoedig mogelijk schriftelijk worden bevestigd.

5.

Indien een verzoek niet voldoet aan de vormvereisten, kan de aangezochte autoriteit om correctie of aanvulling daarvan verzoeken. Ondertussen kunnen de nodige maatregelen echter reeds worden getroffen.

6.

De aangezochte autoriteit stemt in met het toepassen van een bepaalde procedure in antwoord op een verzoek, voorzover deze procedure niet in strijd is met wettelijke, bestuursrechtelijke en bestuurlijke bepalingen van de aangezochte lidstaat.

Artikel 10. Verzoeken om inlichtingen
1.

Op verzoek van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit aan eerstgenoemde alle inlichtingen mede die zij nodig heeft om ervoor te kunnen zorgen dat inbreuken worden voorkomen, opgespoord en vervolgd.

2.

De medegedeelde inlichtingen gaan vergezeld van rapporten en andere documenten of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan waarop de verstrekte inlichtingen gebaseerd zijn en die de aangezochte autoriteit ter beschikking staan of die voor de uitvoering van het verzoek om inlichtingen zijn opgesteld of verkregen.

3.

De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat door de verzoekende autoriteit daartoe gemachtigde functionarissen, met inachtneming van gedetailleerde instructies van de aangezochte autoriteit, in de kantoren van de aangezochte lidstaat gegevens als bedoeld in lid 1 mogen inzamelen. Dit geldt voor alle informatie die is afgeleid uit de documentatie waartoe de personeelsleden van deze kantoren toegang hebben. De betrokken functionarissen zijn gemachtigd kopieën te maken van deze documentatie.

Artikel 11. Verzoeken tot uitoefening van toezicht

Op verzoek van de verzoekende autoriteit oefent de aangezochte autoriteit voor zover mogelijk bijzonder toezicht uit of laat zij voor zover mogelijk bijzonder toezicht uitoefenen op personen ten aanzien van wie ernstige vermoedens bestaan dat zij inbreuken op de communautaire of nationale douanevoorschriften begaan of hebben begaan of daartoe voorbereidingen hebben getroffen. Voorts oefent de aangezochte autoriteit op verzoek van de verzoekende autoriteit toezicht uit op plaatsen, vervoermiddelen en goederen die verband houden met activiteiten die een inbreuk zouden kunnen betekenen op deze douanevoorschriften.

Artikel 12. Verzoeken tot onderzoeken
1.

Op verzoek van de verzoekende autoriteit verricht de aangezochte autoriteit een passend onderzoek of doet zij dit verrichten naar handelingen die een inbreuk vormen of die volgens de verzoekende autoriteit een inbreuk lijken te vormen.

De aangezochte autoriteit deelt de resultaten van het onderzoek mee aan de verzoekende autoriteit. Artikel 10, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

2.

De verzoekende en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat door de verzoekende autoriteit aangewezen functionarissen aanwezig mogen zijn bij het in lid 1 bedoelde onderzoek. Het onderzoek wordt altijd uitgevoerd door functionarissen van de aangezochte autoriteit. De functionarissen van de verzoekende autoriteit mogen niet op eigen initiatief de aan functionarissen van de aangezochte autoriteit toegekende bevoegdheden uitoefenen. Daarentegen hebben zij wel toegang tot dezelfde plaatsen en documenten als de laatstgenoemden, zulks door hun tussenkomst en alleen ten behoeve van het lopende onderzoek.

Artikel 13. Kennisgeving
1.

Op verzoek van de verzoekende autoriteit en met inachtneming van de nationale regels van de lidstaat waar zij is gevestigd, geeft de aangezochte autoriteit de geadresseerde kennis of laat zij hem kennis geven van alle of besluiten of beslissingen die uitgaan van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd en die betrekking hebben op de toepassing van deze overeenkomst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.