Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg en de Federale Regering van de Federale Republiek Joegoslavië betreffende de terug- en overname van personen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staat

Type Verdrag
Publication 2004-05-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, en de Federale Regering van de Federale Republiek Joegoslavië, de drie eerstgenoemden gezamenlijk optredend op grond van de Benelux-Overeenkomst van 11 april 1960,

hierna genoemd: de Overeenkomstsluitende Staten,

gevolg gevend aan het voornemen de betrekkingen tussen vorengenoemde landen te verbeteren en teneinde de terug- en overname te regelen van personen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staat, aldus ernaar strevend bij te dragen tot de voorkoming en wegwerking van illegale migratie,

zijn het volgende overeengekomen:

I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder:

II. TERUGNAME VAN ONDERDANEN VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE STATEN

Artikel 2. Verplichting tot terugname

(1). De aangezochte Partij neemt op verzoek van de verzoekende Partij personen terug, die zich op het grondgebied van de verzoekende Partij bevinden en die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf, wanneer is vastgesteld dat de betrokkenen onderdaan van de aangezochte Partij zijn.

(2). De verplichting tot terugname geldt eveneens voor personen die tijdens hun verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij de nationaliteit van de aangezochte Partij verloren hebben, een en ander overeenkomstig de nationale wetgeving van de aangezochte Partij, tenzij zij een andere nationaliteit hebben verkregen of de toezegging hebben ontvangen dat hun de nationaliteit van de verzoekende Partij zal worden verleend.

(3). De terugname geschiedt in alle gevallen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en het Protocol tot uitvoering van de Overeenkomst, waarbij de mensenrechten en de waardigheid van de terug te nemen personen onverkort in acht worden genomen.

Artikel 3. Uitzonderingen op de verplichting tot terugname

(1). De verplichting tot terugname ingevolge artikel 2 van deze Overeenkomst geldt niet wanneer de persoon die het land van de verzoekende Partij moet verlaten, niet naar het grondgebied van de aangezochte Partij wil terugkeren en meer dan één nationaliteit bezit dan wel regelmatig verblijf heeft op het grondgebied van een derde land. Indien, niettegenstaande de vrije keuze van de persoon, het derde land de betrokkene niet naar het grondgebied van dat derde land zou laten terugkeren, neemt de aangezochte Partij die persoon terug.

(2). De verplichting tot terugname geldt niet voor vluchtelingen en/of andere personen uit Kroatië en Bosnië-Herzegowina, aan wie het Joegoslavische paspoort op humanitaire gronden werd uitgereikt.

Artikel 4. Vaststelling van de identiteit en de nationaliteit

(1). De identiteit en de nationaliteit van terug te nemen personen worden door de bevoegde instantie van de aangezochte Partij overeenkomstig de eigen nationale wetgeving vastgesteld.

(2). De documenten door middel waarvan de identiteit en de nationaliteit van de terugkerende persoon worden aangetoond of redelijkerwijs kunnen worden verondersteld, worden in het Protocol tot uitvoering van deze Overeenkomst vastgelegd.

(3). Voor de vaststelling van de identiteit en de nationaliteit van de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen doet de verzoekende Partij het verzoek om terugname en de beschikbare persoonlijke documenten aan de aangezochte Partij toekomen.

Artikel 5. Procedure na het verzoek om terugname

(1). De bevoegde instantie van de aangezochte Partij stelt de bevoegde instantie van de verzoekende Partij binnen tien (10) werkdagen in kennis van het antwoord op het verzoek om terugname.

(2). Na ontvangst van een positief antwoord op het verzoek om terugname verzoekt de bevoegde instantie van de verzoekende Partij bij de diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij om afgifte van het laissez-passer ten behoeve van de terugkerende persoon. Het laissez-passer wordt onverwijld en uiterlijk binnen drie (3) werkdagen afgegeven.

(3). Indien de bevoegde instantie het verzoek niet binnen de in het eerste lid van dit artikel gestelde termijn kan beantwoorden, stelt deze de bevoegde instantie van de verzoekende Partij onder opgave van de redenen onverwijld daarvan in kennis. Na het wegvallen van die redenen verschaft de bevoegde instantie van de aangezochte Partij onverwijld en uiterlijk binnen tien (10) werkdagen het antwoord op het verzoek.

(4). Het negatieve antwoord op het verzoek dient met redenen te worden omkleed.

Artikel 6. Terugnameprocedure

(1). De terugname vindt plaats binnen dertig (30) dagen te rekenen van de dag van afgifte van het laissez-passer. Deze termijn kan worden verlengd met de termijn die nodig is om juridische, medische of andere zwaarwegende praktische belemmeringen uit de weg te ruimen.

(2). De bevoegde instantie van de verzoekende Partij stelt de bevoegde instantie van de aangezochte Partij in kennis van tijdstip, locatie en wijze van terugname van de betrokkene binnen drie (3) werkdagen vóór de geplande terugname en vijf (5) werkdagen in het geval van een politie-escorte.

(3). Het vervoer van terug te nemen personen vindt in het algemeen door de lucht plaats. Het vervoer geschiedt enkel om medische redenen over land.

(4). De bevoegde instantie van de verzoekende Partij stelt de bevoegde instantie van de aangezochte Partij in kennis van tijdstip, locatie en wijze van terugname van de persoon die wegens ziekte of ouderdom speciale zorg of behandeling behoeft.

