← Geldende tekst · Geschiedenis

Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau

Geldende tekst a fecha 2021-07-15

De Partijen,

Vastbesloten het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand uit te voeren,

Zich ervan bewust dat stikstofoxiden, zwavel, vluchtige organische stoffen, gereduceerde stikstofverbindingen en zwevende deeltjes in verband zijn gebracht met nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu,

Bezorgd dat de voor de menselijke gezondheid en de vegetatie kritische belasting inzake verzuring, kritische belasting met stikstofnutriënten en kritische niveaus van ozon en zwevende deeltjes in vele gebieden van de regio van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties nog steeds worden overschreden,

Tevens bezorgd dat de emissie van stikstofoxiden, zwavel, vluchtige organische stoffen, ammoniak en rechtstreeks uitgestoten zwevende deeltjes, alsmede secundair gevormde verontreinigende stoffen zoals ozon, zwevende deeltjes en de reactieproducten van ammoniak in de atmosfeer over lange afstanden worden meegevoerd en nadelige grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben,

Erkennend de evaluaties van de wetenschappelijke inzichten door internationale organisaties, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, en door de Arctische Raad, over de nevenvoordelen voor de menselijke gezondheid en het klimaat van het terugdringen van zwarte koolstof en ozon op leefniveau, met name in de arctische en alpiene gebieden,

Erkennend dat emissies van Partijen binnen de regio van de Europese Commissie voor Europa van de Verenigde Naties bijdragen tot luchtverontreiniging op het halfrond en in de wereld, en met erkenning van het transportpotentieel tussen de continenten en van de noodzaak van nader onderzoek met betrekking tot dat potentieel,

Tevens erkennend dat Canada en de Verenigde Staten van Amerika in bilateraal verband de grensoverschrijdende luchtverontreiniging aanpakken ingevolge de Canada – United States Air Quality Agreement, waarin beide landen zich verplichten tot het reduceren van emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, en dat beide landen overwegen verplichtingen op te nemen om de emissies van zwevende deeltjes te verminderen,

Voorts erkennend dat Canada zich verplicht tot het bereiken van reducties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes teneinde te voldoen aan de Canadian Ambient Air Quality Standards voor ozon en zwevende deeltjes en de nationale doelstelling om verzuring terug te dringen, en dat de Verenigde Staten zich verplichten tot het invoeren van programma’s voor reductie van de emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes teneinde te voldoen aan de National Ambient Air Quality Standards for Ozone and Particulate Matter, tot het maken van gestage vorderingen bij het terugdringen van de gevolgen van verzuring en eutrofiëring en tot het verbeteren van het zicht in zowel nationale parken als stedelijke gebieden,

Vastbesloten om een benadering toe te passen waarbij meerdere effecten van meerdere verontreinigende stoffen tegelijk worden aangepakt, teneinde de overschrijdingen van kritische belasting en kritische niveaus te voorkomen of tot een minimum terug te brengen,

Rekening houdend met de wetenschappelijke inzichten over hemisferisch transport van luchtverontreiniging, de invloed van de stikstofkringloop en de mogelijke synergieën en belangenafweging tussen luchtverontreiniging en klimaatverandering,

Zich ervan bewust dat emissies uit de scheepvaart en luchtvaart aanzienlijk bijdragen aan de nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu en belangrijke kwesties zijn waarover de Internationale Maritieme Organisatie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie zich buigen,

Met het vaste voornemen maatregelen te treffen teneinde op emissies van deze stoffen te anticiperen, deze te vermijden of tot een minimum terug te brengen, rekening houdend met de toepassing van de voorzorgsbenadering zoals omschreven in beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling,

Nogmaals bevestigend dat de Staten, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten die onder hun rechtsmacht of toezicht worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen,

Zich bewust van de noodzaak van een kostenbewuste regionale aanpak voor de bestrijding van luchtverontreiniging, die rekening houdt met de van land tot land uiteenlopende gevolgen en kosten van bestrijding,

Wijzend op de belangrijke bijdrage van de particuliere en de niet-gouvernementele sector aan de kennis van de gevolgen van deze stoffen en beschikbare bestrijdingstechnieken alsmede op de rol van deze sectoren bij de totstandbrenging van een vermindering van de emissies in de atmosfeer,

Indachtig het feit dat maatregelen die zijn getroffen ter vermindering van emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes, niet als middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of als verkapte beperking van de internationale concurrentie of handel mogen dienen,

In overweging nemend de beste beschikbare wetenschappelijke en technische kennis en gegevens inzake emissies, atmosferische processen en gevolgen van deze stoffen voor de menselijke gezondheid en het milieu, alsmede inzake de bestrijdingskosten, en erkennend dat het noodzakelijk is deze kennis te verbeteren en de wetenschappelijke en technische samenwerking voort te zetten teneinde beter inzicht in deze problemen te verkrijgen,

Erop wijzend dat er ingevolge het Protocol inzake de beheersing van stikstofoxiden of van de grensoverschrijdende stromen van deze stikstofverbindingen, aangenomen te Sofia op 31 oktober 1988, en het Protocol inzake de beheersing van emissies van vluchtige organische stoffen of hun grensoverschrijdende stromen, aangenomen te Genève op 18 november 1991, reeds is voorzien in beheersing van emissies van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, en dat de technische bijlagen bij deze beide Protocollen reeds technische aanwijzingen bevatten ter vermindering van deze emissies,

Tevens erop wijzend dat er ingevolge het Protocol met betrekking tot een verdere beperking van zwavelemissies, aangenomen te Oslo op 14 juni 1994, reeds is voorzien in de vermindering van zwavelemissies teneinde bij te dragen tot de bestrijding van zure neerslag door de overschrijdingen van de kritische zwaveldepositie, welke is afgeleid van de kritische belasting inzake verzuring overeenkomstig de bijdrage van geoxideerde zwavelverbindingen tot de totale zure depositie in 1990, te verkleinen,

Voorts erop wijzend dat dit Protocol de eerste overeenkomst ingevolge het Verdrag is die zich specifiek bezighoudt met gereduceerde stikstofverbindingen en zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof,

Erop wijzend dat maatregelen die zijn getroffen om de emissies van stikstofoxiden en gereduceerde stikstofverbindingen te verminderen, rekening dienen te houden met de volledige biogeochemische stikstofkringloop en, voorzover mogelijk, niet de emissies dienen te verhogen van reactieve stikstof, met inbegrip van distikstofoxide- en nitraatgehaltes in ecosystemen, die andere met stikstof verband houdende problemen zouden kunnen verergeren,

Zich ervan bewust dat door menselijke activiteiten veroorzaakte emissies van methaan en koolmonoxide in de aanwezigheid van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen bijdragen aan de vorming van ozon op leefniveau, en

Zich voorts bewust van de verplichtingen die de Partijen zijn aangegaan in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel
1.

Het doel van dit Protocol is het beheersen van en verminderen van emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes die worden veroorzaakt door antropogene activiteiten en die waarschijnlijk nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid en het milieu, natuurlijke ecosystemen, materialen, gewassen en het klimaat op de korte en lange termijn door verzuring, eutrofiëring, zwevende deeltjes en ozon op leefniveau ten gevolge van grensoverschrijdende verplaatsing door de atmosfeer over lange afstand en het voorzover mogelijk waarborgen dat op de lange termijn en met een stapsgewijze benadering, rekening houdend met vooruitgang van de wetenschappelijke kennis, atmosferische depositie of concentraties niet groter zijn dan:

2.

Een ander doel is dat de Partijen bij het invoeren van maatregelen om hun nationale doelstellingen voor zwevende deeltjes te verwezenlijken voorrang dienen te geven, in de mate die zij passend achten, aan emissiereductiemaatregelen die tevens zwarte koolstof aanzienlijk verminderen, hetgeen voordelen voor de menselijke gezondheid en het milieu oplevert en de klimaatverandering op korte termijn helpt te beperken.

Artikel 3. Fundamentele verplichtingen
1.

Elke Partij die een emissiereductieverplichting heeft in een van de tabellen in bijlage II, vermindert en handhaaft de vermindering van haar jaarlijkse emissies in overeenstemming met die verplichting en de in die bijlage nader omschreven tijdschema's. Elke Partij controleert ten minste haar jaarlijkse emissies van verontreinigende stoffen overeenkomstig de verplichtingen in bijlage II. Bij het nemen van stappen om de emissies van zwevende deeltjes te verminderen, dient elke Partij te streven naar reducties bij de bronnen waarvan bekend is dat ze grote hoeveelheden zwarte koolstof uitstoten, in de mate die zij passend acht.

2.

Elke Partij past, met inachtneming van de leden 2 bis en 2 ter, de in de bijlagen IV, V, VI en X vermelde grenswaarden toe op elke nieuwe stationaire bron binnen een in die bijlagen omschreven categorie van stationaire bronnen, uiterlijk volgens de in bijlage VII vermelde tijdschema's. Bij wijze van alternatief kan een Partij andere strategieën voor emissiereductie toepassen die leiden tot gelijkwaardige algehele emissieniveaus voor alle categorieën van bronnen tezamen.

2 bis. Een Partij die reeds Partij was bij het onderhavige Protocol voor de inwerkingtreding van een wijziging waarmee nieuwe broncategorieën werden ingevoerd, mag de grenswaarden die van toepassing zijn op een „bestaande stationaire bron” toepassen op elke bron in een nieuwe broncategorie met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt voor het verstrijken van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van die wijziging voor die Partij, tenzij en totdat die bron nadien een ingrijpende wijziging ondergaat.

2 ter. Een Partij die reeds Partij was bij het onderhavige Protocol voor de inwerkingtreding van een wijziging waarmee nieuwe grenswaarden werden ingevoerd die van toepassing zijn op een „nieuwe stationaire bron” mag de daarvoor reeds van toepassing zijnde grenswaarden blijven toepassen op elke bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt voor het verstrijken van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van die wijziging voor die Partij, tenzij en totdat die bron nadien een ingrijpende wijziging ondergaat.

3.

Elke Partij past, met inachtneming van de leden 2 bis en 2 ter, voorzover dit technisch en economisch haalbaar is en de kosten en voordelen in overweging nemend, de in de bijlagen IV, V, VI en X vermelde grenswaarden toe op elke bestaande stationaire bron binnen een in die bijlagen omschreven categorie van stationaire bronnen, uiterlijk volgens het in bijlage VII vermelde tijdschema. Bij wijze van alternatief kan een Partij andere strategieën voor emissiereductie toepassen die leiden tot gelijkwaardige algehele emissieniveaus voor alle categorieën van bronnen tezamen of die, voor Partijen buiten de geografische reikwijdte van het EMEP, noodzakelijk zijn om nationale of regionale doelstellingen voor de bestrijding van verzuring te bereiken en om te voldoen aan nationale luchtkwaliteitsnormen.

4.

Vervallen.

5.

Elke Partij past de grenswaarden voor de in bijlage VIII omschreven brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen toe uiterlijk volgens de in bijlage VII vermelde tijdschema's.

6.

Elke Partij past de beste beschikbare technieken toe op mobiele bronnen die vallen onder bijlage VIII en op elke stationaire bron die valt onder de bijlagen IV, V, VI en X, en al naargelang zij dit passend acht, maatregelen om zwarte koolstof als onderdeel van zwevende deeltjes te beheersen, rekening houdend met de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn.

7.

Elke Partij past, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en rekening houdend met de kosten en voordelen, de grenswaarden voor de gehaltes aan vluchtige organische stoffen van in bijlage XI geïdentificeerde producten toe, in overeenstemming met de in bijlage VII gespecificeerde tijdschema’s.

8.

Elke Partij past toe, met inachtneming van het bepaalde in lid 10:

9.

Lid 10 is van toepassing op elke Partij:

10.

Een Partij waarop dit lid van toepassing is, is:

11.

Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol of de wijziging vervat in besluit 2012/2 overleggen Canada en de Verenigde Staten van Amerika hun respectieve emissiereductieverplichtingen ten aanzien van zwavel, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes aan het Uitvoerend Orgaan ten behoeve van de automatische verwerking in bijlage II.

11 bis. Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol overlegt Canada daarnaast relevante grenswaarden aan het Uitvoerend Orgaan ten behoeve van automatische verwerking in de bijlagen IV, V, VI, VIII, X en XI.

11 ter. Elke Partij ontwikkelt en onderhoudt inventarissen en ramingen voor emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes. Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP gebruiken de methoden die omschreven staan in de richtlijnen die zijn opgesteld door het bestuursorgaan van het EMEP en aangenomen door de Partijen tijdens een zitting van het Uitvoerend Orgaan. Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP gebruiken de methoden die op basis van het werkplan van het Uitvoerend Orgaan zijn ontwikkeld, als richtlijn.

11 quater. Elke Partij dient actief deel te nemen aan programma's uit hoofde van het Verdrag over de gevolgen van luchtverontreiniging voor de menselijke gezondheid en het milieu.

11 quinquies. Ten behoeve van het vergelijken van de totale nationale emissiewaarden met de emissiereductieverplichtingen zoals bedoeld in het eerste lid, mag een Partij een procedure gebruiken die omschreven is in een besluit van het Uitvoerend Orgaan. Een dergelijke procedure dient bepalingen te bevatten voor het indienen van ondersteunende documenten en inzake toetsing van het gebruik van de procedure.

12.

De Partijen gaan, met inachtneming van het resultaat van de eerste toetsing ingevolge artikel 10, lid 2, en uiterlijk een jaar na de afronding van die toetsing, onderhandelingen aan inzake verdere verplichtingen ter vermindering van de emissies.

Artikel 4. Uitwisseling van informatie en technologie
1.

Elke Partij schept, op een wijze die verenigbaar is met haar wetten, voorschriften en gewoonten en in overeenstemming met haar verplichtingen in dit Protocol, gunstige voorwaarden om de uitwisseling van informatie, technologieën en technieken te vergemakkelijken, ter vermindering van de emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof, door bevordering van, onder meer:

2.

Ter bevordering van de in het lid 1 van dit artikel genoemde activiteiten scheppen de Partijen gunstige voorwaarden voor het vergemakkelijken van contacten en samenwerking tussen daarvoor in aanmerking komende organisaties en personen in de private en de publieke sector die technologische, ontwerp- en technische diensten, apparatuur of financiële middelen kunnen verschaffen.

Artikel 5. Bewustmaking van het publiek
1.

Elke Partij bevordert, op een wijze die verenigbaar is met haar wetten, voorschriften en gewoonten, de verstrekking van informatie aan het grote publiek, met inbegrip van informatie over:

2.

Voorts kan elke Partij informatie algemeen ter beschikking stellen van het publiek met de bedoeling om emissies tot een minimum terug te brengen, met inbegrip van informatie over:

Artikel 6. Strategieën, beleidslijnen, programma's, maatregelen en informatie
1.

Elke Partij handelt, waar noodzakelijk en op basis van verantwoorde wetenschappelijke en economische criteria, als volgt teneinde de naleving van haar verplichtingen ingevolge artikel 3 te vergemakkelijken:

2.

Elke Partij verzamelt en houdt informatie bij over:

Mits praktisch uitvoerbaar verzamelt elke Partij informatie, en houdt deze bij, over de gevolgen van al deze verontreinigende stoffen voor de menselijke gezondheid, land- en waterecosystemen, materialen en het klimaat. Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP dienen de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen te gebruiken. Partijen buiten de geografische reikwijdte van het EMEP dienen de methoden die op basis van het werkplan van het Uitvoerend Orgaan zijn ontwikkeld, als richtlijn te gebruiken.

2 bis. Elke Partij dient, voor zover zij dit passend acht, ook inventarissen en ramingen te ontwikkelen en bij te houden voor emissies van zwarte koolstof, gebruikmakend van de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen.

3.

De Partijen kunnen stringentere maatregelen nemen dan die in dit Protocol voorgeschreven zijn.

Artikel 7. Verslaglegging
1.

Met inachtneming van haar wetten en voorschriften en in overeenstemming met haar verplichtingen ingevolge dit Protocol:

2.

De overeenkomstig lid 1, onder a, te verstrekken informatie is in overeenstemming met een tijdens een zitting van het Uitvoerend Orgaan door de Partijen aan te nemen besluit betreffende vorm en inhoud. De bepalingen van dit besluit worden indien nodig nader bezien, teneinde na te gaan of aanvullende elementen betreffende de vorm of inhoud van de informatie in de rapporten moeten worden opgenomen.

3.

Op verzoek en in overeenstemming met de tijdschema's die door het Uitvoerend Orgaan zijn vastgesteld, verstrekken het EMEP en de overige hulporganen het Uitvoerend Orgaan relevante informatie over:

4.

In overeenstemming met artikel 10, lid 2, onder b van het Verdrag zorgt het Uitvoerend Orgaan ervoor dat informatie beschikbaar komt over de gevolgen van de depositie van zwavel- en stikstofverbindingen en de concentraties van ozon en zwevende deeltjes.

5.

De Partijen dragen, op zittingen van het Uitvoerend Orgaan, zorg voor het met regelmatige tussenpozen verzorgen van herziene informatie omtrent berekende en internationaal geoptimaliseerde toewijzingen van emissiereducties voor de Staten binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, gebruikmakend van geïntegreerde evaluatiemodellen, met inbegrip van modellen voor verplaatsing door de atmosfeer, teneinde, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, het verschil tussen de feitelijke depositie van zwavel- en stikstofverbindingen en de waarden van de kritische belasting alsmede het verschil tussen feitelijke concentraties van ozon en zwevende deeltjes en de in bijlage I vermelde kritische niveaus van ozon en zwevende deeltjes verder te verminderen, of zodanige alternatieve evaluatiemethoden als door Partijen goedgekeurd worden op een zitting van het Uitvoerend Orgaan.

6.

Niettegenstaande artikel 7, eerste lid, onderdeel b, mag een Partij het Uitvoerend Orgaan om toestemming vragen een beperkte inventaris voor een bepaalde verontreinigende stof of stoffen te verstrekken indien:

Het Uitvoerende Orgaan verleent jaarlijks toestemming voor dit verzoek voor een termijn van ten hoogste vijf jaar na de inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor een Partij, maar in geen geval voor de verslaglegging van emissies voor een jaar na 2019. Een dergelijk verzoek gaat vergezeld van informatie over de vooruitgang die is geboekt bij het ontwikkelen van een vollediger inventaris als onderdeel van de jaarlijkse verslaglegging van de Partij.

Artikel 8. Onderzoek, ontwikkeling en monitoring

De Partijen stimuleren het onderzoek, de ontwikkeling, de monitoring en de samenwerking met betrekking tot:

Artikel 9. Naleving

De naleving door elke Partij van haar uit dit Protocol voortvloeiende verplichtingen wordt op gezette tijden getoetst. Het bij Besluit 1997/2 van het Uitvoerend Orgaan op zijn vijftiende zitting ingestelde implementatiecomité is belast met die toetsingen en brengt verslag uit aan de Partijen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan overeenkomstig de bepalingen van de bijlage bij dat besluit, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan.

