Europees Verdrag inzake de wettelijke bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn

Type Verdrag
Publication 2004-05-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Lidstaten van de Raad van Europa, andere Staten en de Europese Gemeenschap die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;

Indachtig Aanbeveling Nr. R (91)14 van het Comité van Ministers inzake de rechtsbescherming van gecodeerde televisiediensten;

Overwegende dat piraterij van decodeerapparatuur voor gecodeerde televisiediensten overal in Europa nog steeds een probleem vormt;

Vaststellend dat nieuwe soorten diensten en apparatuur voor voorwaardelijke toegang, alsmede nieuwe vormen van illegale toegang daartoe, zijn ontstaan sinds de aanneming van de bovengenoemde aanbeveling;

Vaststellend dat er grote ongelijkheid bestaat tussen de Europese Staten wat betreft de wetgeving ten behoeve van de bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn;

Vaststellend dat illegale toegang de economische levensvatbaarheid bedreigt van de organisaties die omroepdiensten en diensten van de informatiemaatschappij leveren en, als gevolg daarvan, de diversiteit kan aantasten van de programma's en diensten die worden aangeboden aan het publiek;

Overtuigd van de noodzaak een gemeenschappelijk beleid te volgen gericht op de bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn;

Ervan overtuigd dat strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of andere sancties een effectieve rol kunnen spelen bij de preventie van illegale activiteiten tegen diensten met voorwaardelijke toegang;

Van mening dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan illegale activiteiten die worden uitgevoerd voor commerciële doeleinden;

Rekening houdend met bestaande internationale instrumenten die bepalingen bevatten gericht op de bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn,

Zijn het volgende overeengekomen:

Afdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Onderwerp en doel

Dit Verdrag heeft betrekking op omroepdiensten en diensten van de informatiemaatschappij die tegen betaling worden geleverd en op voorwaarden toegankelijk zijn. Het doel van dit Verdrag is op het grondgebied van de Partijen een aantal activiteiten die leiden tot ongeoorloofde toegang tot beschermde diensten als illegaal aan te merken en de wetgeving van de Partijen op dit gebied nader tot elkaar te brengen.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 3. Begunstigden

Dit Verdrag is van toepassing op alle rechtspersonen of natuurlijke personen die een beschermde dienst als omschreven in artikel 2, onderdeel a, aanbieden, ongeacht hun nationaliteit en ongeacht of zij al dan niet vallen onder de rechtsmacht van een Partij.

Hoofdstuk II. Illegale activiteiten

Artikel 4. Strafbare feiten

Het uitvoeren van een van de volgende activiteiten op het grondgebied van een Partij wordt aangemerkt als onwettig:

Elke Partij kan, te allen tijde, in een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat zij ook andere activiteiten dan die omschreven in het eerste lid van dit artikel als onwettig zal aanmerken.

Hoofdstuk III. Sancties en rechtsmiddelen

Artikel 5. Sancties tegen illegale activiteiten

De Partijen nemen maatregelen om de in artikel 4 omschreven illegale activiteiten strafbaar te stellen met strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of andere sancties. Deze maatregelen zijn doeltreffend, afschrikkend en evenredig aan de potentiële gevolgen van de illegale activiteit.

Artikel 6. Confiscatoire maatregelen

De Partijen nemen de passende maatregelen die nodig kunnen zijn om hen in staat te stellen over te gaan tot beslaglegging op, en confiscatie van illegale voorzieningen of van het promotie-, marketing- of reclamemateriaal gebruikt bij het plegen van een strafbaar feit, alsmede verbeurdverklaring van winsten of financiële voordelen die voortvloeien uit de onwettige activiteit.

Artikel 7. Civiele procedure

De Partijen nemen de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat leveranciers van beschermde diensten van wie de belangen door een hierboven in artikel 4 omschreven onwettige activiteit nadelig worden beïnvloed, toegang hebben tot passende rechtsmiddelen, met inbegrip van het aanspannen van een procedure tot schadevergoeding en het verkrijgen van een gerechtelijk bevel of andere preventieve maatregelen, en, waar van toepassing, het verzoeken om verwijdering van illegale voorzieningen uit commerciële kanalen.

Hoofdstuk IV. Uitvoering en wijzigingen

Artikel 8. Internationale samenwerking

De Partijen verplichten zich ertoe elkaar wederzijds bijstand te verlenen teneinde dit Verdrag uit te voeren. De Partijen verlenen elkaar, overeenkomstig de bepalingen van ter zake geldende internationale regelingen inzake internationale samenwerking op het gebied van strafrechtelijke of bestuursrechtelijke zaken en overeenkomstig hun nationale wetgeving, de ruimst mogelijke bijstand bij onderzoek en juridische procedures met betrekking tot overeenkomstig dit Verdrag vastgestelde strafrechtelijke of bestuursrechtelijke vergrijpen.

Artikel 9. Multilateraal overleg
1.

Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna om de twee jaar en in alle gevallen waarin een Partij daarom verzoekt, plegen de Partijen multilateraal overleg binnen de Raad van Europa ter bestudering van de toepassing van dit Verdrag en de wenselijkheid van verlenging of van wijziging van een bepaling daarvan, in het bijzonder ten aanzien van de begripsomschrijvingen in artikel 2. Dit overleg vindt plaats tijdens vergaderingen bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Elke Partij kan bij multilateraal overleg worden vertegenwoordigd door een of meer gedelegeerden. Elke Partij heeft het recht een stem uit te brengen. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft een stem. Met betrekking tot kwesties die binnen haar bevoegdheid vallen, oefent de Europese Gemeenschap haar stemrecht uit en brengt een aantal stemmen uit dat gelijk is aan het aantal van haar Lidstaten die Partij zijn bij het Verdrag. De Europese Gemeenschap oefent haar stemrecht niet uit indien de stemming een kwestie betreft die niet binnen haar bevoegdheid valt.

