Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Regering van de Republiek Oostenrijk,
Geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG
Artikel 1. Nalatenschappen, verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen waarop het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing:
- a. op nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht van personen die ten tijde van hun overlijden inwoner waren van een of van beide Verdragsluitende Staten, en
- b. op schenkingen gedaan door personen die ten tijde van de schenking inwoner waren van een of van beide Verdragsluitende Staten.
Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen, die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.
Als belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht worden beschouwd alle belastingen die ter zake van overlijden worden geheven in de vorm van belastingen over de nalatenschap in haar geheel, van belastingen over verkrijgingen krachtens erfrecht, van rechten van overgang of van belastingen over schenkingen in verband met overlijden. Als belastingen van schenkingen worden beschouwd alle belastingen die over overgangen onder de levenden worden geheven, uitsluitend omdat die overgangen geheel of gedeeltelijk om niet plaatsvinden.
De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn:
- a. voor Nederland: het recht van successie, het recht van overgang en het recht van schenking (hierna te noemen Nederlandse belasting);
- b. voor Oostenrijk: die Erbschafts- und Schenkungssteuer (successie- en schenkingsbelasting) (hierna te noemen Oostenrijkse belasting).
Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen mede, die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
- a. betekent de uitdrukking „Verdragsluitende Staat” Nederland of Oostenrijk, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Verdragsluitende Staten” Nederland en Oostenrijk;
- b. betekent de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden, dat in Europa is gelegen;
- c. betekent de uitdrukking „Oostenrijk” de Republiek Oostenrijk;
- d. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- e. omvat de uitdrukking „vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat” alle vermogensbestanddelen waarvan de overdracht of overgang, ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Staat, is onderworpen aan een belasting waarop het Verdrag van toepassing is;
- f. betekent de uitdrukking „onderdaan”
- i. iedere natuurlijke persoon die de nationaliteit van een Verdragsluitende Staat bezit;
- ii. iedere rechtspersoon, vennootschap en andere vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in een Verdragsluitende Staat van kracht is;
- g. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”
- i. in Nederland: de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- ii. in Oostenrijk: de Bondsminister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.
Voor de toepassing van het Verdrag door een Verdragsluitende Staat heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.
Artikel 4. Fiscale woonplaats
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een Verdragsluitende Staat” iedere persoon wiens nalatenschap of wiens schenking, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Deze uitdrukking omvat echter niet personen wier nalatenschap of wier schenking in die Staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van in die Staat gelegen vermogensbestanddelen.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Verdragsluitende Staten was, wordt zijn positie als volgt bepaald:
- a. hij wordt geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had; indien hij in beide Verdragsluitende Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst waren (middelpunt van de levensbelangen);
- b. indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen had, of indien hij in geen van beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar hij gewoonlijk verbleef;
- c. indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verbleef, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waarvan hij onderdaan was;
- d. indien hij onderdaan was van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid van dit artikel op het tijdstip waarop zijn woonplaats moet worden vastgesteld inwoner van beide Verdragsluitende Staten was, en
- a. op dat tijdstip onderdaan was van een Verdragsluitende Staat zonder onderdaan te zijn van de andere Verdragsluitende Staat, en
- b. inwoner van die andere Staat was maar aldaar gedurende de tien jaren onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip minder dan zeven jaren inwoner is geweest, en
- c. niet de bedoeling had voor onbepaalde tijd in die andere Staat te blijven, wordt hij, niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, geacht op dat tijdstip inwoner te zijn geweest van de Staat waarvan hij onderdaan was.
Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Verdragsluitende Staten was, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding was gelegen.
HOOFDSTUK III. REGELS VOOR DE BELASTINGHEFFING
Artikel 5. Onroerende vermogensbestanddelen
Onroerende vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, en die in de andere Verdragsluitende Staat zijn gelegen, mogen in die andere Staat worden belast.
De uitdrukking „onroerende vermogensbestanddelen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van de Verdragsluitende Staat waar de desbetreffende vermogensbestanddelen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de vermogensbestanddelen die bij de onroerende vermogensbestanddelen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende vermogensbestanddelen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende vermogensbestanddelen beschouwd.