Artikel 10. Toetsingen door Partijen op zitting van het Uitvoerend Orgaan
1.

Op zittingen van het Uitvoerend Orgaan toetsen de Partijen, overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder a, van het Verdrag de door de Partijen, EMEP en hulporganen van het Uitvoerend Orgaan verstrekte informatie, de gegevens betreffende de gevolgen van de concentraties en depositie van zwavel, stikstofverbindingen en zwevende deeltjes en van fotochemische verontreiniging alsmede de verslagen van het implementatiecomité, als bedoeld in het voorgaande artikel 9.

3.

Het Uitvoerend Orgaan neemt, uiterlijk tijdens zijn tweede zitting na de inwerkingtreding van de wijziging vervat in besluit 2012/2, in zijn toetsingen ingevolge dit artikel een evaluatie op van beperkende maatregelen voor emissies van zwarte koolstof.

4.

De Partijen evalueren, uiterlijk tijdens de tweede zitting van het Uitvoerend Orgaan na de inwerkingtreding van de wijziging vervat in besluit 2012/2, maatregelen voor de beheersing van ammoniak en bestuderen de noodzaak bijlage IX te herzien.

Artikel 11. Beslechting van geschillen
1.

In het geval van een geschil tussen twee of meer Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Protocol trachten de betrokken Partijen het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen of op een andere vreedzame wijze van hun eigen keuze. De Partijen bij het geschil stellen het Uitvoerend Orgaan in kennis van hun geschil.

2.

Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dan wel toetreding tot dit Protocol of op enig tijdstip daarna kan een Partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, in een schriftelijke bij de depositaris ingediende akte verklaren dat zij, met betrekking tot een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van het Protocol, beide onderstaande wijzen van geschillenbeslechting of een daarvan ipso facto en zonder bijzondere overeenkomst als dwingend erkent ten opzichte van elke Partij die dezelfde verplichting aanvaardt:

Een Partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van gelijke strekking met betrekking tot arbitrage afleggen in overeenstemming met de onder b bedoelde procedures.

3.

Een ingevolge lid 2 afgelegde verklaring blijft van kracht totdat zij overeenkomstig haar bepalingen haar geldigheid verliest dan wel tot drie maanden nadat een schriftelijke kennisgeving van opzegging neergelegd is bij de depositaris.

4.

Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van opzegging of het vervallen van de geldigheid van een verklaring zijn op generlei wijze van invloed op de procedure voor het Internationaal Gerechtshof of het scheidsgerecht, tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen.

5.

Indien de Partijen bij het geschil, behalve wanneer de betrokken Partijen dezelfde wijze van geschillenbeslechting overeenkomstig lid 2 hebben aanvaard, er na twaalf maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de ene Partij aan de andere dat tussen hen een geschil bestaat, niet in zijn geslaagd hun geschil te beslechten op de in lid 1 bedoelde wijzen, wordt het geschil op verzoek van een van de Partijen bij het geschil onderworpen aan een conciliatie.

6.

Voor de toepassing van lid 5 wordt een conciliatiecommissie opgericht. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden, benoemd door elke betrokken Partij of, wanneer bij de conciliatie betrokken Partijen eenzelfde belang hebben, door de groep die datzelfde belang heeft, en een voorzitter die door de aldus benoemde leden gezamenlijk gekozen is. De commissie doet uitspraak in de vorm van een aanbeveling, die de Partijen te goeder trouw in overweging nemen.

Artikel 12. Bijlagen

De bijlagen bij dit Protocol vormen een integrerend deel van het Protocol.

Artikel 13. Aanpassingen
1.

Elke Partij bij het Verdrag kan een aanpassing van bijlage II bij het onderhavige Protocol voorstellen om daaraan haar naam toe te voegen, tezamen met de emissieniveaus, de emissieplafonds en de percentuele emissiereducties.

2.

Elke Partij kan een aanpassing voorstellen van haar reeds in bijlage II vermelde emissiereductieverplichtingen. Een dergelijk voorstel dient ondersteunende documentatie te bevatten en wordt getoetst zoals omschreven in een besluit van het Uitvoerend Orgaan. Deze toetsing vindt plaats voordat het voorstel door de Partijen wordt besproken in overeenstemming met het vierde lid.

3.

Elke Partij die daar ingevolge artikel 3, negende lid, voor in aanmerking komt, mag een aanpassing van bijlage III voorstellen om daaraan een of meer PEMA's toe te voegen of een in die bijlage genoemd PEMA onder haar rechtsmacht te wijzigen.

4.

Voorgestelde aanpassingen worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Commissie, die ze aan alle Partijen bekendmaakt. De Partijen bespreken de voorgestelde aanpassingen op de eerstvolgende zitting van het Uitvoerend Orgaan, mits deze voorstellen ten minste negentig dagen van tevoren door de uitvoerend secretaris aan de Partijen toegezonden zijn.

5.

Aanpassingen worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan en worden voor alle Partijen bij het onderhavige Protocol van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de uitvoerend secretaris van de Commissie deze Partijen schriftelijk in kennis stelt van het aannemen van de aanpassing.

Artikel 14. Ondertekening
1.

Dit Protocol staat open voor ondertekening te Göteborg (Zweden) op 30 november en 1 december 1999, vervolgens in de zetel van de Verenigde Naties te New York tot 30 mei 2000, voor Staten die lid zijn van de Commissie, alsmede Staten die een raadgevende status bij de Commissie hebben, overeenkomstig paragraaf 8 van Resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie, opgericht door soevereine Staten die lid zijn van de Commissie en die bevoegd zijn te onderhandelen over internationale verdragen met betrekking tot onder dit Protocol vallende aangelegenheden en deze verdragen te sluiten en toe te passen, mits de betrokken Staten en organisaties Partij bij het Verdrag zijn en vermeld in bijlage II.

2.

Deze regionale organisaties voor economische integratie oefenen, wanneer het aangelegenheden betreft die onder hun bevoegdheden vallen, zelf de rechten uit en vervullen zelf de taken die door dit Protocol aan de lidstaten worden toegekend. In deze gevallen mogen de lidstaten van deze organisaties deze rechten niet afzonderlijk uitoefenen.

Artikel 15. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
1.

Dit Protocol is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ondertekenaars.

2.

Dit Protocol staat met ingang van 31 mei 2000 open voor toetreding door de Staten en organisaties die voldoen aan de eisen van artikel 14, lid 1.

3.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden neergelegd bij de depositaris.

4.

Een Staat of een regionale organisatie voor economische integratie verklaart zulks in zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding wanneer hij of zij niet wenst te worden gebonden door de procedures vervat in artikel 13 bis, zevende lid, ter zake van de wijziging van de bijlagen IV – XI.

Artikel 16. Depositaris

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties is de depositaris.

Artikel 17. Inwerkingtreding
1.

Dit Protocol treedt in werking op de negentigste dag volgend op de datum waarop de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nedergelegd is.

2.

Voor elke Staat of organisatie die voldoet aan de eisen van artikel 14, lid 1, die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of hiertoe toetreedt na het nederleggen van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Protocol in werking op de negentigste dag volgend op de datum van het nederleggen door deze Partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 18. Opzegging

Vijf jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking is getreden, kan deze Partij dit Protocol te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De bedoelde opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de depositaris de kennisgeving heeft ontvangen, of op een in de kennisgeving van opzegging aangegeven latere datum.

Artikel 19. Authentieke teksten

Het origineel van dit Protocol, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

I. KRITISCHE BELASTING INZAKE VERZURING

A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP

1

De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) inzake verzuring voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends”, („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”). Het is de maximale hoeveelheid verzurende depositie die een ecosysteem op lange termijn kan verdragen zonder geschaad te worden. Voor de kritische belasting inzake verzuring door stikstof wordt rekening gehouden met stikstofverwijderende processen binnen het ecosysteem (bijvoorbeeld opname door planten). Kritische belastingswaarden inzake verzuring door zwavel zijn waarden die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen hebben voor de structuur en functies van ecosystemen. Voor een gecombineerde kritische belasting inzake verzuring door zwavel en stikstof wordt alleen rekening gehouden met stikstof wanneer de stikstofdepositie groter is dan de stikstofverwijderende processen van het ecosysteem, zoals opname door vegetatie. Alle door Partijen gemelde en door het Uitvoerend Orgaan goedgekeurde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in de geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in bijlage II.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

2

In Canada worden kritische belastingswaarden voor zuurdepositie en de geografische gebieden waar deze worden overschreden voor meren en bos-ecosystemen in bergregio’s vastgesteld en in kaart gebracht met wetenschappelijke methodologieën en criteria die vergelijkbaar zijn met die in de bij het Verdrag horende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Kritische belastingswaarden voor totaal zwavel plus stikstof en de overschrijdingsniveaus zijn in heel Canada in kaart gebracht (ten zuiden van 60° noorderbreedte) en worden uitgedrukt in zuur-equivalenten per hectare per jaar (eq/ha/yr) (2004 Canadian Acid Deposition Science Assessment; 2008 Canadian Council of Ministers of the Environment). De provincie Alberta heeft de generieke classificatiesystemen voor kritische belasting inzake potentiële verzuring aanvaard die in Europa voor bodems worden gebruikt teneinde bodems te kunnen aanmerken als zeer gevoelig, matig gevoelig en ongevoelig voor zuurdepositie. Kritische streef- en monitoringsbelastingen zijn voor elke bodemklasse gedefinieerd en beheermaatregelen zijn voorgeschreven ingevolge het Alberta Acid Deposition Management Framework, al naargelang van toepassing.

3

Deze belastingswaarden en gevolgen worden gebruikt voor geïntegreerde evaluatie-activiteiten, waaronder het aanleveren van gegevens voor internationale inspanningen voor het evalueren van de reactie van het ecosysteem op de belasting van verzurende verbindingen, en bieden een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor Canada in bijlage II.

4

Voor de Verenigde Staten van Amerika worden de gevolgen van verzuring beoordeeld door het evalueren van de gevoeligheid van ecosystemen voor en de reactie ervan op de belasting van verzurende verbindingen, gebruikmakend van peer-reviewed wetenschappelijke methodologieën en criteria, en rekening houdend met de onzekerheden in verband met stikstofcycli(ussen) in ecosystemen. Bij het vaststellen van secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor NOx en SO2 wordt vervolgens rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor vegetatie en ecosystemen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

II. KRITISCHE BELASTING MET VOEDINGSSTIKSTOF

A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP

5

De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) met stikstofnutriënten (eutrofiëring) voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende “Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Het is de maximale hoeveelheid depositie van eutrofiërende stikstof die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen heeft voor de structuur en functies van ecosystemen. Alle door Partijen gemelde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in bijlage II.

II. KRITISCHE BELASTING MET VOEDINGSSTIKSTOF

A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP

6

Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ozon worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende 'Manual on methodologies and criteria for mapping critical levels/loads and geographical areas where they are exceeded'. Zij worden uitgedrukt als een cumulatieve blootstelling boven een drempelconcentratie van ozon van 40 ppb (delen per miljard in volume). Deze blootstellingsindex wordt aangeduid als AOT40 (geaccumuleerde blootstelling boven een drempel van 40 ppb). De AOT40 wordt berekend als de som van de verschillen tussen de concentratie per uur (in ppb) en 40 ppb voor elk uur dat de concentratie 40 ppb overschrijdt.

7

Het op lange termijn voor gewassen kritische ozonniveau van een AOT40 van 3000 ppb per uur voor mei-juli (gebruikt als een typisch groeiseizoen) en voor uren daglicht werd gebruikt om risicogebieden te omschrijven waar het kritische niveau wordt overschreden. Een specifieke vermindering van overschrijdingen werd als doelstelling genomen bij het opstellen van geïntegreerde evaluatiemodellen voor dit Protocol ter voorlichting bij het vaststellen van de emissieplafonds in bijlage II. Het op lange termijn voor gewassen kritische ozonniveau wordt geacht ook andere planten te beschermen zoals bomen en natuurlijke vegetatie. Verder wetenschappelijk werk vindt momenteel plaats voor het ontwikkelen van een gedifferentieerdere interpretatie van overschrijdingen van voor planten kritische ozonniveaus.

8

Een voor de menselijke gezondheid kritisch ozonniveau wordt vertegenwoordigd door het ozonniveau van 120 mg/m3 als 8-uurgemiddelde in de Air Quality Guideline van de WHO. In samenwerking met het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO/EURO) werd een kritisch niveau uitgedrukt als een AOT60 (geaccumuleerde blootstelling boven een drempelwaarde van 60 ppb), d.w.z. 120 mg/m3 op jaarbasis, aangenomen als vervanging voor de Air Quality Guideline van de WHO ten behoeve van geïntegreerde evaluatiemodellen. Deze werd gebruikt om risicogebieden te omschrijven waar de kritische grens wordt overschreden. Een specifieke vermindering van deze overschrijdingen werd als doelstelling genomen bij het opstellen van geïntegreerde evaluatiemodellen voor dit Protocol om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissieplafonds in bijlage II.3 als 8-uurgemiddelde in de Air Quality Guideline van de WHO. In samenwerking met het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO/EURO) werd een kritisch niveau uitgedrukt als een AOT60 (geaccumuleerde blootstelling boven een drempelwaarde van 60 ppb), d.w.z. 120 mg/m3 op jaarbasis, aangenomen als vervanging voor de Air Quality Guideline van de WHO ten behoeve van geïntegreerde evaluatiemodellen. Deze werd gebruikt om risicogebieden te omschrijven waar de kritische grens wordt overschreden. Een specifieke vermindering van deze overschrijdingen werd als doelstelling genomen bij het opstellen van geïntegreerde evaluatiemodellen voor dit Protocol om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissieplafonds in bijlage II.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

9

Voor Canada worden kritische ozonniveaus bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu en zij worden gebruikt om een norm voor ozon voor geheel Canada vast te stellen. De emissieplafonds in bijlage II worden omschreven in overeenstemming met het streefniveau dat vereist is om de norm voor ozon voor geheel Canada te bereiken.

10

Voor de Verenigde Staten van Amerika worden kritische ozonniveaus bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Verder worden ze gebruikt om een nationale kwaliteitsnorm voor omgevingslucht vast te stellen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de kwaliteitsnorm voor lucht worden gebruikt ter voorlichting bij het vaststellen van de emissieplafonds en/of -reducties voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Voor de toepassing van afdeling A, met uitzondering van tabel 2 en de punten 11 en 12, wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige verbinding die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.

3

Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.

4

Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.

5

Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van SO2 de 75 kg/u overschrijden.

6

Bij ononderbroken meting voor een nieuwe inrichting wordt naleving van de emissienormen bereikt indien de berekende dagelijkse gemiddelde waarden de grenswaarde niet overschrijden en indien geen uurwaarde de grenswaarde overschrijdt met 100%.

7

In geval van ononderbroken metingen voor bestaande inrichtingen wordt naleving van de emissienormen bereikt indien a. geen van de maandelijkse gemiddelde waarden de grenswaarden overschrijdt; en b. 97% van alle gemiddelde waarden per 48 uur 110% van de grenswaarden niet overschrijdt.

8

Bij onderbroken metingen wordt, als minimumvereiste, naleving van de emissienormen bereikt indien de op een relevant aantal metingen onder representatieve omstandigheden gebaseerde gemiddelde waarden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt.

9

Stoomketels en procesovens met een nominaal thermisch vermogen dat 50 MWth overschrijdt:th overschrijdt:

Tabel 1:Grenswaarden voor SOx-emissies van stoomketelsa)

Thermi-sche input (MWth) Grens-waarde (mg SO2/Nm3)b) Alternatief voor huisbrandkolen verwijderings-rendement
Vaste en vloeibare brandstoffen, nieuwe installaties 50–100 850 90%d)
100–300 850–200c) (lineaire afname) 92%d)
> 300 200c) 95%d)
Vaste brandstoffen, bestaande installaties 50–100 2000
100–500 2000–400(lineaire afname)
> 500 400
50–150 40%
150–500 40–90% (lineaire toename)
> 500 90%
Vloeibare brandstoffen, bestaande installaties 50–300300–500 1700
300-500 1700–400 (lineaire afname)
> 500 400
Gasvormige brandstoffen algemeen, nieuwe en bestaande installaties 35
Vloeibaar gas, nieuwe en bestaande installaties 5
Gassen met lage calorische waarde (bijv. vergassing van raffi-nageresiduen of verbranding van cokesovengas) nieuw 400 bestaand 800
Hoogovengas nieuw 200 bestaand 800
Nieuwe verbrandingsinrichting in raffina-derijen (gemiddelde van alle nieuwe verbrandingsinstallaties) > 50 (totale raffinage-capaciteit) 600
Bestaande verbran-dingsinrichting in raffinaderijen (gemid-delde van alle be-staande verbrandings-installaties) 1000
a)

De grenswaarden gelden met name niet voor de volgende inrichtingen:

b)

Het O2–referentiegehalte is 6% voor vaste en 3% voor overige brandstoffen.

c)

400 bij zware stookolie S <0,25%.

d)

Indien een installatie 300 mg/Nm3 SO2 bereikt, kan deze worden uitgezonderd van toepassing van het bewerkingsrendement.

10

Gasolie

Tabel 2:Grenswaarden voor het zwavelgehalte van gasoliea)

Zwavelgehalte (procent per gewicht)
Gasolie < 0,2 na 1 juli 2000 < 0,1 na 1 januari 2008
a)

“Gasolie”: een aardolieproduct dat onder GS-code 2710 valt of een aardolieproduct dat, op grond van zijn destillatiegrenzen, behoort tot de middeldestillaten die bestemd zijn voor gebruik als brandstof en die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume distilleren bij 350°C. Brandstoffen gebruikt in wegvoertuigen en terreinvoertuigen en landbouwtractoren zijn uitgezonderd van deze omschrijving. Gasolie bestemd voor gebruik op zee is in de omschrijving begrepen indien deze voldoet aan bovenstaande beschrijving of een viscositeit of dichtheid heeft vallend binnen het bereik van viscositeit of dichtheid omschreven voor distillaten voor gebruik op zee in tabel I van ISO 8217 (1996).

11

Clausinrichting: voor een inrichting die meer dan 50 Mg zwavel per dag produceert:

12

Productie van titaniumdioxide: in nieuwe en bestaande installaties wordt de uitworp veroorzaakt door ontledings- en calcineringsfasen bij de vervaardiging van titaniumdioxide verminderd tot een waarde van niet meer dan 10 kg SO2-equivalent per Mg geproduceerd titaniumdioxide.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

13

Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen zullen worden bepaald op basis van beschikbare informatie inzake beheersingstechnologie en -niveaus met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden en het volgende document: Canada Gazette, Deel I. Department of the Environment. Thermal Power Generation Emissions – National Guidelines for New Stationary Sources. 15 mei 1993. p. 1633–1638.