(5). De bevoegde instantie van de verzoekende Partij stelt de bevoegde instantie van de aangezochte Partij in kennis van tijdstip, locatie en wijze van terugname van de persoon voor wie een politie-escorte nodig is.

III. OVERNAME VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN

Artikel 7. Verplichting tot en wijze van overname

(1). De aangezochte Partij neemt op verzoek van de verzoekende Partij de onderdaan van een derde land over, die niet voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij en van wie is vastgesteld dat hij vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij rechtstreeks op het grondgebied van de verzoekende Partij is binnengekomen door de lucht, over land of over zee.

(2). Op verzoek van de verzoekende Partij neemt de aangezochte Partij de onderdaan van een derde land over, die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, indien de betrokkene in het bezit is van een door de aangezochte Partij afgegeven visum, met uitzondering van een transitvisum, of andere verblijfstitel. Indien beide Overeenkomstsluitende Staten een visum of een verblijfstitel aan de onderdaan van een derde land hebben afgegeven, dient de Overeenkomstsluitende Staat wiens visum of verblijfstitel het laatst vervalt, de betrokkene over te nemen.

(3). De gegevens inzake identiteit en nationaliteit en de feiten door middel waarvan de verplichtingen tot overname op het grondgebied van de aangezochte Partij (kunnen) worden aangetoond of redelijkerwijs kunnen worden verondersteld, zijn omschreven in het Protocol tot uitvoering van deze Overeenkomst.

(4). De aangezochte Partij beantwoordt het verzoek om overname binnen tien (10) werkdagen te rekenen van de dag van indiening.

(5). De aangezochte Partij neemt de onderdaan van een derde land over binnen dertig (30) dagen te rekenen van de dag van ontvangst van het positieve antwoord op het verzoek om overname. Deze termijn kan worden verlengd met de termijn die nodig is om juridische, medische of andere zwaarwegende praktische belemmeringen uit de weg te ruimen.

(6). De bevoegde instantie van de verzoekende Partij stelt de bevoegde instantie van de aangezochte Partij in kennis van tijdstip, locatie en wijze van overname van de betrokkene binnen drie (3) werkdagen vóór de geplande datum van overname en vijf (5) werkdagen in het geval van een politie-escorte.

(7). De bevoegde instantie van de verzoekende Partij stelt de bevoegde instantie van de aangezochte Partij in kennis van tijdstip, locatie en wijze van overname van de persoon die wegens ziekte of ouderdom speciale zorg of behandeling behoeft, alsmede in het geval van een politie-escorte.

(8). Het negatieve antwoord op het verzoek om overname dient met redenen te worden omkleed.

Artikel 8. Uitzonderingen op de verplichting tot overname

De verplichting tot overname ingevolge deze Overeenkomst geldt niet voor onderdanen van derde landen in de volgende gevallen:

Artikel 9. Overname door de verzoekende Partij

De verzoekende Partij neemt binnen dertig (30) dagen onderdanen van derde landen onder dezelfde voorwaarden over, van wie nadien is komen vast te staan dat zij niet voldeden aan de voorwaarden voor overname als bedoeld in artikel 7 (leden 1 en 2) en artikel 8 van deze Overeenkomst.

IV. DOORGELEIDING VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN

Artikel 10. Doorgeleiding

(1). Desgevraagd door de verzoekende Partij staat de aangezochte Partij de doorgeleiding van onderdanen van derde landen toe, indien de verzoekende Partij het afdoende bewijs levert dat zij de toelating door de Staat van bestemming of eventuele andere Staten van doorreis gewaarborgd heeft.

(2). De Overeenkomstsluitende Staten doen het nodige om doorgeleidingen te beperken tot personen voor wie de rechtstreekse terugkeer naar de Staat van bestemming niet mogelijk is.

(3). De verzoekende Partij dient het verzoek om doorgeleiding van onderdanen van derde landen of staatlozen binnen ten minste acht (8) werkdagen vóór de doorgeleiding in. De aangezochte Partij doet binnen vijf (5) werkdagen mededeling van haar antwoord op het verzoek.

(4). Het vervoer onder politie-escorte van een door te leiden persoon vindt plaats overeenkomstig de voorschriften van de aangezochte Partij.

(5). Een negatief antwoord op het verzoek om doorgeleiding dient met redenen te worden omkleed.

(6). De voor doorgeleiding overgenomen persoon kan aan de verzoekende Partij worden teruggegeven indien de in artikel 15 van deze Overeenkomst genoemde omstandigheden achteraf worden vastgesteld. De doorgeleiding kan worden geweigerd indien de onderdaan van het derde land in het land van bestemming of eventuele andere Staten van doorreis het gevaar loopt van:

V. GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 11. Gegevensbescherming

(1). Persoonsgegevens mogen enkel worden verstrekt, voor zover zulks nodig is voor de uitvoering van deze Overeenkomst door de bevoegde instanties van de Federale Republiek Joegoslavië resp. de Benelux-Staten. Voor de verwerking en de behandeling van persoonsgegevens in een specifiek geval gelden de nationale wetgeving van de Federale Republiek Joegoslavië en, indien de controleur een bevoegde instantie van een Overeenkomstsluitende Staat van de Benelux is, de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG en de ingevolge die Richtlijn aangenomen nationale wetgeving van die Overeenkomstsluitende Staat. Voorts gelden de volgende beginselen:

VI. ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 12. Uitvoering van de Overeenkomst

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.