De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op onroerende vermogensbestanddelen van een onderneming en op onroerende vermogensbestanddelen gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid.
Artikel 6. Bedrijfsvermogen van een vaste inrichting en bezittingen behorend tot een vast middelpunt en gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid
Bezittingen, met uitzondering van de bezittingen, bedoeld in artikel 5, die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, en die behoren tot een in de andere Verdragsluitende Staat gevestigde vaste inrichting, mogen in die andere Staat worden belast.
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b. een filiaal;
- c. een kantoor;
- d. een fabriek;
- e. een werkplaats, en
- f. een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien:
- a. gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;
- c. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- e. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheden heeft;
- f. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a) tot en met e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheden heeft.
Bezittingen, met uitzondering van de bezittingen, bedoeld in artikel 5, die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, die behoren tot een in de andere Verdragsluitende Staat gevestigd vast middelpunt en die worden gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid, mogen in die andere Staat worden belast.
Artikel 7. Overige vermogensbestanddelen
Onverminderd de bepalingen van artikel 8, zijn vermogensbestanddelen, waar ook gelegen, die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, en die niet werden behandeld in de artikelen 5 en 6, slechts belastbaar in die Staat.
Artikel 8. Subsidiaire heffingsrechten
Indien de overledene of de schenker ten tijde van zijn overlijden, respectievelijk ten tijde van de schenking inwoner was van een Verdragsluitende Staat en op dat tijdstip onderdaan was van de andere Verdragsluitende Staat en op enig tijdstip gedurende de tien jaren onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden of de schenking inwoner was geweest van die andere Staat, mag die andere Staat de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 7, ook belasten, overeenkomstig zijn nationale wetgeving.
Indien de schenker ten tijde van de schenking inwoner was van een Verdragsluitende Staat en op enig tijdstip gedurende het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de schenking inwoner was geweest van de andere Verdragsluitende Staat, mag die andere Staat de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 7, onverminderd de bepalingen van het eerste lid, ook belasten, overeenkomstig zijn nationale wetgeving.
Artikel 9. Aftrek van schulden
Schulden waarvoor vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 5 uitdrukkelijk zijn verbonden, worden op de waarde van die vermogensbestanddelen in mindering gebracht. Schulden waarvoor vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 5 niet uitdrukkelijk zijn verbonden, doch die verband houden met de verkrijging, de omzetting, het herstel of het onderhoud van zulke vermogensbestanddelen, worden op de waarde van die vermogensbestanddelen in mindering gebracht.
Onder voorbehoud van de bepalingen van het eerste lid worden schulden die betrekking hebben op een vaste inrichting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, of op een vast middelpunt als bedoeld in artikel 6, zesde lid, in mindering gebracht op de waarde van de vaste inrichting, respectievelijk het vaste middelpunt.
Indien een schuld de waarde van de vermogensbestanddelen waarvan zij overeenkomstig de bepalingen van het eerste en het tweede lid in een Verdragsluitende Staat aftrekbaar is, overschrijdt, wordt het overschot in mindering gebracht op de waarde van de andere in die Staat belastbare vermogensbestanddelen.
Indien, na toepassing van de verminderingen, bedoeld in het derde en het vierde lid, nog een bedrag in een Verdragsluitende Staat overblijft, wordt dit overschot in mindering gebracht op de waarde van de vermogensbestanddelen die in de andere Verdragsluitende Staat aan belasting zijn onderworpen.
Ingeval de bepalingen van het eerste tot en met het vijfde lid een Verdragsluitende Staat zouden verplichten schulden in mindering te brengen tot een groter bedrag dan het bedrag waarin zijn wetgeving voorziet, zijn die bepalingen alleen van toepassing voor zover de andere Verdragsluitende Staat krachtens zijn eigen wetgeving niet verplicht is dezelfde schulden in mindering te brengen.
Artikel 10. Vrijstellingen en verminderingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.