C. Verenigde Staten van Amerika

14

Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen worden omschreven in de volgende documenten:

15

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

16

Voor de toepassing van afdeling A wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige stof die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.

17

Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.

18

Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.

19

Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van NOx de 75 kg/u overschrijden.x de 75 kg/u overschrijden.

20

Oppervlaktereiniging:

Activiteit en grenswaarde Grenswaarde voor oplosmiddelenverbruik (Mg/jaar) EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW) EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Oppervlaktereiniging gebruikmakend van stoffen vermeld in 1–5 EGWc = 20 mg uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen/m3 EGWf = 15 wt-% van de oplosmiddeleninput
paragraaf 3 (z) (i) van deze bijlage > 5 EGWc = 20 mg uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen/m3 EGWf = 10 wt-% van de oplosmiddeleninput
Overige oppervlaktereiniging 2–10 EGWc = 75 mg C/m31) EGWf = 20 wt-%1) van de oplosmiddeleninput
> 10 EGWc = 75 mg C/m31) EGWf = 15 wt-%1) van de oplosmiddeleninput
21

Extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (jaarlijks voor totale EGW)
Nieuwe en bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) Totale EGW (kg VOS/ton product)
Nieuwe en bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) Dierlijk vet: 1,5
Nieuwe en bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) Ricinus: 3,0
Koolzaad: 1,0
Zonnebloemzaad: 1,0
Sojabonen (normale pletting): 0,8
Sojabonen (witte vlokken): 1,2
Overige zaden en plantaardig materiaal: 3,01)
Alle fractioneerprocessen, uitgezonderd ontgommen:2) 1,5
Ontgommen: 4,0
22

Impregneren van hout:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Impregneren van hout (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) EGWc = 1001) mg C/m3 EGWf = 45 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of 11 kg of minder VOS/m3
Impregneren van hout (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 1001) mg C/m3 EGWf = 35 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of 9 kg of minder VOS/m3
23

Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies voor stationaire bronnen worden bepaald, al naargelang van toepassing, rekening houdend met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:

24

Grenswaarden voor het beheersen van VOS uit stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:

25

Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies uit bronnen die vallen onder de nationale emissienormen voor schadelijke luchtverontreinigende stoffen (National Emission Standards for Hazardous Air Pollutants – HAPs) worden nader omschreven in de volgende documenten:

26

Stationaire motoren:

Tabel 4:Grenswaarden voor NOx-emissies van nieuwe stationaire motoren

Capaciteit, techniek, specificatie brandstof Grenswaardea)(mg/Nm3)
Motoren met vonkontsteking (= Otto), 4-takt, > 1 MWth
– arm-mengselmotoren 250
– alle andere motoren 500
Motoren met compressieontsteking (= diesel), > 5 MWth
– brandstof: aardgas (motoren met jetontsteking) 500
– brandstof: zware stookolie 600
– brandstof: dieselolie of gasolie 500
a)

Deze waarden zijn niet van toepassing op motoren die minder dan 500 uur per jaar in werking zijn. Het O2-referentiegehalte is 5%.

27

Productie en verwerking van metalen:

Tabel 5:Grenswaarden voor NOx-emissies die vrijkomen bij de productie van primair ijzer en staala)

Capaciteit, techniek, specificatie brandstof Grenswaarde (mg/Nm3)
Nieuwe en bestaande sinterinrichting 400
a)

Productie en bewerking van metalen: installaties voor het roosten of sinteren van metaalerts, installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting, met inbegrip van continugieten met een capaciteit die 2,5 Mg/uur overschrijdt, installaties voor het bewerken van ferrometalen (warmwalsen > 20 Mg/uur ruw staal).

28

Productie van salpeterzuur:

Tabel 6:Grenswaarden voor NOx-emissies vrijkomend bij de productie van salpeterzuur uitgezonderd zuurconcentratie-eenheden

Capaciteit, techniek, specificatie brandstof Grenswaarde (mg/Nm3)
– nieuwe installaties 350
– bestaande installaties 450

B. Canada

29

Grenswaarden voor de beheersing van emissies van stikstofoxiden (NOx) uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen zullen worden bepaald op basis van beschikbare informatie over beheersingstechnologie en -niveaus met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:x) uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen zullen worden bepaald op basis van beschikbare informatie over beheersingstechnologie en -niveaus met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:

C. Verenigde Staten van Amerika

30

Grenswaarden voor de beheersing van NOx-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen worden omschreven in de volgende documenten:x-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen worden omschreven in de volgende documenten:

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Deze afdeling van onderhavige bijlage heeft betrekking op emissies uit stationaire bronnen van vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), zoals vermeld in de navolgende punten 8 tot en met 21. Installaties of delen van installaties voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen vallen niet hieronder. Drempelwaarden zijn vermeld in onderstaande sectorspecifieke tabellen. Doorgaans verwijzen zij naar het oplosmiddelverbruik of de emissiemassastroom. Wanneer één exploitant met dezelfde installatie op dezelfde locatie verschillende activiteiten verricht die onder dezelfde onderverdeling vallen, worden het oplosmiddel-verbruik of de emissiemassastroom van die activiteiten bij elkaar opgeteld. Als er geen drempelwaarde vermeld is, geldt de vermelde grenswaarde voor alle betrokken installaties.

3

Voor de toepassing van afdeling A van deze bijlage wordt verstaan onder:

4

Aan de volgende vereisten moet worden voldaan:

5

De volgende grenswaarden dienen te worden toegepast voor rookgassen, tenzij hieronder anders vermeld:

6

Voor de categorieën bronnen die in de onderstaande punten 9 tot en met 21 zijn vermeld, zijn de volgende herzieningen van belang:

7

De grenswaarden voor VOS-emissies voor de categorieën van bronnen omschreven in punt 3 zijn zoals aangegeven in de navolgende punten 8 tot en met 21.

8

Opslag en distributie van benzine:

Tabel 1:Grenswaarden voor VOS-emissies die vrijkomen bij de opslag en distributie van benzine, uitgezonderd het laden van zeeschepen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarden Grenswaarde
Dampterugwininstallatie voor opslag- en distributievoorzieningen op tankparken van raffinaderijen of terminals jaarlijkse doorvoercapaciteit 5000 m3 benzine 10 g VOS/Nm3 met inbegrip van methaan

Noot: De damp die door het vullen van benzineopslagtanks wordt verdrongen, dient te worden afgevoerd naar andere opslagtanks of naar nabehandelingsapparatuur die voldoet aan de grenswaarden in bovenstaande tabel.

9

Aanbrengen van lijmlagen:

Tabel 2:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het aanbrengen van lijmlagen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplos- middelinput)
Vervaardiging van schoeisel; nieuwe en bestaande installaties > 5 25 g oplosmiddel per paar
Overige lijmlagen, uitgezonderd schoeisel; nieuwe en bestaande installaties 5–15 50a) mg C/Nm3 25
> 15 50a) mg C/Nm3 20
a)

Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

10

Lamineren van hout en kunststof:

Tabel 3:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het lamineren van hout en kunststof

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen(Mg/jaar) Grenswaarde voor totale NMVOS-emissies
Lamineren van hout en kunststof; nieuwe en bestaande installaties > 5 30 g NMVOS/m2
11

Coatingprocédés (metalen en kunststof oppervlakken in personenauto's, vrachtwagencabines, vrachtwagens, bussen, houten oppervlakken):

Tabel 4:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij coatingprocédés in de auto-industrie

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaardevoor verbruik oplosmiddelen (Mg/ jaar)a) Grenswaardeb) voor totale NMVOS-emissies
Nieuwe installaties, autospuiten (M1, M2) > 15 (en > 5.000 gespoten stuks per jaar) 45 g NMVOS/m2of 1,3 kg/stuk en 33 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, autospuiten (M1, M2) > 15 (en > 5.000 gespoten stuks per jaar) 60 g NMVOS /m2 of 1,9 kg/stuk en 41 g NMVOS/m2
Nieuwe en bestaande installaties, autospuiten (M1, M2) > 15 (≤ 5.000 gespoten car-rosserieën of > 3.500 gespoten chassis per jaar) 90 g NMVOS/m2of 1,5 kg/stuk en 70 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (≤ 5.000 gespoten stuks per jaar) 65 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (> 5.000 gespoten stuks per jaar) 55 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (≤ 5.000 gespoten stuks per jaar) 85 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (> 5.000 gespoten stuks per jaar) 75 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (≤ 2.500 gespoten stuks per jaar) 90 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (> 2.500 gespoten stuks per jaar) 70 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (≤ 2.500 gespoten stuks per jaar) 120 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (> 2.500 gespoten stuks per jaar) 90 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (≤ 2.000 gespoten stuks per jaar) 210 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (> 2.000 gespoten stuks per jaar) 150 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (≤ 2.000 gespoten stuks per jaar) 290 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (> 2.000 gespoten stuks per jaar) 225 g NMVOS/m2
a)

Voor een oplosmiddelverbruik ≤ 15 Mg per jaar (spuiten van auto’s) is tabel 14 omtrent het overspuiten van auto’s van toepassing.

b)

De totale grenswaarden zijn uitgedrukt in emissie van massa oplosmiddel (g) in verhouding tot de oppervlakte van het product (m2). De oppervlakte van het product is omschreven als de oppervlakte berekend uitgaande van het totale elektroforetische coatingoppervlak en de oppervlakte van onderdelen die kunnen worden toegevoegd in opeenvolgende fases van het lakprocédé en die met dezelfde coatings gelakt worden. De oppervlakte van het elektroforetische coatingoppervlak wordt berekend aan de hand van de formule: (2 x het totale gewicht van het omhulsel): (gemiddelde dikte van de metaalplaat x dichtheid van de metaalplaat).

Tabel 5:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij lakprocédés in verscheidene industriële sectoren

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissie (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: overige coating, waaronder metaal, kunststoffen, textiel, stof, folie en papier (uitgezonderd rotatiezeefdrukken voor textiel, zie drukken) 5–15 100a, b) mg C/Nm3 25b)
> 15 50/75b, c, d) mg C/Nm3 20b)
Nieuwe en bestaande installaties: coaten van hout 15–25 100a) mg C/Nm3 25
> 25 50/75c) mg C/Nm3 20
a)

De grenswaarde is van toepassing op procédés voor het aanbrengen en drogen van coating, waarbij de vrijkomende VOS beheerst wordt opgevangen en uitgestoten.

b)

Indien het niet mogelijk is het coaten te laten plaatsvinden in omstandigheden waarbij de vrijkomende VOS beheerst wordt opgevangen en uitgestoten (scheepsbouw, coaten van vliegtuigen enz.), kan voor installaties vrijstelling van deze waarden worden verleend. Dan dient het reductieprogramma van paragraaf 6. a) te worden gevolgd, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteit wordt aangetoond dat deze optie technisch en economisch niet haalbaar is. In dat geval moet de exploitant ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantonen dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek.

c)

De eerste waarde is van toepassing op droogprocédés, de tweede op procédés voor het aanbrengen van coating.

d)

Indien voor het coaten van textiel technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3 voor het drogen en coaten tezamen.

12

Bandlakken:

Tabel 6:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij bandlakken

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe installaties > 25 50a) 5
Bestaande installaties > 25 50a) 10
a)

Als technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

13

Chemisch reinigen:

Tabel 7:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij chemisch reinigen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde
Nieuwe en bestaande installaties 0 20 g NMVOS/kga)
a)

Grenswaarde voor totale NMVOS-emissies, berekend als massa van uitgestoten oplosmiddel per massa gereinigd en gedroogd product.

14

Vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen:

Tabel 8:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties 100–1.000 150a) 5a, c)
> 1.000 150b) 3b, c)
a)

Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS- emissies.

b)

Een totale grenswaarde van 3% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS- emissies.

c)

De diffuse grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.

15

Drukken (flexografie, heat-set rotatie-offset, illustratiediepdruk enz.):

Tabel 9:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij drukprocédés

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempel-waarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: heat-set rotatie-offset 15–25 100 30a)
> 25 20 30a)
Nieuwe installaties: installatiediepdruk > 25 75 10
Bestaande installaties: installatiediepdruk > 25 75 15
Nieuwe en bestaande installaties: overige eenheden voor rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineren en lakken 15–25 100 25
> 25 100 20
Nieuwe en bestaande installaties: rotatiezeefdruk op textiel, karton > 30 100 20
a)

Een residu van oplosmiddel in eindproducten wordt niet beschouwd als onderdeel van de diffuse NMVOS-emissies.

16

Vervaardigen van farmaceutische producten:

Tabel 10:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het vervaardigen van farmaceutische producten

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (%van oplosmiddelinput)
Nieuwe installaties > 50 20a, b) 5b, d)
Bestaande installaties > 50 20a, c) 15c, d)
a)

Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

b)

Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor afgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

c)

Een totale grenswaarde van 15% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

d)

De voor diffuse emissies grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een coatingpreparaat in een gesloten verpakking.

17

Bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber:

Tabel 11:Grenswaarden voor NMVOS-emissie die vrijkomen bij de bewerking van natuurlijk of synthetisch rubber

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber > 15 20a, b) 25a, c)
a)

Een totale grenswaarde van 25% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

b)

Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

c)

De voor diffuse emissies grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.

18

Oppervlaktereiniging:

Tabel 12:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij de oppervlaktereiniging

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: oppervlaktereiniging gebruikmakend van stoffen vermeld in paragraaf 3 onder w 1–5 20 mg verbinding/Nm3 15
> 5 20 mg verbinding/Nm3 10
Nieuwe en bestaande installaties: overige oppervlaktereiniging 2–10 75 mg C/Nm3a) 20a)
> 10 75 mg C/Nm3a) 15a)
a)

Installaties die bij de bevoegde autoriteit aantonen dat het gemiddelde organische-oplosmiddelgehalte van alle gebruikte reinigingsmaterialen 30% (m/ m) niet overschrijdt, zijn vrijgesteld van toepassing van deze waarden.

19

Extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën:

Tabel 13:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij de extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen (Mg/jaar) Totale grenswaarde (mg/kg)
Nieuwe en bestaande installaties > 10 Dierlijk vet: 1,5 Ricinus: 3,0 Koolzaad: 1,0 Zonnebloemzaad: 1,0 Sojabonen (normale pletting): 0,8 Sojabonen (witte vlokken): 1,2 Overige zaden en plantaardig materiaal: 3,0a) Alle fractioneerpro- cédés, uitgezonderd Ontgommen2): 1,5 Ontgommen: 4,0
a)

Grenswaarden voor totale NMVOS-emissies uit installaties die afzonderlijke Partijen zaden of andere plantaardig materiaal behandelen, worden door de bevoegde autoriteiten per geval bepaald op de basis van de beste beschikbare technieken.

2) Het verwijderen van gom uit de olie.

20

Overspuiten van voertuigen:

Tabel 14:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het overspuiten van voertuigen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties > 0.5 50a) 25
a)

De inachtneming van de grenswaarden dient te worden aangetoond met metingen van het gemiddelde per 15 minuten.

21

Impregneren van houten oppervlakken:

Tabel 15:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het impregneren van houten oppervlakken

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties > 25 100a, b) 45b)
a)

Is niet van toepassing op impregneren met creosoot.

b)

Een totale grenswaarde van 11 kg oplosmiddel/m3 behandeld hout kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor afgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

B. Canada

22

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen zullen worden bepaald op de basis van beschikbare informatie omtrent beheerstechnologie en -niveaus, met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden, en van de volgende documenten:

C. Verenigde Staten van Amerika

23

Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen worden nader omschreven in de volgende documenten:

Inleiding

1

Dit aanhangsel bij de bijlage inzake grenswaarden voor VOS-emissies met uitzondering van methaan (NMVOS) uit stationaire bronnen vormt een richtsnoer voor het uitvoeren van een oplosmiddelenboekhouding. Allereerst worden de beginselen vermeld (paragraaf 2), vervolgens worden regels inzake de massabalans gegeven (paragraaf 3) en ten slotte wordt aangegeven welke eisen aan de controle op de naleving worden gesteld (paragraaf 4).

Beginselen

2

De oplosmiddelenboekhouding beoogt het volgende:

Begripsomschrijvingen

3

Met de volgende begripsomschrijvingen worden regels gegeven ter bepaling van de massabalans:

Richtsnoeren voor het gebruik van de oplosmiddelenboekhouding voor controle op de naleving

4

Het specifieke voorschrift waarop de controle wordt toegepast, zalbepalend zijn voor de wijze waarop de oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt:

Beginselen

1

Het reductieprogramma is bedoeld om de exploitant de mogelijkheid te bieden de emissie op een andere manier in dezelfde mate te verminderen als door de toepassing van de grenswaarden zou gebeuren. Daartoe kan de exploitant ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma gebruiken, mits uiteindelijk dezelfde emissiereductie wordt bereikt. De Partijen brengen verslag uit over de vorderingen met betrekking tot het bereiken van dezelfde emissiereductie, onder meer ook over hun ervaring met de toepassing van het reductieprogramma.

Praktische uitvoering

2

Bij het aanbrengen van coating, lak, vernis, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan de bevoegde instantie een exploitant toestaan een andere ontheffingsregeling toe te passen die naar haar overtuiging aan de hier geschetste beginselen voldoet. Bij de opzet van het programma wordt rekening gehouden met de volgende gegevens:

3

De volgende regeling geldt voor installaties waarbij voor het product een constant gehalte aan vaste stof aangenomen en gebruikt kan worden voor de bepaling van het referentiepunt voor de emissiereducties:

Termijn Termijn Maximaal toege-stane totale jaar-lijkse emmissies
Nieuwe installaties Bestaande installaties
op 31-10-2001 op 31-10-2005 beoogde emissie x 1,5
op 31-10-2004 op 31-10-2007 beoogde emissie
Activiteit Vermenigvuldigingsfactor voor gebruik in punt b, (ii)
Rotatiediepdrukken; flexografisch drukken; lamineren als onderdeel van een drukactiviteit; drukken; lakken als onderdeel van een drukactiviteit; coaten van hout; coaten van textiel, stof, film of papier; aanbrengen van lijmlagen 4
Bandlakken; overspuiten van voertuigen 3
Coaten van voedselverpakking; coaten van luchtvaartuigen 2,33
Andere coatings en rotatiezeefdruk 1,5
1

Dit aanhangsel bij de bijlage inzake grenswaarden voor VOS-emissies uit stationaire bronnen vormt een richtlijn voor het opstellen van een oplosmiddelenboekhouding. Allereerst worden de beginselen vermeld (paragraaf 2), vervolgens worden regels inzake de massabalans gegeven (paragraaf 3) en ten slotte wordt aangegeven welke eisen aan de controle op de naleving worden gesteld (paragraaf 4).