3.

Elke Staat bedoeld in artikel 12, eerste lid, of de Europese Gemeenschap, die geen Partij is bij dit Verdrag, kan tijdens overlegvergaderingen vertegenwoordigd worden door een waarnemer.

4.

Na elk overleg doen de Partijen het Comité van Ministers van de Raad van Europa een verslag toekomen inzake het overleg en inzake het functioneren van het Verdrag, met inbegrip van, indien dit nodig wordt geacht, voorstellen tot wijziging van het Verdrag.

5.

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag stellen de Partijen het reglement van orde voor de overlegvergaderingen vast.

Artikel 10. Wijzigingen
1.

Elke Partij kan wijzigingen van dit Verdrag voorstellen.

2.

Van elk voorstel tot wijziging wordt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis gesteld, die het doet toekomen aan de Lidstaten van de Raad van Europa, aan de andere Staten die Partij zijn bij het Europees Cultureel Verdrag, aan de Europese Gemeenschap en aan elke niet-Lidstaat die is toegetreden tot of is uitgenodigd toe te treden tot dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van artikel 13.

3.

Elke in overstemming met de bepalingen van het vorige lid voorgestelde wijziging wordt binnen zes maanden na de datum van toezending door de Secretaris-Generaal bestudeerd tijdens een multilaterale overlegvergadering, alwaar de wijziging kan worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de Staten die het Verdrag hebben bekrachtigd.

4.

De tekst die is aangenomen door de multilaterale overlegvergadering wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het Comité van Ministers. Zodra de tekst van de wijziging is goedgekeurd, wordt deze ter aanvaarding aan de Partijen gezonden.

5.

Alle wijzigingen treden in werking dertig dagen nadat alle Partijen de Secretaris-Generaal in kennis hebben gesteld van hun aanvaarding ervan.

6.

Op basis van een aanbeveling door een multilaterale overlegvergadering, kan het Comité van Ministers, met de in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa voorziene meerderheid en met algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Partijen die recht hebben op een zetel in het Comité, beslissen dat een bepaalde wijziging van kracht wordt na het verstrijken van een tijdvak van twee jaar na de datum waarop deze ter goedkeuring is toegezonden, tenzij een Partij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis heeft gesteld van een bezwaar tegen de inwerkingtreding ervan. Indien kennis wordt gegeven van een dergelijk bezwaar, wordt de wijziging van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de Partij bij het Verdrag die kennis heeft gegeven van een bezwaar haar akte van aanvaarding heeft nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

7.

Indien een wijziging is goedgekeurd door het Comité van Ministers, maar nog niet in werking is getreden in overeenstemming met het vijfde of zesde lid van dit artikel, mag een Staat of de Europese Gemeenschap niet verklaren zich door het Verdrag gebonden te achten zonder tegelijkertijd de wijziging te aanvaarden.

Artikel 11. Verhouding tot andere verdragen of akkoorden
1.

Dit Verdrag doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit internationale multilaterale verdragen inzake specifieke kwesties.

2.

De Partijen bij het Verdrag kunnen met elkaar bilaterale of multilaterale verdragen sluiten inzake de aangelegenheden die in dit Verdrag worden geregeld teneinde de bepalingen van dit Verdrag aan te vullen of aan te scherpen of de toepassing van de in dit Verdrag vervatte beginselen te vergemakkelijken.

3.

Indien twee of meer Partijen reeds een akkoord of verdrag hebben gesloten met betrekking tot een onderwerp dat in dit Verdrag wordt geregeld of hun betrekkingen wat betreft dat onderwerp anderszins hebben geregeld, hebben zij het recht dat akkoord of dat verdrag toe te passen of hun betrekkingen dienovereenkomstig te regelen, in plaats van dit Verdrag, indien dit de internationale samenwerking vergemakkelijkt.

4.

In hun onderlinge relaties passen Partijen die lid zijn van de Europese Gemeenschap Gemeenschapsregels toe en bijgevolg niet de regels die voortvloeien uit dit Verdrag, behalve voorzover er geen Gemeenschapsregel van toepassing is op het desbetreffende specifieke onderwerp.

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

Artikel 12. Ondertekening en inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die Partij zijn bij het Europees Cultureel Verdrag, en door de Europese Gemeenschap. Deze Staten en de Europese Gemeenschap kunnen hun instemming te worden gebonden tot uitdrukking brengen door:

2.

Akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop drie Staten in overeenstemming met de bepalingen van het vorige lid hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.

4.

Ten aanzien van elke ondertekenende Staat of de Europese Gemeenschap die daarna zijn/haar instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop deze/die, in overeenstemming met de bepalingen van het eerste lid, zijn/haar instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking heeft gebracht.

Artikel 13. Toetreding tot het Verdrag door niet-Lidstaten
1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na overleg met de Partijen bij het Verdrag, iedere Staat die niet vermeld wordt in artikel 12, eerste lid, uitnodigen toe te treden tot dit Verdrag, door een besluit, genomen door de meerderheid als voorzien in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa en met algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten die recht hebben op een zetel in het Comité.

2.

Ten aanzien van elke toetredende Staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 14. Territoriale toepassing
1.

Elke Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het moment van ondertekening of bij de nederlegging van zijn/haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het gebied of de gebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.

2.

Elke Staat of de Europese Gemeenschap kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander in de verklaring nader aangeduid gebied. Ten aanzien van een dergelijk gebied treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van een dergelijke verklaring door de Secretaris-Generaal.

3.

Iedere overeenkomstig de twee voorgaande leden afgelegde verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring aangewezen grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal van een dergelijke kennisgeving.

Artikel 15. Voorbehouden

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.