2

De tijdschema's voor de toepassing van de grenswaarden voor brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen als bedoeld in artikel 3, lid 5, en de grenswaarden voor gasolie als bedoeld in bijlage IV, tabel 2, zijn:

De tijdschema's zijn niet van toepassing op een Partij bij dit Protocol voorzover voor die Partij met betrekking tot gasolie een korter tijdschema geldt ingevolge het Protocol inzake verdergaande vermindering van zwavelemissies.

3

Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 1 en/of 2 van deze bijlage.

Begripsomschrijvingen

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

2

De bijlage bevat grenswaarden voor NOx, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), en voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.x, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), en voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.

3

De tijdschema's voor het toepassen van de grenswaarden in deze bijlage zijn vastgelegd in bijlage VII.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

Personenauto's en lichte voertuigen

4

Grenswaarden voor motorvoertuigen met ten minste vier wielen, die gebruikt worden voor het vervoer van personen (categorie M) en goederen (categorie N), zijn vermeld in tabel 1.

Zware voertuigen

5

Een Partij die ingevolge artikel 3bis van het onderhavige Protocol een keuze heeft gemaakt ten aanzien van bijlage VI en/of bijlage VIII mag niet tevens ingevolge het vierde lid een verklaring afleggen met betrekking tot dezelfde bijlage.

Inleiding

6

Grenswaarden voor motorfietsen en bromfietsen zijn vermeld in tabel 6 en tabel 7.

Terreinvoertuigen en -machines

7

Grenswaarden voor landbouw- en bosbouwtractoren en andere motoren van niet voor de openbare weg bestemde voertuigen/machines zijn vermeld in de tabellen 4 en 5. Fase I (tabel 4) is gebaseerd op ECE-reglement 96, Uniform provisions concerning the approval of compression-ignition (C.I.) engines to be installed in agricultural and forestry tractors with regard to the emissions of pollutants by the engine.

Brandstofkwaliteit

8

Ecologische kwaliteitsspecificaties voor benzine en diesel zijn vermeld in de tabellen 8 tot en met 11.

Tabel 1:Grenswaarden voor personenauto's en lichte voertuigen

Referent iemassa (RW) (kg) Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden
Referent iemassa (RW) (kg) Koolstofmonoxide Koolstofmonoxide Kool-waterstoffen Kool-waterstoffen Stikstofoxiden Stikstofoxiden Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Deeltjesa
Categorie Categorie Klasse Toe te passen vanafb L1 (g/km)g L1 (g/km)g L2 (g/km) L2 (g/km) L3 (g/km) L3 (g/km) L2+L3 (g/km) L2+L3 (g/km) L4 (g/km)
benzine diesel benzine diesel benzine diesel benzine diesel diesel
A Mc 1-1-2001 Alleg 2,3 0,64 0,20 0,15 0,50 0,56 0,05
N1d I 1-1-2001e RW ≤ 1305 2,3 0,64 0,20 0,15 0,50 0,56 0,05
II 1-1-2002 1305 < RW ≤ 1760 4,17 0,80 0,25 0,18 0,65 0,72 0,07
III 1-1-2002 1760 < RW 5,22 0,95 0,29 0,21 0,78 0,86 0,10
B Mc 1-1-2006 alle 1,0 0,50 0,10 0,08 0,25 0,30 0,025
N1d I 1-1-2006f RW ≤ 1305 1,0 0,50 0,10 0,08 0,25 0,30 0,025
II 1-1-2007 1305 < RW ≤ 1760 1,81 0,63 0,13 0,10 0,33 0,39 0,04
III 1-1-2007 1760 < RW 2,27 0,74 0,16 0,11 0,39 0,46 0,06
a)

Voor motoren met compressieontsteking.

b)

De registratie, verkoop of ingebruikneming van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan de respectieve grenswaarden, wordt geweigerd per de in deze kolom genoemde datums en typegoedkeuring hoeft niet langer gegarandeerd te zijn vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums.

c)

Uitgezonderd voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.500 kg.

d)

En de voertuigen uit categorie M omschreven in noot c.

e)

1-1-2002 voor de voertuigen uit categorie M nader omschreven in noot c.

f)

1-1-2007 voor de voertuigen uit categorie M nader omschreven in noot c.

g)

Tot 1 januari 2003 worden voertuigen in deze categorie die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking en niet voor de openbare weg bestemd zijn, en voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.000 kg die ontworpen zijn om meer dan zes inzittenden te vervoeren, met inbegrip van de bestuurder, beschouwd als voertuigen van categorie N1, klasse III, in rij A.

Tabel 2:Grenswaarden voor zware voertuigen – ESC-tests (European steady-state cycle) en ELR-tests (European load-response)

Rij Toe te passen vanafa Koolstof-monoxide (g/kWh) (g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjes (g/kWh) Rook (m-1)
A 1-10-2001 2,1 0,66 5,0 0,10 / 0,13b 0,8
B1 1-10-2006 1,5 0,46 3,5 0,02 0,5
B2 1-10-2009 1,5 0,46 2,0 0,02 0,5

a Met ingang vanaf de vermelde datums en met uitzondering van voertuigen en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, en van vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen, verbieden Partijen de registratie, verkoop, ingebruikneming of het gebruik van nieuwe voertuigen die worden aangedreven door een motor met compressieontsteking of een gasmotor en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking of gasmotoren als hun emissies niet voldoen aan de respectieve grenswaarden. Vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums kan typegoedkeuring worden geweigerd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan.

b Voor motoren met een cilinderinhoud van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominale vermogenssnelheid van meer dan 3.000 omwentelingen per minuut.

Tabel 3:Grenswaarden voor zware voertuigen – ETC-test (European Transient Cycle)a)

Rij Toe te passen vanafb Koolstof-monoxide (g/kWh) Koolwaterstoffen uitgezonderd methaan (g/kWh) Methaanc(g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjesd
A (2000) 1-10-2001 5,45 0,78 1,6 5,0 0,16 / 0,21e
B1 (2005) 1-10-2006 4,0 0,55 1,1 3,5 0,03
B2 (2008) 1-10-2009 4,0 0,55 1,1 2,0 0,03
a)

De omstandigheden voor de controle op de aannemelijkheid van de ETCtests bij het meten van de emissies van gasmotoren ten opzichte van de grenswaarden die van toepassing zijn in rij A, worden opnieuw onderzocht en, voorzover noodzakelijk, gewijzigd in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEC.

b)

Vanaf de vermelde datums en met uitzondering van voertuigen en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, en van vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen, verbieden Partijen de registratie, verkoop, ingebruikneming of het gebruik van nieuwe voertuigen die worden aangedreven door een motor met compressieontsteking of een gasmotor en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking of gasmotoren als hun emissies niet voldoen aan de respectieve grenswaarden. Vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums kan typegoedkeuring worden geweigerd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan.

c)

Alleen voor aardgasmotoren.

d)

Niet van toepassing op gasmotoren in fase A en fasen B1 en B2.

e)

Voor motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominale toerental van meer dan 3.000 omwentelingen per minuut.

Tabel 4:Grenswaarden (fase I) voor dieselmotoren van mobiele, niet voor de openbare weg bestemde machines (meetprocedure ISO 8178)

Netto-vermogen (P)(kW) Toe te passen vanafa Kool-stof-mono-xide (g/kWh) Kool-water-stoffen (g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P < 560 31-12-1998 5,0 1,3 9,2 0,54
75 ≤ P < 130 31-12-1998 5,0 1,3 9,2 0,70
37 ≤ P < 75 31-12-1998 6,5 1,3 9,2 0,85
a)

Vanaf de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, staan Partijen de registratie, voorzover van toepassing, en het in de handel brengen van nieuwe motoren, al of niet geïnstalleerd in machines, alleen toe als zij voldoen aan de in de tabel vermelde grenswaarden. Typegoedkeuring voor een motortype of -familie wordt met ingang van 30 juni 1998 geweigerd als niet voldaan wordt aan de grenswaarden.

Noot: Dit zijn motor-uit-grenswaarden waaraan voldaan moet worden voordat de gassen een katalysator of een andere reinigingsvoorziening in de uitlaat bereiken.

Tabel 5:Grenswaarden (fase II) voor dieselmotoren van mobiele, niet voor de openbare weg bestemde machines (meetprocedure ISO 8178)

Netto-vermogen (P) (kW) Toe te passen vanafa Koolstof-monoxide (g/kWh) Kool-water-stoffen (g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P < 560 31-12-2001 3,5 1,0 6,0 0,2
75 ≤ P < 130 31-12-2002 5,0 1,0 6,0 0,3
37 ≤ P < 75 31-12-2003 5,0 1,3 7,0 0,4
18 ≤ P < 37 31-12-2000 5,5 1,5 8,0 0,8
a)

Met ingang van de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, staan Partijen de registratie, voorzover van toepassing, en het in de handel brengen van nieuwe motoren, al of niet geïnstalleerd in machines, alleen toe als zij voldoen aan de in de tabel vermelde grenswaarden. Typegoedkeuring voor een motortype of -familie wordt vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums geweigerd als niet voldaan wordt aan de grenswaarden.

Tabel 6:Grenswaarden voor motorfietsen en drie- en vierwielers (> 50 cm3; > 45 km/u) toe te passen vanaf 17 juni 1999a)

Motortype Grenswaarden
2-takt CO = 8 g/km HC = 4 g/km NOx = 0,1 g/km
4-takt CO = 13 g/km HC = 3 g/km NOx = 0,3 g/km
a)

Typegoedkeuring wordt geweigerd vanaf de vermelde datum als de emissies van het voertuig niet voldoen aan de grenswaarden.

Noot: Voor drie- en vierwielers moeten de grenswaarden vermenigvuldigd worden met 1,5.

Tabel 7:Grenswaarden voor bromfietsen (≤ 50 cm3; < 45 km/u);

Fase Toe te passen vanafa) Grenswaarden Grenswaarden
CO (g/km) HC + NOx (g/km)
I 17-61999 6,0b) 3,0b)
II 17-6-2002 1,0c) 1,2
a)

Typegoedkeuring wordt geweigerd vanaf de vermelde datums als de emissies van het voertuig niet voldoen aan de grenswaarden.

b)

Voor drie- en vierwielers geldt: vermenigvuldigen met 2.

c)

Voor drie- en vierwielers: 3,5 g/km.

Tabel 8:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met elektrische ontsteking

Type: Benzine

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Minimum Maximum Methodeb) Datum publicatie
RON-getal 95 EN 25164 1993
MON-getal 85 EN 25163 1993
Dampspanning volgens Reid, zomerperiodec) KPa 60 EN 12 1993
Distillatie:
verdampt bij 100 °C % (v/v) 46 EN-ISO 3405 1988
verdampt bij 150 °C % (v/v) 75
Koolwaterstoffen-analyse:
– olefinen % (v/v) 18,0d) ASTM D1319 1995
– aromaten 42 ASTM D1319 1995
– benzeen 1 project EN 12177 1995
Zuurstofgehalte % (m/m) 2,7 EN 1601 1996
Oxygenaten:
– Methanol (er moeten stabilisatoren worden toegevoegd) % (v/v) 3 EN 1601 1996
– Ethanol (stabilisatoren kunnen nodig zijn) % (v/v) 5 EN 1601 1996
– Isopropylalco-hol % (v/v) 10 EN 1601 1996
– Tert-butylalcohol % (v/v) (v/v) 7 EN 1601 1996
– Isobutylalcohol % (v/v) 10 EN 1601 1996
– Ethers met 5 of meer koolstofatomen per molecule % (v/v) 15 EN 1601 1996
Overige oxygenatene) % (v/v) 10 EN 1601 1996
Zwavelgehalte mg/kg 150 Project EN–ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden’’. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation to methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, ASTM: American Society for Testing and Materials, DIS: Draft international standard.

c)

De zomerperiode begint uiterlijk 1 mei en eindigt niet voor 30 september. Voor lidstaten met arctische omstandigheden begint de zomerperiode uiterlijk 1 juni en eindigt zij niet voor 31 augustus en bedraagt de dampspanning volgens Reid maximaal 70 kPa.

d)

Behalve voor gewone loodvrije benzine (MON-getal minimaal 81 en RONgetal minimaal 91), waarvoor het olefinegehalte maximaal 21% (v/v) is. Deze grenzen vormen geen belemmering voor het op de markt van een lidstaat brengen van een andere loodvrije benzine met octaangetallen die lager zijn dan hier vermeld.

e)

Overige mono-alcoholen waarvan het distillatie-eindpunt niet hoger is dan het distillatie-eindpunt dat vastgesteld is in nationale specificaties of, zo deze ontbreken, in industriële specificaties voor motorbrandstoffen.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 8. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor het zwavelgehalte in tabel 8, maar die het huidige gehalte niet overschrijdt, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het vóór 1 januari 2000 doorvoeren van de noodzakelijke veranderingen in de fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2003. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

Tabel 9:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking

Type: Dieselbrandstof

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Mini-mum Maxi-mum Methodeb) Datum publicatie
Cetaangetal 51 EN-ISO 5165 1992
Dichtheid bij 15 °C kg/m3 845 EN-ISO 3675 1995
Distillatiepunt: 95% C 360 EN-ISO 3405 1988
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen % (m/m) 11 IP 391 1995
Zwavelgehalte Mg/kg 350 Project EN–ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, IP: The Institute of Petroleum, DIS: Draft international standard.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts dieselolie in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 9. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van diesel met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 9, maar die het huidige gehalte niet overschrijdt, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het vóór 1 januari 2000 doorvoeren van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2003. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

Tabel 10:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met elektrische ontsteking

Type: Benzine

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Mini-mum Maxi-mum Methodeb) Datum publi-catie
RON-getal 95 EN 25164 1993
MON-getal 85 EN 5163 1993
Dampspanning, zomerperiode kPa
Distillatie:
Verdampt bij 100 °C % (v/v)
Verdampt bij 150 °C
Koolwaterstoffen-analyse:
– olefinen % (v/v)
– aromaten % (v/v) 35 ASTM D1319 1995
– benzeen % (v/v)
Zuurstofgehalte % (m/m)
Zwavelgehalte mg/kg 50 project EN-ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, ASTM: American Society for Testing and Materials, DIS: Draft international standard.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 10. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 10, maar die niet voldoet aan tabel 8, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën om met betrekking tot het doorvoeren vóór 1 januari 2005 van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007. In dat geval moet de Partij in een verklaring, die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

Tabel 11:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking

Type: Dieselbrandstof

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Mini-mum Maxi-mum Methodeb) Datum publicatie
Cetaangetal
Dichtheid bij 15 °C kg/m3
Distillatiepunt: 95% C
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen % (m/m)
Zwavelgehalte mg/kg - 50 project EN-ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, DIS: Draft international standard.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 11. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 11, maar die wel voldoet aan tabel 9, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het doorvoeren vóór 1 januari 2005 van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

B. Canada

9

Nieuwe emissienormen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware voertuigen, zware motoren en motorfietsen: Motor Vehicle Safety Act (en opvolgende wetgeving), bijlage V van de Motor Vehicle Safety Regulations: Vehicle Emissions (Standard 1100), SOR/97-376, (28 juli 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

10

Canadian Environmental Protection Act, Diesel Fuel Regulations, SOR/97-110 (4 februari 1997, zwavel in dieselbrandstof), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

11

Canadian Environmental Protection Act, Benzene in Gasoline Regulations, SOR/97-493 (6 november 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.493 (6 november 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

12

Canadian Environmental Protection Act, Sulphur in Gasoline Regulations, Canada Gazette, Deel II, 4 juni 1999, zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

C. Verenigde Staten van Amerika

13

Uitvoering van een programma voor emissie van mobiele bronnen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware vrachtwagens en brandstoffen in de mate die vereist is door secties 202 (a), 202 (g) en 202 (h) van de Clean Air Act, zoals geïmplementeerd door:

1

De Partijen die onderworpen zijn aan de verplichtingen in artikel 3, lid 8, onder a, treffen de maatregelen die in deze bijlage omschreven staan.

2

Elke Partij houdt naar behoren rekening met de noodzaak om verliezen uit de gehele stikstofkringloop te verminderen.

A. Gedragscode voor goede landbouwpraktijken

3

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, wordt door die Partij een gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de beheersing van ammoniakemissies vastgesteld en vervolgens gepubliceerd en verspreid. De code houdt rekening met de specifieke omstandigheden binnen het grondgebied van de Partij en bevat voorschriften omtrent:

De Partijen geven aan de code een zodanige titel dat verwarring met andere codes wordt vermeden.

B. Meststoffen met ureum en ammoniumcarbonaat

4

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, neemt die Partij die stappen die haalbaar zijn om ammoniakemissies door gebruik van vaste mest op ureumbasis te beperken.

5

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, verbiedt die Partij het gebruik van meststoffen met ammoniumcarbonaat.

C. Verenigde Staten van Amerika

6

Elke Partij dient erop toe te zien dat toepassingstechnieken voor drijfmest met geringe emissie (zoals vermeld in Guidance Document V, dat door het Uitvoerend Orgaan op zijn zeventiende zitting aangenomen is (besluit 1999/1) en eventuele wijzigingen daarop), waarvan aangetoond is dat ze de emissies in vergelijking met de omschreven referentie in dat guidance document met ten minste 30% verminderen, gebruikt worden voorzover de Partij in kwestie ze van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden, het type drijfmest en de structuur van het landbouwbedrijf. De tijdschema's voor toepassing van deze maatregelen zijn: 31 december 2009 voor Partijen met overgangseconomieën en 31 december 2007 voor de overige Partijen.1)Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 6 en/of 9 van deze bijlage.

7

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij erop toe te zien dat vaste meststoffen die toegepast zijn op land dat moet worden geploegd, binnen ten minste 24 uur na het verspreiden verwerkt worden voorzover zij deze maatregel van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden en de structuur van het landbouwbedrijf.

C. Verenigde Staten van Amerika

8

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe drijfmestoplaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) opslagsystemen of opslagtechnieken met geringe emissies te gebruiken, waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 40% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.

9

Voor bestaande drijfmestopslaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) dient een Partij emissiereducties van 40% te behalen voorzover de Partij de noodzakelijke technieken technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord acht.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. De tijdschema's voor toepassing van deze maatregelen zijn: 31 december 2009 voor Partijen met overgangseconomieën en 31 december 2007 voor alle overige Partijen.1)Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 6 en/of 9 van deze bijlage.

E. Dierenverblijven

10

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe dierenverblijven bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) verblijfssystemen te gebruiken waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 20% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. Toepasbaarheid kan beperkt zijn om redenen van dierenwelzijn, bijvoorbeeld in op stro gebaseerde systemen voor varkens alsmede vogelverblijven en scharrelsystemen voor pluimvee.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.

DONE at Gothenburg (Sweden), this thirtieth day of November one thousand nine hundred and ninety-nine.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

5bis

Voor de Verenigde Staten van Amerika worden de gevolgen van voedingsstikstoffen (eutrofiëring) voor ecosystemen beoordeeld door het evalueren van de gevoeligheid van ecosystemen voor en de reactie ervan op de belasting van stikstofverbindingen, gebruikmakend van peer-reviewed wetenschappelijke methodologieën en criteria, en rekening houdend met onzekerheden in verband met de stikstofcyclus in ecosystemen. Bij het vaststellen van secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor NOx wordt vervolgens rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor vegetatie en ecosystemen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

III. KRITISCHE NIVEAUS VAN OZON

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

6

Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ozon worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met het bij het Verdrag behorende („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Zij worden uitgedrukt in termen van de cumulatieve waarde van stomataire stromen of concentraties boven het bladerdak. Kritische niveaus worden bij voorkeur gebaseerd op stomataire stromen omdat deze biologisch relevanter worden geacht aangezien hierbij rekening wordt gehouden met veranderingen in de opname van ozon door vegetatie onder invloed van klimaat, bodem en planten.

7

Voor een aantal soorten gewassen, (semi-)natuurlijke vegetatie en bosbomen zijn kritische ozonniveaus afgeleid. De gekozen kritische niveaus hebben betrekking op de belangrijkste milieueffecten zoals het verlies van voedselzekerheid, verminderde koolstofopslag in de levende biomassa van bomen en bijkomende nadelige gevolgen voor het bos- en (semi-)natuurlijke ecosystemen.

8

Het voor de menselijke gezondheid kritische ozonniveau wordt vastgesteld overeenkomstig de Air Quality Guidelines van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om de menselijke gezondheid te beschermen tegen een scala van gezondheidseffecten, met inbegrip van een verhoogd risico op vroegtijdig overlijden en ziekten.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

9

Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van ozon. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende ozonconcentraties. De Canadian Ambient Air Quality Standard for ozone (Canadese kwaliteitsnorm voor omgevingslucht voor ozon) is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.

10

Voor de Verenigde Staten van Amerika worden kritische niveaus vastgesteld in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor ozon ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn met inbegrip van vegetatie tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de kwaliteitsnormen voor lucht worden gebruikt ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

IV. Kritische niveaus van zwevende deeltjes

A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP

11

Het kritische niveau van zwevende deeltjes voor de menselijke gezondheid wordt overeenkomstig de WHO Air Quality Guidelines vastgesteld als de massaconcentratie van PM2,5. Het bereiken van het niveau uit de WHO-richtlijnen zorgt naar verwachting voor een doeltreffende vermindering van de gezondheidsrisico’s. De PM2,5-concentratie op de lange termijn, uitgedrukt als een jaarlijks gemiddelde, is evenredig aan het gezondheidsrisico, met inbegrip van een vermindering van de levensverwachting. Deze indicator wordt gebruikt in geïntegreerde modellen om een richtlijn voor emissiereductie te bieden. Naast het jaarlijkse richtlijnniveau wordt een richtlijnniveau voor de korte termijn (gemiddelde over 24 uur) gedefinieerd ter bescherming tegen verontreinigingspieken die een aanzienlijke impact hebben op het ziektecijfer of sterftecijfer.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

12

Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van zwevende deeltjes. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende concentraties zwevende deeltjes. De Canadese nationale norm voor zwevende deeltjes is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.

13

Voor de Verenigde Staten zijn kritische niveaus in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor zwevende deeltjes bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn (met inbegrip van zichtbaarheid en door mensen gemaakte materialen) tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

V. Kritische niveaus van ammoniak

14

Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ammoniak worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”.

VI. Aanvaardbare niveaus van luchtverontreinigende stoffen om materialen te beschermen

15

Aanvaardbare niveaus van verzurende verontreinigende stoffen, ozon en zwevende deeltjes worden bepaald ter bescherming van materialen en cultureel erfgoed in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. De aanvaardbare niveaus van verontreinigende stoffen betreffen de maximale blootstelling die een materiaal op lange termijn kan verdragen zonder dat er schade ontstaat die groter is dan de hierboven gespecificeerde corrosiesnelheden. Deze schade, die kan worden berekend aan de hand van beschikbare dosis-effectfuncties, is het resultaat van verschillende verontreinigende stoffen die in verschillende combinaties samen een uitwerking hebben die afhankelijk is van het materiaal: zuurtegraad (zwaveldioxide (SO2), salpeterzuur (HNO3)), ozon en zwevende deeltjes.

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

2

Voor de toepassing van afdeling A, met uitzondering van tabel 2 en de punten 11 en 12, wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige verbinding die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.

3

Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.

4

Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.

5

Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van SO2 de 75 kg/u overschrijden.

6

Bij ononderbroken meting voor een nieuwe inrichting wordt naleving van de emissienormen bereikt indien de berekende dagelijkse gemiddelde waarden de grenswaarde niet overschrijden en indien geen uurwaarde de grenswaarde overschrijdt met 100%.

7

In geval van ononderbroken metingen voor bestaande inrichtingen wordt naleving van de emissienormen bereikt indien a. geen van de maandelijkse gemiddelde waarden de grenswaarden overschrijdt; en b. 97% van alle gemiddelde waarden per 48 uur 110% van de grenswaarden niet overschrijdt.

8

Bij onderbroken metingen wordt, als minimumvereiste, naleving van de emissienormen bereikt indien de op een relevant aantal metingen onder representatieve omstandigheden gebaseerde gemiddelde waarden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt.

9

Stoomketels en procesovens met een nominaal thermisch vermogen dat 50 MWth overschrijdt:th overschrijdt:

Tabel 1:Grenswaarden voor SOx-emissies van stoomketelsa)

Thermi-sche input (MWth) Grens-waarde (mg SO2/Nm3)b) Alternatief voor huisbrandkolen verwijderings-rendement
Vaste en vloeibare brandstoffen, nieuwe installaties 50–100 850 90%d)
100–300 850–200c) (lineaire afname) 92%d)
> 300 200c) 95%d)
Vaste brandstoffen, bestaande installaties 50–100 2000
100–500 2000–400(lineaire afname)
> 500 400
50–150 40%
150–500 40–90% (lineaire toename)
> 500 90%
Vloeibare brandstoffen, bestaande installaties 50–300300–500 1700
300-500 1700–400 (lineaire afname)
> 500 400
Gasvormige brandstoffen algemeen, nieuwe en bestaande installaties 35
Vloeibaar gas, nieuwe en bestaande installaties 5
Gassen met lage calorische waarde (bijv. vergassing van raffi-nageresiduen of verbranding van cokesovengas) nieuw 400 bestaand 800
Hoogovengas nieuw 200 bestaand 800
Nieuwe verbrandingsinrichting in raffina-derijen (gemiddelde van alle nieuwe verbrandingsinstallaties) > 50 (totale raffinage-capaciteit) 600
Bestaande verbran-dingsinrichting in raffinaderijen (gemid-delde van alle be-staande verbrandings-installaties) 1000
a)

De grenswaarden gelden met name niet voor de volgende inrichtingen:

b)

Het O2–referentiegehalte is 6% voor vaste en 3% voor overige brandstoffen.

c)

400 bij zware stookolie S <0,25%.

d)

Indien een installatie 300 mg/Nm3 SO2 bereikt, kan deze worden uitgezonderd van toepassing van het bewerkingsrendement.

10

Gasolie

Tabel 2:Grenswaarden voor het zwavelgehalte van gasoliea)

Zwavelgehalte (procent per gewicht)
Gasolie < 0,2 na 1 juli 2000 < 0,1 na 1 januari 2008
a)

“Gasolie”: een aardolieproduct dat onder GS-code 2710 valt of een aardolieproduct dat, op grond van zijn destillatiegrenzen, behoort tot de middeldestillaten die bestemd zijn voor gebruik als brandstof en die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume distilleren bij 350°C. Brandstoffen gebruikt in wegvoertuigen en terreinvoertuigen en landbouwtractoren zijn uitgezonderd van deze omschrijving. Gasolie bestemd voor gebruik op zee is in de omschrijving begrepen indien deze voldoet aan bovenstaande beschrijving of een viscositeit of dichtheid heeft vallend binnen het bereik van viscositeit of dichtheid omschreven voor distillaten voor gebruik op zee in tabel I van ISO 8217 (1996).

11

Clausinrichting: voor een inrichting die meer dan 50 Mg zwavel per dag produceert:

12

Productie van titaniumdioxide: in nieuwe en bestaande installaties wordt de uitworp veroorzaakt door ontledings- en calcineringsfasen bij de vervaardiging van titaniumdioxide verminderd tot een waarde van niet meer dan 10 kg SO2-equivalent per Mg geproduceerd titaniumdioxide.

B. Canada

13

Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen zullen worden bepaald op basis van beschikbare informatie inzake beheersingstechnologie en -niveaus met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden en het volgende document: Canada Gazette, Deel I. Department of the Environment. Thermal Power Generation Emissions – National Guidelines for New Stationary Sources. 15 mei 1993. p. 1633–1638.

C. Verenigde Staten van Amerika

14

Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen worden omschreven in de volgende documenten:

15

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

16

Voor de toepassing van afdeling A wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige stof die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.

17

Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.

18

Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.

19

Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van NOx de 75 kg/u overschrijden.x de 75 kg/u overschrijden.

C. Verenigde Staten van Amerika

C. Verenigde Staten van Amerika

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Deze afdeling van onderhavige bijlage heeft betrekking op emissies uit stationaire bronnen van vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), zoals vermeld in de navolgende punten 8 tot en met 21. Installaties of delen van installaties voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen vallen niet hieronder. Drempelwaarden zijn vermeld in onderstaande sectorspecifieke tabellen. Doorgaans verwijzen zij naar het oplosmiddelverbruik of de emissiemassastroom. Wanneer één exploitant met dezelfde installatie op dezelfde locatie verschillende activiteiten verricht die onder dezelfde onderverdeling vallen, worden het oplosmiddel-verbruik of de emissiemassastroom van die activiteiten bij elkaar opgeteld. Als er geen drempelwaarde vermeld is, geldt de vermelde grenswaarde voor alle betrokken installaties.

3

Voor de toepassing van afdeling A van deze bijlage wordt verstaan onder:

4

Aan de volgende vereisten moet worden voldaan:

5

De volgende grenswaarden dienen te worden toegepast voor rookgassen, tenzij hieronder anders vermeld:

6

Voor de categorieën bronnen die in de onderstaande punten 9 tot en met 21 zijn vermeld, zijn de volgende herzieningen van belang:

7

De grenswaarden voor VOS-emissies voor de categorieën van bronnen omschreven in punt 3 zijn zoals aangegeven in de navolgende punten 8 tot en met 21.

8

Opslag en distributie van benzine:

Tabel 1:Grenswaarden voor VOS-emissies die vrijkomen bij de opslag en distributie van benzine, uitgezonderd het laden van zeeschepen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarden Grenswaarde
Dampterugwininstallatie voor opslag- en distributievoorzieningen op tankparken van raffinaderijen of terminals jaarlijkse doorvoercapaciteit 5000 m3 benzine 10 g VOS/Nm3 met inbegrip van methaan

Noot: De damp die door het vullen van benzineopslagtanks wordt verdrongen, dient te worden afgevoerd naar andere opslagtanks of naar nabehandelingsapparatuur die voldoet aan de grenswaarden in bovenstaande tabel.

9

Aanbrengen van lijmlagen:

Tabel 2:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het aanbrengen van lijmlagen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplos- middelinput)
Vervaardiging van schoeisel; nieuwe en bestaande installaties > 5 25 g oplosmiddel per paar
Overige lijmlagen, uitgezonderd schoeisel; nieuwe en bestaande installaties 5–15 50a) mg C/Nm3 25
> 15 50a) mg C/Nm3 20
a)

Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

10

Lamineren van hout en kunststof:

Tabel 3:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het lamineren van hout en kunststof

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen(Mg/jaar) Grenswaarde voor totale NMVOS-emissies
Lamineren van hout en kunststof; nieuwe en bestaande installaties > 5 30 g NMVOS/m2
11

Coatingprocédés (metalen en kunststof oppervlakken in personenauto's, vrachtwagencabines, vrachtwagens, bussen, houten oppervlakken):

Tabel 4:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij coatingprocédés in de auto-industrie

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaardevoor verbruik oplosmiddelen (Mg/ jaar)a) Grenswaardeb) voor totale NMVOS-emissies
Nieuwe installaties, autospuiten (M1, M2) > 15 (en > 5.000 gespoten stuks per jaar) 45 g NMVOS/m2of 1,3 kg/stuk en 33 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, autospuiten (M1, M2) > 15 (en > 5.000 gespoten stuks per jaar) 60 g NMVOS /m2 of 1,9 kg/stuk en 41 g NMVOS/m2
Nieuwe en bestaande installaties, autospuiten (M1, M2) > 15 (≤ 5.000 gespoten car-rosserieën of > 3.500 gespoten chassis per jaar) 90 g NMVOS/m2of 1,5 kg/stuk en 70 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (≤ 5.000 gespoten stuks per jaar) 65 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (> 5.000 gespoten stuks per jaar) 55 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (≤ 5.000 gespoten stuks per jaar) 85 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagencabines (N1, N2, N3) > 15 (> 5.000 gespoten stuks per jaar) 75 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (≤ 2.500 gespoten stuks per jaar) 90 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (> 2.500 gespoten stuks per jaar) 70 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (≤ 2.500 gespoten stuks per jaar) 120 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe vrachtwagens en bestelwagens (zonder cabine) (N1, N2, N3) > 15 (> 2.500 gespoten stuks per jaar) 90 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (≤ 2.000 gespoten stuks per jaar) 210 g NMVOS/m2
Nieuwe installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (> 2.000 gespoten stuks per jaar) 150 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (≤ 2.000 gespoten stuks per jaar) 290 g NMVOS/m2
Bestaande installaties, spuiten van nieuwe bussen (M3) > 15 (> 2.000 gespoten stuks per jaar) 225 g NMVOS/m2
a)

Voor een oplosmiddelverbruik ≤ 15 Mg per jaar (spuiten van auto’s) is tabel 14 omtrent het overspuiten van auto’s van toepassing.

b)

De totale grenswaarden zijn uitgedrukt in emissie van massa oplosmiddel (g) in verhouding tot de oppervlakte van het product (m2). De oppervlakte van het product is omschreven als de oppervlakte berekend uitgaande van het totale elektroforetische coatingoppervlak en de oppervlakte van onderdelen die kunnen worden toegevoegd in opeenvolgende fases van het lakprocédé en die met dezelfde coatings gelakt worden. De oppervlakte van het elektroforetische coatingoppervlak wordt berekend aan de hand van de formule: (2 x het totale gewicht van het omhulsel): (gemiddelde dikte van de metaalplaat x dichtheid van de metaalplaat).

Tabel 5:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij lakprocédés in verscheidene industriële sectoren

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissie (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: overige coating, waaronder metaal, kunststoffen, textiel, stof, folie en papier (uitgezonderd rotatiezeefdrukken voor textiel, zie drukken) 5–15 100a, b) mg C/Nm3 25b)
> 15 50/75b, c, d) mg C/Nm3 20b)
Nieuwe en bestaande installaties: coaten van hout 15–25 100a) mg C/Nm3 25
> 25 50/75c) mg C/Nm3 20
a)

De grenswaarde is van toepassing op procédés voor het aanbrengen en drogen van coating, waarbij de vrijkomende VOS beheerst wordt opgevangen en uitgestoten.

b)

Indien het niet mogelijk is het coaten te laten plaatsvinden in omstandigheden waarbij de vrijkomende VOS beheerst wordt opgevangen en uitgestoten (scheepsbouw, coaten van vliegtuigen enz.), kan voor installaties vrijstelling van deze waarden worden verleend. Dan dient het reductieprogramma van paragraaf 6. a) te worden gevolgd, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteit wordt aangetoond dat deze optie technisch en economisch niet haalbaar is. In dat geval moet de exploitant ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantonen dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek.

c)

De eerste waarde is van toepassing op droogprocédés, de tweede op procédés voor het aanbrengen van coating.

d)

Indien voor het coaten van textiel technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3 voor het drogen en coaten tezamen.

12

Bandlakken:

Tabel 6:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij bandlakken

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe installaties > 25 50a) 5
Bestaande installaties > 25 50a) 10
a)

Als technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

13

Chemisch reinigen:

Tabel 7:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij chemisch reinigen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde
Nieuwe en bestaande installaties 0 20 g NMVOS/kga)
a)

Grenswaarde voor totale NMVOS-emissies, berekend als massa van uitgestoten oplosmiddel per massa gereinigd en gedroogd product.

14

Vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen:

Tabel 8:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties 100–1.000 150a) 5a, c)
> 1.000 150b) 3b, c)
a)

Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS- emissies.

b)

Een totale grenswaarde van 3% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS- emissies.

c)

De diffuse grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.

15

Drukken (flexografie, heat-set rotatie-offset, illustratiediepdruk enz.):

Tabel 9:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij drukprocédés

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempel-waarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: heat-set rotatie-offset 15–25 100 30a)
> 25 20 30a)
Nieuwe installaties: installatiediepdruk > 25 75 10
Bestaande installaties: installatiediepdruk > 25 75 15
Nieuwe en bestaande installaties: overige eenheden voor rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineren en lakken 15–25 100 25
> 25 100 20
Nieuwe en bestaande installaties: rotatiezeefdruk op textiel, karton > 30 100 20
a)

Een residu van oplosmiddel in eindproducten wordt niet beschouwd als onderdeel van de diffuse NMVOS-emissies.

16

Vervaardigen van farmaceutische producten:

Tabel 10:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het vervaardigen van farmaceutische producten

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (%van oplosmiddelinput)
Nieuwe installaties > 50 20a, b) 5b, d)
Bestaande installaties > 50 20a, c) 15c, d)
a)

Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

b)

Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor afgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

c)

Een totale grenswaarde van 15% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

d)

De voor diffuse emissies grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een coatingpreparaat in een gesloten verpakking.

17

Bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber:

Tabel 11:Grenswaarden voor NMVOS-emissie die vrijkomen bij de bewerking van natuurlijk of synthetisch rubber

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber > 15 20a, b) 25a, c)
a)

Een totale grenswaarde van 25% van de oplosmiddelinput kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor rookgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

b)

Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/Nm3.

c)

De voor diffuse emissies grenswaarde omvat niet oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.

18

Oppervlaktereiniging:

Tabel 12:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij de oppervlaktereiniging

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties: oppervlaktereiniging gebruikmakend van stoffen vermeld in paragraaf 3 onder w 1–5 20 mg verbinding/Nm3 15
> 5 20 mg verbinding/Nm3 10
Nieuwe en bestaande installaties: overige oppervlaktereiniging 2–10 75 mg C/Nm3a) 20a)
> 10 75 mg C/Nm3a) 15a)
a)

Installaties die bij de bevoegde autoriteit aantonen dat het gemiddelde organische-oplosmiddelgehalte van alle gebruikte reinigingsmaterialen 30% (m/ m) niet overschrijdt, zijn vrijgesteld van toepassing van deze waarden.

19

Extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën:

Tabel 13:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij de extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen (Mg/jaar) Totale grenswaarde (mg/kg)
Nieuwe en bestaande installaties > 10 Dierlijk vet: 1,5 Ricinus: 3,0 Koolzaad: 1,0 Zonnebloemzaad: 1,0 Sojabonen (normale pletting): 0,8 Sojabonen (witte vlokken): 1,2 Overige zaden en plantaardig materiaal: 3,0a) Alle fractioneerpro- cédés, uitgezonderd Ontgommen2): 1,5 Ontgommen: 4,0
a)

Grenswaarden voor totale NMVOS-emissies uit installaties die afzonderlijke Partijen zaden of andere plantaardig materiaal behandelen, worden door de bevoegde autoriteiten per geval bepaald op de basis van de beste beschikbare technieken.

2) Het verwijderen van gom uit de olie.

20

Overspuiten van voertuigen:

Tabel 14:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het overspuiten van voertuigen

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties > 0.5 50a) 25
a)

De inachtneming van de grenswaarden dient te worden aangetoond met metingen van het gemiddelde per 15 minuten.

21

Impregneren van houten oppervlakken:

Tabel 15:Grenswaarden voor NMVOS-emissies die vrijkomen bij het impregneren van houten oppervlakken

Capaciteit, techniek, nadere specificatie Drempelwaarde voor verbruik op losmiddelen (Mg/jaar) Grenswaarde (mg C/Nm3 Grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies (% van oplosmiddelinput)
Nieuwe en bestaande installaties > 25 100a, b) 45b)
a)

Is niet van toepassing op impregneren met creosoot.

b)

Een totale grenswaarde van 11 kg oplosmiddel/m3 behandeld hout kan worden toegepast in plaats van het gebruiken van de concentratiegrens voor afgas en de grenswaarde voor diffuse NMVOS-emissies.

B. Canada

22

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen zullen worden bepaald op de basis van beschikbare informatie omtrent beheerstechnologie en -niveaus, met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden, en van de volgende documenten:

C. Verenigde Staten van Amerika

23

Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorieën van stationaire bronnen worden nader omschreven in de volgende documenten:

Inleiding

Beginselen

2

De oplosmiddelenboekhouding dient voor het volgende:

3

Met de volgende begripsomschrijvingen worden regels gegeven ter bepaling van de massabalans:

Richtlijn bij het gebruik van de oplosmiddelenboekhouding voor controle op de naleving

4

Het specifieke voorschrift waarop de controle wordt toegepast, zal bepalend zijn voor de wijze waarop de oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt:

Beginselen

1

Het reductieprogramma is bedoeld om de exploitant de mogelijkheid te bieden de emissie op een andere manier in dezelfde mate te verminderen als door de toepassing van de grenswaarden zou gebeuren. Daartoe kan de exploitant ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma gebruiken, mits uiteindelijk dezelfde emissiereductie wordt bereikt. De Partijen brengen verslag uit over de vorderingen met betrekking tot het bereiken van dezelfde emissiereductie, onder meer ook over hun ervaring met de toepassing van het reductieprogramma.

Praktische uitvoering

2

Bij het aanbrengen van coating, lak, vernis, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan de bevoegde instantie een exploitant toestaan een andere ontheffingsregeling toe te passen die naar haar overtuiging aan de hier geschetste beginselen voldoet. Bij de opzet van het programma wordt rekening gehouden met de volgende gegevens:

3

De volgende regeling geldt voor installaties waarbij voor het product een constant gehalte aan vaste stof aangenomen en gebruikt kan worden voor de bepaling van het referentiepunt voor de emissiereducties:

Termijn Termijn Maximaal toege-stane totale jaar-lijkse emmissies
Nieuwe installaties Bestaande installaties
op 31-10-2001 op 31-10-2005 beoogde emissie x 1,5
op 31-10-2004 op 31-10-2007 beoogde emissie
Activiteit Vermenigvuldigingsfactor voor gebruik in punt b, (ii)
Rotatiediepdrukken; flexografisch drukken; lamineren als onderdeel van een drukactiviteit; drukken; lakken als onderdeel van een drukactiviteit; coaten van hout; coaten van textiel, stof, film of papier; aanbrengen van lijmlagen 4
Bandlakken; overspuiten van voertuigen 3
Coaten van voedselverpakking; coaten van luchtvaartuigen 2,33
Andere coatings en rotatiezeefdruk 1,5
1

De tijdschema's voor de toepassing van de grenswaarden als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 3, zijn:

2

De tijdschema's voor de toepassing van de grenswaarden voor brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen als bedoeld in artikel 3, lid 5, en de grenswaarden voor gasolie als bedoeld in bijlage IV, tabel 2, zijn:

De tijdschema's zijn niet van toepassing op een Partij bij dit Protocol voorzover voor die Partij met betrekking tot gasolie een korter tijdschema geldt ingevolge het Protocol inzake verdergaande vermindering van zwavelemissies.

3

Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 1 en/of 2 van deze bijlage.

Inleiding

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.

2

De bijlage bevat grenswaarden voor NOx, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), en voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.x, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), en voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.

3

De tijdschema's voor het toepassen van de grenswaarden in deze bijlage zijn vastgelegd in bijlage VII.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

Personenauto's en lichte voertuigen

4

Grenswaarden voor motorvoertuigen met ten minste vier wielen, die gebruikt worden voor het vervoer van personen (categorie M) en goederen (categorie N), zijn vermeld in tabel 1.

Zware voertuigen

5

Grenswaarden voor motoren van zware voertuigen zijn vermeld in de tabellen 2 en 3 naar gelang van de toepasselijke testprocedures.

Motorfietsen en bromfietsen

6

Grenswaarden voor motorfietsen en bromfietsen zijn vermeld in tabel 6 en tabel 7.

Motorfietsen en bromfietsen

7

Grenswaarden voor landbouw- en bosbouwtractoren en andere motoren van niet voor de openbare weg bestemde voertuigen/machines zijn vermeld in de tabellen 4 en 5. Fase I (tabel 4) is gebaseerd op ECE-reglement 96, Uniform provisions concerning the approval of compression-ignition (C.I.) engines to be installed in agricultural and forestry tractors with regard to the emissions of pollutants by the engine.

Brandstofkwaliteit

8

Ecologische kwaliteitsspecificaties voor benzine en diesel zijn vermeld in de tabellen 8 tot en met 11.

Tabel 1:Grenswaarden voor personenauto's en lichte voertuigen

Referent iemassa (RW) (kg) Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden Grenswaarden
Referent iemassa (RW) (kg) Koolstofmonoxide Koolstofmonoxide Kool-waterstoffen Kool-waterstoffen Stikstofoxiden Stikstofoxiden Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Deeltjesa
Categorie Categorie Klasse Toe te passen vanafb L1 (g/km)g L1 (g/km)g L2 (g/km) L2 (g/km) L3 (g/km) L3 (g/km) L2+L3 (g/km) L2+L3 (g/km) L4 (g/km)
benzine diesel benzine diesel benzine diesel benzine diesel diesel
A Mc 1-1-2001 Alleg 2,3 0,64 0,20 0,15 0,50 0,56 0,05
N1d I 1-1-2001e RW ≤ 1305 2,3 0,64 0,20 0,15 0,50 0,56 0,05
II 1-1-2002 1305 < RW ≤ 1760 4,17 0,80 0,25 0,18 0,65 0,72 0,07
III 1-1-2002 1760 < RW 5,22 0,95 0,29 0,21 0,78 0,86 0,10
B Mc 1-1-2006 alle 1,0 0,50 0,10 0,08 0,25 0,30 0,025
N1d I 1-1-2006f RW ≤ 1305 1,0 0,50 0,10 0,08 0,25 0,30 0,025
II 1-1-2007 1305 < RW ≤ 1760 1,81 0,63 0,13 0,10 0,33 0,39 0,04
III 1-1-2007 1760 < RW 2,27 0,74 0,16 0,11 0,39 0,46 0,06
a)

Voor motoren met compressieontsteking.

b)

De registratie, verkoop of ingebruikneming van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan de respectieve grenswaarden, wordt geweigerd per de in deze kolom genoemde datums en typegoedkeuring hoeft niet langer gegarandeerd te zijn vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums.

c)

Uitgezonderd voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.500 kg.

d)

En de voertuigen uit categorie M omschreven in noot c.

e)

1-1-2002 voor de voertuigen uit categorie M nader omschreven in noot c.

f)

1-1-2007 voor de voertuigen uit categorie M nader omschreven in noot c.

g)

Tot 1 januari 2003 worden voertuigen in deze categorie die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking en niet voor de openbare weg bestemd zijn, en voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.000 kg die ontworpen zijn om meer dan zes inzittenden te vervoeren, met inbegrip van de bestuurder, beschouwd als voertuigen van categorie N1, klasse III, in rij A.

Tabel 2:Grenswaarden voor zware voertuigen – ESC-tests (European steady-state cycle) en ELR-tests (European load-response)

Rij Toe te passen vanafa Koolstof-monoxide (g/kWh) (g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjes (g/kWh) Rook (m-1)
A 1-10-2001 2,1 0,66 5,0 0,10 / 0,13b 0,8
B1 1-10-2006 1,5 0,46 3,5 0,02 0,5
B2 1-10-2009 1,5 0,46 2,0 0,02 0,5

a Met ingang vanaf de vermelde datums en met uitzondering van voertuigen en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, en van vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen, verbieden Partijen de registratie, verkoop, ingebruikneming of het gebruik van nieuwe voertuigen die worden aangedreven door een motor met compressieontsteking of een gasmotor en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking of gasmotoren als hun emissies niet voldoen aan de respectieve grenswaarden. Vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums kan typegoedkeuring worden geweigerd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan.

b Voor motoren met een cilinderinhoud van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominale vermogenssnelheid van meer dan 3.000 omwentelingen per minuut.

Tabel 3:Grenswaarden voor zware voertuigen – ETC-test (European Transient Cycle)a)

Rij Toe te passen vanafb Koolstof-monoxide (g/kWh) Koolwaterstoffen uitgezonderd methaan (g/kWh) Methaanc(g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjesd
A (2000) 1-10-2001 5,45 0,78 1,6 5,0 0,16 / 0,21e
B1 (2005) 1-10-2006 4,0 0,55 1,1 3,5 0,03
B2 (2008) 1-10-2009 4,0 0,55 1,1 2,0 0,03
a)

De omstandigheden voor de controle op de aannemelijkheid van de ETCtests bij het meten van de emissies van gasmotoren ten opzichte van de grenswaarden die van toepassing zijn in rij A, worden opnieuw onderzocht en, voorzover noodzakelijk, gewijzigd in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEC.

b)

Vanaf de vermelde datums en met uitzondering van voertuigen en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, en van vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen, verbieden Partijen de registratie, verkoop, ingebruikneming of het gebruik van nieuwe voertuigen die worden aangedreven door een motor met compressieontsteking of een gasmotor en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking of gasmotoren als hun emissies niet voldoen aan de respectieve grenswaarden. Vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums kan typegoedkeuring worden geweigerd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan.

c)

Alleen voor aardgasmotoren.

d)

Niet van toepassing op gasmotoren in fase A en fasen B1 en B2.

e)

Voor motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominale toerental van meer dan 3.000 omwentelingen per minuut.

Tabel 4:Grenswaarden (fase I) voor dieselmotoren van mobiele, niet voor de openbare weg bestemde machines (meetprocedure ISO 8178)

Netto-vermogen (P)(kW) Toe te passen vanafa Kool-stof-mono-xide (g/kWh) Kool-water-stoffen (g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P < 560 31-12-1998 5,0 1,3 9,2 0,54
75 ≤ P < 130 31-12-1998 5,0 1,3 9,2 0,70
37 ≤ P < 75 31-12-1998 6,5 1,3 9,2 0,85
a)

Vanaf de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, staan Partijen de registratie, voorzover van toepassing, en het in de handel brengen van nieuwe motoren, al of niet geïnstalleerd in machines, alleen toe als zij voldoen aan de in de tabel vermelde grenswaarden. Typegoedkeuring voor een motortype of -familie wordt met ingang van 30 juni 1998 geweigerd als niet voldaan wordt aan de grenswaarden.

Noot: Dit zijn motor-uit-grenswaarden waaraan voldaan moet worden voordat de gassen een katalysator of een andere reinigingsvoorziening in de uitlaat bereiken.

Tabel 5:Grenswaarden (fase II) voor dieselmotoren van mobiele, niet voor de openbare weg bestemde machines (meetprocedure ISO 8178)

Netto-vermogen (P) (kW) Toe te passen vanafa Koolstof-monoxide (g/kWh) Kool-water-stoffen (g/kWh) Stikstof-oxiden (g/kWh) Deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P < 560 31-12-2001 3,5 1,0 6,0 0,2
75 ≤ P < 130 31-12-2002 5,0 1,0 6,0 0,3
37 ≤ P < 75 31-12-2003 5,0 1,3 7,0 0,4
18 ≤ P < 37 31-12-2000 5,5 1,5 8,0 0,8
a)

Met ingang van de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn in dit Protocol, staan Partijen de registratie, voorzover van toepassing, en het in de handel brengen van nieuwe motoren, al of niet geïnstalleerd in machines, alleen toe als zij voldoen aan de in de tabel vermelde grenswaarden. Typegoedkeuring voor een motortype of -familie wordt vanaf twaalf maanden voorafgaand aan deze datums geweigerd als niet voldaan wordt aan de grenswaarden.

Tabel 6:Grenswaarden voor motorfietsen en drie- en vierwielers (> 50 cm3; > 45 km/u) toe te passen vanaf 17 juni 1999a)

Motortype Grenswaarden
2-takt CO = 8 g/km HC = 4 g/km NOx = 0,1 g/km
4-takt CO = 13 g/km HC = 3 g/km NOx = 0,3 g/km
a)

Typegoedkeuring wordt geweigerd vanaf de vermelde datum als de emissies van het voertuig niet voldoen aan de grenswaarden.

Noot: Voor drie- en vierwielers moeten de grenswaarden vermenigvuldigd worden met 1,5.

Tabel 7:Grenswaarden voor bromfietsen (≤ 50 cm3; < 45 km/u);

Fase Toe te passen vanafa) Grenswaarden Grenswaarden
CO (g/km) HC + NOx (g/km)
I 17-61999 6,0b) 3,0b)
II 17-6-2002 1,0c) 1,2
a)

Typegoedkeuring wordt geweigerd vanaf de vermelde datums als de emissies van het voertuig niet voldoen aan de grenswaarden.

b)

Voor drie- en vierwielers geldt: vermenigvuldigen met 2.

c)

Voor drie- en vierwielers: 3,5 g/km.

Tabel 8:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met elektrische ontsteking

Type: Benzine

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Minimum Maximum Methodeb) Datum publicatie
RON-getal 95 EN 25164 1993
MON-getal 85 EN 25163 1993
Dampspanning volgens Reid, zomerperiodec) KPa 60 EN 12 1993
Distillatie:
verdampt bij 100 °C % (v/v) 46 EN-ISO 3405 1988
verdampt bij 150 °C % (v/v) 75
Koolwaterstoffen-analyse:
– olefinen % (v/v) 18,0d) ASTM D1319 1995
– aromaten 42 ASTM D1319 1995
– benzeen 1 project EN 12177 1995
Zuurstofgehalte % (m/m) 2,7 EN 1601 1996
Oxygenaten:
– Methanol (er moeten stabilisatoren worden toegevoegd) % (v/v) 3 EN 1601 1996
– Ethanol (stabilisatoren kunnen nodig zijn) % (v/v) 5 EN 1601 1996
– Isopropylalco-hol % (v/v) 10 EN 1601 1996
– Tert-butylalcohol % (v/v) (v/v) 7 EN 1601 1996
– Isobutylalcohol % (v/v) 10 EN 1601 1996
– Ethers met 5 of meer koolstofatomen per molecule % (v/v) 15 EN 1601 1996
Overige oxygenatene) % (v/v) 10 EN 1601 1996
Zwavelgehalte mg/kg 150 Project EN–ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden’’. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation to methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, ASTM: American Society for Testing and Materials, DIS: Draft international standard.

c)

De zomerperiode begint uiterlijk 1 mei en eindigt niet voor 30 september. Voor lidstaten met arctische omstandigheden begint de zomerperiode uiterlijk 1 juni en eindigt zij niet voor 31 augustus en bedraagt de dampspanning volgens Reid maximaal 70 kPa.

d)

Behalve voor gewone loodvrije benzine (MON-getal minimaal 81 en RONgetal minimaal 91), waarvoor het olefinegehalte maximaal 21% (v/v) is. Deze grenzen vormen geen belemmering voor het op de markt van een lidstaat brengen van een andere loodvrije benzine met octaangetallen die lager zijn dan hier vermeld.

e)

Overige mono-alcoholen waarvan het distillatie-eindpunt niet hoger is dan het distillatie-eindpunt dat vastgesteld is in nationale specificaties of, zo deze ontbreken, in industriële specificaties voor motorbrandstoffen.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 8. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor het zwavelgehalte in tabel 8, maar die het huidige gehalte niet overschrijdt, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het vóór 1 januari 2000 doorvoeren van de noodzakelijke veranderingen in de fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2003. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

Tabel 9:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking

Type: Dieselbrandstof

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Mini-mum Maxi-mum Methodeb) Datum publicatie
Cetaangetal 51 EN-ISO 5165 1992
Dichtheid bij 15 °C kg/m3 845 EN-ISO 3675 1995
Distillatiepunt: 95% C 360 EN-ISO 3405 1988
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen % (m/m) 11 IP 391 1995
Zwavelgehalte Mg/kg 350 Project EN–ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, IP: The Institute of Petroleum, DIS: Draft international standard.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts dieselolie in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 9. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van diesel met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 9, maar die het huidige gehalte niet overschrijdt, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het vóór 1 januari 2000 doorvoeren van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2003. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

Tabel 10:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met elektrische ontsteking

Type: Benzine

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Mini-mum Maxi-mum Methodeb) Datum publi-catie
RON-getal 95 EN 25164 1993
MON-getal 85 EN 5163 1993
Dampspanning, zomerperiode kPa
Distillatie:
Verdampt bij 100 °C % (v/v)
Verdampt bij 150 °C
Koolwaterstoffen-analyse:
– olefinen % (v/v)
– aromaten % (v/v) 35 ASTM D1319 1995
– benzeen % (v/v)
Zuurstofgehalte % (m/m)
Zwavelgehalte mg/kg 50 project EN-ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, ASTM: American Society for Testing and Materials, DIS: Draft international standard.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 10. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 10, maar die niet voldoet aan tabel 8, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën om met betrekking tot het doorvoeren vóór 1 januari 2005 van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007. In dat geval moet de Partij in een verklaring, die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

Tabel 11:Milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen die worden gebruikt voor voertuigen die uitgerust zijn met motoren met compressieontsteking

Type: Dieselbrandstof

Parameter Een-heid Grenzena) Grenzena) Test Test
Mini-mum Maxi-mum Methodeb) Datum publicatie
Cetaangetal
Dichtheid bij 15 °C kg/m3
Distillatiepunt: 95% C
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen % (m/m)
Zwavelgehalte mg/kg - 50 project EN-ISO/DIS 14596 1996
a)

De in de specificatie genoemde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO 4259 Petroleum Products – Determination and application of precision data in relation tot methods of test en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimumverschil van 2R boven nul rekening gehouden (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in ISO 4259 (gepubliceerd in 1995) gegeven criteria.

b)

EN: Europese norm, DIS: Draft international standard.

Noot: De Partijen zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van tabel 11. Wanneer een Partij vaststelt dat het verbieden van benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan de specificaties voor zwavelgehalte in tabel 11, maar die wel voldoet aan tabel 9, ernstige problemen zou opleveren voor haar industrieën met betrekking tot het doorvoeren vóór 1 januari 2005 van de noodzakelijke veranderingen in hun fabrieken, kan zij de termijn voor het in de handel brengen binnen haar grondgebied verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007. In dat geval moet de Partij in een verklaring die samen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding moet worden neergelegd, uitdrukkelijk vermelden dat zij voornemens is de termijn te verlengen en het Uitvoerend Orgaan schriftelijk inlichten over de redenen daarvoor.

B. Canada

9

Nieuwe emissienormen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware voertuigen, zware motoren en motorfietsen: Motor Vehicle Safety Act (en opvolgende wetgeving), bijlage V van de Motor Vehicle Safety Regulations: Vehicle Emissions (Standard 1100), SOR/97-376, (28 juli 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

10

Canadian Environmental Protection Act, Diesel Fuel Regulations, SOR/97-110 (4 februari 1997, zwavel in dieselbrandstof), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

11

Canadian Environmental Protection Act, Benzene in Gasoline Regulations, SOR/97-493 (6 november 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.493 (6 november 1997), zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

12

Canadian Environmental Protection Act, Sulphur in Gasoline Regulations, Canada Gazette, Deel II, 4 juni 1999, zoals van tijd tot tijd gewijzigd.

13

Uitvoering van een programma voor emissie van mobiele bronnen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware vrachtwagens en brandstoffen in de mate die vereist is door secties 202 (a), 202 (g) en 202 (h) van de Clean Air Act, zoals geïmplementeerd door:

1

De Partijen die onderworpen zijn aan de verplichtingen in artikel 3, lid 8, onder a, treffen de maatregelen die in deze bijlage omschreven staan.

2

Elke Partij houdt naar behoren rekening met de noodzaak om verliezen uit de gehele stikstofkringloop te verminderen.

B. Meststoffen met ureum en ammoniumcarbonaat

3

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, wordt door die Partij een gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de beheersing van ammoniakemissies vastgesteld en vervolgens gepubliceerd en verspreid. De code houdt rekening met de specifieke omstandigheden binnen het grondgebied van de Partij en bevat voorschriften omtrent:

De Partijen geven aan de code een zodanige titel dat verwarring met andere codes wordt vermeden.

B. Meststoffen met ureum en ammoniumcarbonaat

4

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, neemt die Partij die stappen die haalbaar zijn om ammoniakemissies door gebruik van vaste mest op ureumbasis te beperken.

5

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, verbiedt die Partij het gebruik van meststoffen met ammoniumcarbonaat.

C. Toepassing meststoffen

6

Elke Partij dient erop toe te zien dat toepassingstechnieken voor drijfmest met geringe emissie (zoals vermeld in Guidance Document V, dat door het Uitvoerend Orgaan op zijn zeventiende zitting aangenomen is (besluit 1999/1) en eventuele wijzigingen daarop), waarvan aangetoond is dat ze de emissies in vergelijking met de omschreven referentie in dat guidance document met ten minste 30% verminderen, gebruikt worden voorzover de Partij in kwestie ze van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden, het type drijfmest en de structuur van het landbouwbedrijf. De tijdschema's voor toepassing van deze maatregelen zijn: 31 december 2009 voor Partijen met overgangseconomieën en 31 december 2007 voor de overige Partijen.1)Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 6 en/of 9 van deze bijlage.

7

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij erop toe te zien dat vaste meststoffen die toegepast zijn op land dat moet worden geploegd, binnen ten minste 24 uur na het verspreiden verwerkt worden voorzover zij deze maatregel van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden en de structuur van het landbouwbedrijf.

D

8

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe drijfmestoplaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) opslagsystemen of opslagtechnieken met geringe emissies te gebruiken, waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 40% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.

9

Voor bestaande drijfmestopslaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) dient een Partij emissiereducties van 40% te behalen voorzover de Partij de noodzakelijke technieken technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord acht.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. De tijdschema's voor toepassing van deze maatregelen zijn: 31 december 2009 voor Partijen met overgangseconomieën en 31 december 2007 voor alle overige Partijen.1)Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder „een land met een overgangseconomie" verstaan een Partij die bij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft verklaard dat zij behandeld wil worden als een land met een overgangseconomie voor de toepassing van punt 6 en/of 9 van deze bijlage.

E. Dierenverblijven

10

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe dierenverblijven bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) verblijfssystemen te gebruiken waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 20% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. Toepasbaarheid kan beperkt zijn om redenen van dierenwelzijn, bijvoorbeeld in op stro gebaseerde systemen voor varkens alsmede vogelverblijven en scharrelsystemen voor pluimvee.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.

DONE at Gothenburg (Sweden), this thirtieth day of November one thousand nine hundred and ninety-nine.

Artikel 3 bis. Flexibele overgangsregelingen
1.

Niettegenstaande artikel 3, tweede, derde, vijfde en zesde lid, mag een Partij bij het Verdrag die tussen 1 januari 2013 en 31 december 2019 Partij wordt bij het onderhavige Protocol, flexibele overgangsregelingen toepassen voor de implementatie van de in de bijlagen VI en/of VIII gespecificeerde grenswaarden met inachtneming van de in dit artikel vervatte voorwaarden.

2.

Een Partij die kiest voor toepassing van de flexibele overgangsregelingen ingevolge dit artikel dient in haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol het volgende te vermelden:

3.

Een implementatieplan ingevolge het tweede lid, onderdeel b. dient ten minste te voorzien in de implementatie van de grenswaarden voor nieuwe en bestaande stationaire bronnen gespecificeerd in de tabellen 1 en 5 van bijlage VI en de tabellen 1, 2, 3, 13 en 14 van bijlage VIII, uiterlijk acht jaar na de inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij of 31 december 2022, afhankelijk van welke datum eerder valt.

4.

In geen geval mag een Partij de implementatie van grenswaarden voor bestaande en nieuwe stationaire bronnen genoemd in bijlage VI of VIII uitstellen tot na 31 december 2030.

5.

Een Partij die besluit de flexibele overgangsregelingen ingevolge dit artikel toe te passen, verstrekt de uitvoerend secretaris van de Commissie een driejaarlijks rapport van haar voortgang bij de implementatie van bijlage VI en/of bijlage VIII. De uitvoerend secretaris van de Commissie stelt deze driejaarlijkse rapporten beschikbaar aan het Uitvoerend Orgaan.

Artikel 13 bis. Wijzigingen
1.

Elke Partij kan wijzigingen van het onderhavige Protocol voorstellen.

2.

Voorgestelde wijzigingen worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Commissie, die ze aan alle Partijen bekendmaakt. De Partijen bespreken de voorgestelde wijzigingen op de eerstvolgende zitting van het Uitvoerend Orgaan, mits deze voorstellen ten minste negentig dagen van tevoren door de uitvoerend secretaris aan de Partijen toegezonden zijn.

3.

Wijzigingen van het onderhavige Protocol anders dan van de bijlagen I en III worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan en treden voor de Partijen die ze hebben aanvaard op de negentigste dag na de datum waarop twee derden van de Partijen die op het tijdstip van de aanneming ervan Partij waren en hun akten van aanvaarding ervan bij de depositaris hebben nedergelegd in werking.

Wijzigingen treden voor elke andere Partij op de negentigste dag na de datum waarop die Partij haar akte van aanvaarding ervan heeft nedergelegd in werking.

4.

Wijzigingen van de bijlagen I en III bij het onderhavige Protocol worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan. Na het verstrijken van honderdtachtig dagen na de datum van kennisgeving ervan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie, wordt een wijziging van een dergelijke bijlage van kracht voor de Partijen die geen kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen van het vijfde lid bij de depositaris hebben ingediend, mits ten minste zestien Partijen een dergelijke kennisgeving niet hebben ingediend.

5.

Een Partij die een wijziging van bijlage I en/of III niet kan goedkeuren, stelt de depositaris binnen negentig dagen na de datum van de bekendmaking van de aanneming daarvan schriftelijk in kennis. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van elke ontvangen kennisgeving. Een Partij kan haar eerdere kennisgeving te allen tijde vervangen door een aanvaarding en bij de nederlegging bij de depositaris van een akte van aanvaarding wordt de wijziging van die bijlage voor die Partij van kracht.

6.

Voor de Partijen die haar hebben aanvaard treedt de procedure vervat in het zevende lid in de plaats van de procedure vervat in het derde lid met betrekking tot wijzigingen van de bijlagen IV tot en met XI.

7.

Wijzigingen van de bijlagen IV tot en met XI worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan. Na het verstrijken van een jaar na de datum van de bekendmaking ervan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie, wordt een wijziging van een dergelijke bijlage van kracht voor die Partijen die geen kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen van onderdeel a bij de depositaris hebben ingediend:

Artikel 18 bis. Beëindiging van Protocollen

Wanneer alle Partijen bij een van de volgende Protocollen hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot het onderhavige Protocol bij de depositaris hebben nedergelegd in overeenstemming met artikel 15, wordt het betreffende Protocol als beëindigd beschouwd:

I. KRITISCHE BELASTING INZAKE VERZURING

A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP

1

De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) inzake verzuring voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends”, („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”). Het is de maximale hoeveelheid verzurende depositie die een ecosysteem op lange termijn kan verdragen zonder geschaad te worden. Voor de kritische belasting inzake verzuring door stikstof wordt rekening gehouden met stikstofverwijderende processen binnen het ecosysteem (bijvoorbeeld opname door planten). Kritische belastingswaarden inzake verzuring door zwavel zijn waarden die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen hebben voor de structuur en functies van ecosystemen. Voor een gecombineerde kritische belasting inzake verzuring door zwavel en stikstof wordt alleen rekening gehouden met stikstof wanneer de stikstofdepositie groter is dan de stikstofverwijderende processen van het ecosysteem, zoals opname door vegetatie. Alle door Partijen gemelde en door het Uitvoerend Orgaan goedgekeurde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in de geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in bijlage II.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

2

In Canada worden kritische belastingswaarden voor zuurdepositie en de geografische gebieden waar deze worden overschreden voor meren en bos-ecosystemen in bergregio’s vastgesteld en in kaart gebracht met wetenschappelijke methodologieën en criteria die vergelijkbaar zijn met die in de bij het Verdrag horende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Kritische belastingswaarden voor totaal zwavel plus stikstof en de overschrijdingsniveaus zijn in heel Canada in kaart gebracht (ten zuiden van 60° noorderbreedte) en worden uitgedrukt in zuur-equivalenten per hectare per jaar (eq/ha/yr) (2004 Canadian Acid Deposition Science Assessment; 2008 Canadian Council of Ministers of the Environment). De provincie Alberta heeft de generieke classificatiesystemen voor kritische belasting inzake potentiële verzuring aanvaard die in Europa voor bodems worden gebruikt teneinde bodems te kunnen aanmerken als zeer gevoelig, matig gevoelig en ongevoelig voor zuurdepositie. Kritische streef- en monitoringsbelastingen zijn voor elke bodemklasse gedefinieerd en beheermaatregelen zijn voorgeschreven ingevolge het Alberta Acid Deposition Management Framework, al naargelang van toepassing.

3

Deze belastingswaarden en gevolgen worden gebruikt voor geïntegreerde evaluatie-activiteiten, waaronder het aanleveren van gegevens voor internationale inspanningen voor het evalueren van de reactie van het ecosysteem op de belasting van verzurende verbindingen, en bieden een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor Canada in bijlage II.

4

Voor de Verenigde Staten van Amerika worden de gevolgen van verzuring beoordeeld door het evalueren van de gevoeligheid van ecosystemen voor en de reactie ervan op de belasting van verzurende verbindingen, gebruikmakend van peer-reviewed wetenschappelijke methodologieën en criteria, en rekening houdend met de onzekerheden in verband met stikstofcycli(ussen) in ecosystemen. Bij het vaststellen van secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor NOx en SO2 wordt vervolgens rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor vegetatie en ecosystemen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

5

De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) met stikstofnutriënten (eutrofiëring) voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende “Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Het is de maximale hoeveelheid depositie van eutrofiërende stikstof die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen heeft voor de structuur en functies van ecosystemen. Alle door Partijen gemelde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in bijlage II.

III. KRITISCHE NIVEAUS VAN OZON

A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP

6

Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ozon worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met het bij het Verdrag behorende („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Zij worden uitgedrukt in termen van de cumulatieve waarde van stomataire stromen of concentraties boven het bladerdak. Kritische niveaus worden bij voorkeur gebaseerd op stomataire stromen omdat deze biologisch relevanter worden geacht aangezien hierbij rekening wordt gehouden met veranderingen in de opname van ozon door vegetatie onder invloed van klimaat, bodem en planten.

7

Voor een aantal soorten gewassen, (semi-)natuurlijke vegetatie en bosbomen zijn kritische ozonniveaus afgeleid. De gekozen kritische niveaus hebben betrekking op de belangrijkste milieueffecten zoals het verlies van voedselzekerheid, verminderde koolstofopslag in de levende biomassa van bomen en bijkomende nadelige gevolgen voor het bos- en (semi-)natuurlijke ecosystemen.

8

Het voor de menselijke gezondheid kritische ozonniveau wordt vastgesteld overeenkomstig de Air Quality Guidelines van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om de menselijke gezondheid te beschermen tegen een scala van gezondheidseffecten, met inbegrip van een verhoogd risico op vroegtijdig overlijden en ziekten.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

9

Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van ozon. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende ozonconcentraties. De Canadian Ambient Air Quality Standard for ozone (Canadese kwaliteitsnorm voor omgevingslucht voor ozon) is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.

10

Voor de Verenigde Staten van Amerika worden kritische niveaus vastgesteld in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor ozon ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn met inbegrip van vegetatie tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de kwaliteitsnormen voor lucht worden gebruikt ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

IV. Kritische niveaus van zwevende deeltjes

A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP

11

Het kritische niveau van zwevende deeltjes voor de menselijke gezondheid wordt overeenkomstig de WHO Air Quality Guidelines vastgesteld als de massaconcentratie van PM2,5. Het bereiken van het niveau uit de WHO-richtlijnen zorgt naar verwachting voor een doeltreffende vermindering van de gezondheidsrisico’s. De PM2,5-concentratie op de lange termijn, uitgedrukt als een jaarlijks gemiddelde, is evenredig aan het gezondheidsrisico, met inbegrip van een vermindering van de levensverwachting. Deze indicator wordt gebruikt in geïntegreerde modellen om een richtlijn voor emissiereductie te bieden. Naast het jaarlijkse richtlijnniveau wordt een richtlijnniveau voor de korte termijn (gemiddelde over 24 uur) gedefinieerd ter bescherming tegen verontreinigingspieken die een aanzienlijke impact hebben op het ziektecijfer of sterftecijfer.

B. Voor Partijen in Noord-Amerika

12

Voor Canada is het wel te verstaan dat er geen onderdrempel is voor gevolgen voor de menselijke gezondheid als gevolg van zwevende deeltjes. Er zijn namelijk nadelige gevolgen geobserveerd bij alle in Canada voorkomende concentraties zwevende deeltjes. De Canadese nationale norm voor zwevende deeltjes is ingesteld ter ondersteuning van beleidsinspanningen op nationaal niveau, en door rechtsgebieden, om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu aanzienlijk te verminderen.

13

Voor de Verenigde Staten zijn kritische niveaus in de vorm van primaire en secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor zwevende deeltjes bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn (met inbegrip van zichtbaarheid en door mensen gemaakte materialen) tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.

V. Kritische niveaus van ammoniak

14

Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ammoniak worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”.

VI. Aanvaardbare niveaus van luchtverontreinigende stoffen om materialen te beschermen

15

Aanvaardbare niveaus van verzurende verontreinigende stoffen, ozon en zwevende deeltjes worden bepaald ter bescherming van materialen en cultureel erfgoed in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. De aanvaardbare niveaus van verontreinigende stoffen betreffen de maximale blootstelling die een materiaal op lange termijn kan verdragen zonder dat er schade ontstaat die groter is dan de hierboven gespecificeerde corrosiesnelheden. Deze schade, die kan worden berekend aan de hand van beschikbare dosis-effectfuncties, is het resultaat van verschillende verontreinigende stoffen die in verschillende combinaties samen een uitwerking hebben die afhankelijk is van het materiaal: zuurtegraad (zwaveldioxide (SO2), salpeterzuur (HNO3)), ozon en zwevende deeltjes.

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) verstaan de hoeveelheid SO2 (of SOx in voorkomend geval) in de afgassen uit een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa SO2 (SOx, uitgedrukt in SO2) per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.

3

Naleving van de EGW, minimum ontzwavelingspercentages, zwavelterugwinningsrendementen en grenswaarden voor zwavelgehaltes wordt geverifieerd:

4

Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters, en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de normen van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN). Indien CEN-normen ontbreken, zijn de normen van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO), nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit.

5

In de volgende onderdelen worden bijzondere bepalingen vermeld voor de in lid 7 bedoelde verbrandingsinstallaties:

6

De Partijen kunnen regels toepassen die verbrandings- en verwerkingsinstallaties in een aardolieraffinaderij vrijstellen van naleving van de afzonderlijke grenswaarden voor SO2 zoals vervat in deze bijlage, mits zij voldoen aan een grenswaarde voor de SO2-bubble die is vastgesteld op basis van de best beschikbare technieken.

7

Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen hoger dan 50 MWth:1)Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale thermische ingangsvermogen.

Brandstoftype Thermisch ingangsvermogen (MWth) EGW voor SO2 mg/m3 2)
Vaste brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties: 400 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa)
Bestaande installaties: 400 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa)
100–300 Nieuwe installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa)
Bestaande installaties: 250 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 300 (turf) 200 (biomassa)
>300 Nieuwe installaties: 150 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) (FBC: 200) 150 (turf) (FBC: 200) 150 (biomassa)
Bestaande installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 200 (turf) 200 (biomassa)
Vloeibare brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties: 350 Bestaande installaties: 350
100–300 Nieuwe installaties: 200 Bestaande installaties: 250
>300 Nieuwe installaties: 150 Bestaande installaties: 200
Gasvormige brandstoffen algemeen >50 Nieuwe installaties: 35 Bestaande installaties: 35
Vloeibaar gas >50 Nieuwe installaties: 5 Bestaande installaties: 5
Cokesovengas of hoogovengas >50 Nieuwe installaties: 200 voor hoogovengas 400 voor cokesovengas
Bestaande installaties: 200 voor hoogovengas 400 voor cokesovengas
Vergaste raffinageresiduen > 50 Nieuwe installaties: 35 Bestaande installaties: 800

Noot: FBC: wervelbedverbranding (circulerend, onder druk, borrelend).

8

Gasolie:

Zwavelgehalte (procent per gewicht)
Gasolie < 0,10
9

Aardolie- en gasraffinaderijen:

Zwavelterugwinningseenheden: voor installaties die meer dan 50 mg zwavel per dag produceren:

Type installatie Minimum zwavelterugwinningsrendement1) (%)
Nieuwe installatie 99,5
Bestaande installatie 98,5
10

Productie van titaniumdioxide:

Type installatie EGW voor SOx (uitgedrukt in SO2) (kg/t TiO2)
Sulfaatproces, totale emissie 6
Chlorideproces, totale emissie 1,7

B. Canada

11

Grenswaarden voor het beheersen van zwaveldioxide-emissies voor stationaire bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:

C. Verenigde Staten van Amerika

12

Grenswaarden voor het beheersen van zwaveldioxide-emissies uit stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) verstaan de hoeveelheid NOx (de som van NO en NO2, uitgedrukt in NO2) in de afgassen uit een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa NOx per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.

3

Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen van NOx of door berekeningen of een combinatie van beide waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt.

Naleving van de EGW wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. Bij ononderbroken metingen worden de EGW nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de emissie de grenswaarden niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende procedures voor vaststelling of berekening, worden de EGW nageleefd indien de gemiddelde waarde gebaseerd op een passend aantal metingen onder representatieve omstandigheden de EGW niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden.

4

Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit.

5

Bijzondere bepalingen voor verbrandingsinstallaties bedoeld in paragraaf 6:

6

Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen hoger dan 50 MWth:2)Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale ingangsvermogen.

Brandstoftype Thermisch ingangsvermogen (MWth) EGW voor NOx (mg/m3) 2)
Vaste brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties: 300 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 450 (bruinkoolstof) 250 (biomassa, turf)
Bestaande installaties: 300 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 450 (bruinkoolstof) 300 (biomassa, turf)
100–300 Nieuwe installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 200 (biomassa, turf)
Bestaande installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 250 (biomassa, turf)
>300 Nieuwe installaties: 150 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) (algemeen) 150 (biomassa, turf) 200 (bruinkoolstof)
Bestaande installaties: 200 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen) 200 (biomassa, turf)
Vloeibare brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties: 300
Vloeibare brandstoffen Bestaande installaties: 450
100–300 Nieuwe installaties: 150
Bestaande installaties: 200 (algemeen) Bestaande installaties binnen raffinaderijen en chemische installaties:
450 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties en voor het verstoken van vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof)
>300 Nieuwe installaties: 100
Bestaande installaties: 150 (algemeen) Bestaande installaties binnen raffinaderijen en chemische installaties:
450 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties en voor het verstoken van vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof (< 500 MWth))
Aardgas 50–300 Nieuwe installaties: 100
Bestaande installaties: 100
>300 Nieuwe installaties: 100
Bestaande installaties: 100
Overige gasvormige brandstoffen >50 Nieuwe installaties: 200
Overige gasvormige brandstoffen Bestaande installaties: 300
7

Verbrandingsturbines te land met een nominaal thermisch vermogen hoger dan 50 MWth: de NOx-grenswaarden uitgedrukt in mg/m3 (met een O2-gehalte van 15%) gelden voor een enkele turbine. De EGW in tabel 2 zijn alleen van toepassing bij een belasting van boven 70%.

Brandstoftype Thermisch ingangsvermogen (MWth) EGW voor NOx mg/m3 1)
Vloeibare brandstoffen (lichte en middeldestillaten) > 50 Nieuwe installaties: 50 Bestaande installaties: 90 (algemeen) 200 (installaties met minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar)
Aardgas2) > 50 Nieuwe installaties: 50 (algemeen)3) Bestaande installaties: 50 (algemeen)3), 4) 150 (installaties met minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar)
Overige gassen > 50 Nieuwe installaties: 50 Bestaande installaties: 120 (algemeen) 200 (installaties met minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar)
8

Cementproductie:

Type installatie EGW voor NOx (mg/m3)
Algemeen (bestaande en nieuwe installaties) 500
Bestaande Lepol-ovens en lange draaitrommelovens waarin geen coverbranding van afval plaatsvindt. 800

1) Installaties voor de productie van cementklinker in draaitrommelovens met een capaciteit van > 500 Mg/dag of in andere ovens met een capaciteit van > 50 Mg/dag. Het O2-referentiegehalte is 10%.

9

Stationaire motoren:

Motortype, aandrijving, brandstofspecificatie EGW1),2),3) (mg/m3)
Gasmotoren > 1 MWth
Motoren met vonkontsteking (=Otto), alle gasvormige brandstoffen 95 (verbeterde arm-mengselmotoren) 190 (standaard arm-mengselmotoren of rijk-mengselmotoren met katalysator)
Dual-fuelmotoren > 1 MWth
In de gasmodus (alle gasvormige brandstoffen) In de vloeibare-brandstofmodus (alle vloeibare brandstoffen)4) 190
1–20 MWth 225
>20 MWth 225
Dieselmotoren > 5 MWth (compressieontsteking)
Laag (< 300 rpm)/ Gemiddeld (300–1.200 rpm)/ toerental
5–20 MWth
Zware stookolie (HFO) en bio-oliën 225
Lichte stookolie (LFO) en aardgas (NG) 190
>20 MWth
HFO en bio-oliën 190
LFO en NG 190
Hoog toerental (>1.200 rpm) 190

Noot: Het O2-referentiegehalte is 15%.3)De conversiefactor voor de grenswaarden in dit Protocol (bij een zuurstofgehalte van 5%) is 2,66 (16/6).Derhalve komt de grenswaarde van:–190 mg/m3 bij 15% O2 overeen met 500 mg/m3 bij 5% O2;–95 mg/m3 bij 15% O2 overeen met 250 mg/m3 bij 5% O2;–225 mg/m3 bij 15% O2 overeen met 600 mg/m3 bij 5% O2;

10

Sinterinstallaties voor ijzererts:

Type installatie EGW voor NOx (mg/m3)
Sinterinstallaties: Nieuwe installatie 400
Sinterinstallaties: Bestaande installatie 400

1) Productie en bewerking van metalen: installaties voor het roosten of sinteren van metaalerts, installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting, met inbegrip van continugieten met een capaciteit van ten minste 2,5 Mg/uur, installaties voor het bewerken van ferrometalen (warmwalsen > 20 Mg/uur ruw staal).

2) Bij wijze van uitzondering op het derde lid dienen deze EGW beschouwd te worden als een gemiddelde over een langdurige periode.

11

Productie van salpeterzuur

Type installaties EGW voor NOx (mg/m3)
Nieuwe installaties 160
Bestaande installaties 190

B. Canada

12

Grenswaarden voor het beheersen van NOx emissies voor stationaire bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:

13

Grenswaarden voor het beheersen van NOx uit stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Deze afdeling van onderhavige bijlage heeft betrekking op de stationaire bronnen van VOS-emissies vermeld in de onderstaande paragrafen 8 tot en met 22. Installaties of delen van installaties voor het onderzoeken, ontwikkelen en testen van nieuwe producten en processen vallen hier niet onder.

Drempelwaarden zijn vermeld in onderstaande sectorspecifieke tabellen. Doorgaans verwijzen zij naar het oplosmiddelenverbruik of de emissiemassastroom. Wanneer één exploitant met dezelfde installatie op dezelfde locatie verschillende activiteiten verricht die onder dezelfde onderverdeling vallen, worden het oplosmiddelenverbruik of de emissiemassastroom van die activiteiten bij elkaar opgeteld. Als er geen drempelwaarde vermeld is, geldt de vermelde grenswaarde voor alle betrokken installaties.

3

Voor de toepassing van afdeling A van deze bijlage wordt verstaan onder:

4

Aan de volgende vereisten dient te worden voldaan:

5

De volgende EGW zijn van toepassing op afgassen die stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid:

6

Wanneer bij de in de paragrafen 9 tot en met 22 vermelde categorieën bronnen wordt aangetoond dat de diffuse-emissiegrenswaarde (EGWf) technisch en economisch niet haalbaar is voor een afzonderlijke installatie, kan een Partij voor die installatie ontheffing verlenen op voorwaarde dat er geen aanmerkelijke risico’s voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken.

7

De grenswaarden voor VOS-emissies voor de categorieën van bronnen die in paragraaf 3 staan omschreven zijn zoals aangegeven in de onderstaande paragrafen 8 tot en met 22.

8

Opslag en distributie van benzine:

Activiteit Drempelwaarde EGW of reductie-efficiency
Laden en lossen van mobiele containers bij terminals jaarlijks debiet 5.000 m3 benzine 10g VOS/m3 met inbegrip van methaan1)
Opslaginstallaties bij terminals Bestaande terminals of tankparken met een jaarlijks debiet van 10.000 Mg per jaar of meer. Nieuwe terminals (zonder grenswaarden, uitgezonderd terminals op kleine afgelegen eilanden met een debiet van minder dan 5.000 Mg per jaar). 95 wt-%2)
Benzinestations Debiet meer dan 100 m3 benzine per jaar 0.01wt-% van het debiet3)
Drempelwaarden Minimaal dampafvangrendement wt- %1)
Nieuw benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet meer dan 500 m3 per jaar bedraagt Bestaand benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet vanaf 2019 meer dan 3.000 m3 per jaar bedraagt, Gelijk aan of meer dan 85% wt-% met een damp/benzineverhouding gelijk aan of hoger dan 0,95 maar kleiner dan of gelijk aan 1,05 (v/v).
Bestaand benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet meer dan 500 m3 per jaar bedraagt en het benzinestation uitgebreid wordt gerenoveerd
9

Aanbrengen van lijmlagen:

Activiteit en grenswaarde EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Vervaardiging van schoeisel (oplosmiddelenverbruik > 5 Mg/jaar) 251) g VOS/paar schoenen
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWc = 50 mg2) C/m3
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Of totale EGW van 1,2 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg2) C/m3
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Of totale EGW van 1 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg3) C/m3
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Of totale EGW van 0,8 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen
10

Lamineren van hout en kunststof:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (per jaar)
Lamineren van hout en plastic (oplosmiddelenverbruik >5 Mg/jaar) Totale EGW voor 30 g VOS/m2 eindproduct
11

Coatingactiviteiten (Voertuigcoating-industrie)

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS1) (jaarlijks voor totale EGW)
Productie van auto’s (M1, M2) (oplosmiddelen- verbruik > 15 Mg/jaar en ≤ 5.000 gecoate items per jaar of > 3.500 gebouwde chassis) 90 g VOS/m2 of 1,5 kg/carrosserie + 70 g/m2
Productie van auto’s (M1, M2) (oplosmiddelen- verbruik 15–200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar Bestaande installaties: 60g VOS/m2 of 1,9 kg/carrosserie + 41 g/m2 Nieuwe installaties: 45 g VOS/m2 of 1,3 kg/carrosserie + 33 g/m2
Productie van auto's (M1, M2) (oplosmiddelen-verbruik >200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) 35 g VOS/m2 of 1 kg/carrosserie + 26 g/m22)
Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik >15 Mg/jaar en ≤ 5.000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 85 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 65 g VOS/m2
Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 75 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 55 g VOS/m2
Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) 55 g VOS/m2
Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik >15 Mg/jaar en ≤ 2.500 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 120 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 90 g VOS/m2
Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 2.500 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 90 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 70 g VOS/m2
Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 2.500 gecoate items per jaar) 50 g VOS/m2
Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar en ≤ 2000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 290 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 210 g VOS/m2
Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 2000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 225 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 150 g VOS/m2
Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 2000 gecoate items per jaar) 150 g VOS/m2
12

Coatingactiviteiten (coaten van metaal, textiel, stof, film, kunststof, papier en houten oppervlakken)

Activiteit en grenswaarde EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Coaten van hout (oplosmiddelen-verbruik 15–25 Mg/jaar) EGWc = 1001) mg C/m3 EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van hout (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van hout (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,75 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van metaal en kunststoffen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWc = 1001), 2) mg C/m3 EGWf = 252) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Overige coatings, waaronder textiel, stof, film en papier (uitgezonderd rotatiezeefdruk op textiel, zie drukken) (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWc = 1001), 2) mg C/m3 EGWf = 252) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Het coaten van textiel, stof, film en papier (uitgezonderd rotatiezeefdruk op textiel, zie drukken) (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2), 3) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van werkstukken van kunststof (oplosmiddelenverbruik 15 – 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,375 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van werkstukken van kunststof (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,35 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van metalen oppervlakken (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,375 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Uitzondering voor coatings die in aanraking komen met voedsel: Totale EGW van 0,5825 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van metalen oppervlakken (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,33 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Uitzondering voor coatings die in aanraking komen met voedsel: Totale EGW van 0,5825 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
13

Coating-activiteiten (coaten van leer en wikkeldraad)

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (jaarlijks voor totale EGW)
Coaten van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz. (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) Totale EGW van 150 g/m2
Coaten van overig leer (oplosmiddelenverbruik 10–25 Mg/jaar) Totale EGW van 85 g/m2
Coaten van overig leer (oplosmiddelenverbruik > 25 Mg/jaar) Totale EGW van 75 g/m2
Coaten van wikkeldraad (oplosmiddelen-verbruik > 5 Mg/jaar) Totale EGW van 10g/kg geldt voor installaties met een gemiddelde draaddiameter van ≤ 0,1 mm
Totale EGW van 5 g/kg geldt voor alle overige installaties
14

Coating-activiteiten (bandlakken):

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Bestaande installatie (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,45 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Bestaande installatie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,45 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Nieuwe installatie (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m31) EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,3 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Nieuwe installatie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,3 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
15

Chemisch reinigen:

Activiteit EGW voor VOS1),2) (jaarlijks voor totale EGW)
Nieuwe en bestaande installaties Totale EGW van 20 g VOS/kg
16

Vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Nieuwe en bestaande installaties met een oplosmiddelenverbruik tussen 100 en 1.000 Mg/jaar EGWc = 150 mg C/m3 EGWf1) = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Nieuwe en bestaande installaties met een oplosmiddelenverbruik > 1.000 Mg/jaar EGWc = 150 mg C/m3 EGWf1) = 3 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 3 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
17

Drukactiviteiten (flexografie, heat-set rotatie-offset, illustratierotatiediepdruk, enz.):

Activiteit en grenswaarde EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik 15–25 Mg/jaar) EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 30 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput1)
Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) Nieuwe en bestaande installaties EGWc = 20 mg C/m3 EGWf = 30 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput1)
Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik > 200 Mg/jaar) Nieuwe en verbeterde persen Totale EGW = 10 wt-% of minder van het inktverbruik1) Voor bestaande persen Totale EGW = 15 wt-% of minder van het inktverbruik1)
Illustratiedruk (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) Nieuwe installaties EGWc = 75 mg C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Voor bestaande installaties EGWc = 75 mg C/m3 EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,8 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Illustratiedruk (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) Voor nieuwe installaties Totale EGW = 5 wt-% of minder van het oplosmiddelenverbruik
Voor bestaande installaties Totale EGW = 7 wt-% of minder van het oplosmiddelenverbruik
verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik 15–25 Mg/jaar) EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,2 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) en rotatiezeefdruk (oplosmiddelenverbruik > 30 Mg/jaar) EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,0 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) Voor installaties waarin alle machines op oxidatie zijn aangesloten Totale EGW = 0,5 kg VOS/kg input vaste stof Voor installaties waarin alle machines op koolstofadsorptie zijn aangesloten Totale EGW = 0,6 kg VOS/kg input vaste stof Voor bestaande gecombineerde installaties waarbij sommige bestaande machines wellicht niet zijn aangesloten op een verbrander of terugwinning van oplosmiddelen:
Emissies van machines die zijn aangesloten op oxidatie-apparaten of koolstofadsorptie zijn lager dan de emissiegrenzen van respectievelijk 0,5 of 0,6 kg VOS/kg input van vaste stoffen Voor machines die niet zijn aangesloten op gaswassers: gebruik van producten die weinig of geen oplosmiddelen bevatten, aansluiting op een afgasbehandelingssysteem wanneer er overcapaciteit is en, bij voorkeur, werkzaamheden waarbij veel oplosmiddelen worden gebruikt uitvoeren op machines die op een afgasbehandelingssysteem zijn aangesloten. Totale emissies minder dan 1,0 kg VOS/kg input vaste stof
18

Vervaardigen van farmaceutische producten:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Nieuwe installaties (oplosmiddelenverbruik > 50 Mg/jaar) EGWc = 20 mg C/m31) ,2) EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput2)
Bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 50 Mg/jaar) EGWc = 20 mg C/ m3 1),3) EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput3)
19

Bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Nieuwe en bestaande installaties: bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar) EGWc = 20 mg C/m3 1) EGWf = 25 wt-% van oplosmiddeleninput2) Of totale EGW = 25 wt-% van oplosmiddeleninput

B. Canada

C. Verenigde Staten van Amerika

1

De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, zijn:

2

De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden voor brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, is de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie of de data die in verband staan met de maatregelen nader omschreven in bijlage VIII, afhankelijk van welke datum later valt.

3

De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden voor VOS in de in artikel 3, zevende lid, bedoelde producten, zijn één jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie.

4

Niettegenstaande het eerste, tweede en derde lid, maar met inachtneming van het vijfde lid, kan een Partij bij het Verdrag die tussen 1 januari 2013 en 31 december 2024 Partij wordt bij het onderhavige Protocol, bij bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol verklaren dat zij een of alle tijdschema's voor de toepassing van de in artikel 3, tweede, derde, vijfde en zevende lid bedoelde grenswaarden op de volgende wijze wil verlengen:

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

2

De bijlage bevat grenswaarden voor NOx, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, voor kooldioxide (CO) en voor zwevende deeltjes alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.

3

De tijdschema’s voor het toepassen van de grenswaarden in deze bijlage zijn vastgelegd in bijlage VII.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

Personenauto's en lichte voertuigen

4

Grenswaarden voor motorvoertuigen met ten minste vier wielen die gebruikt worden voor het vervoer van personen (categorie M) en goederen (categorie N), zijn vermeld in tabel 1.

Zware voertuigen

5

Grenswaarden voor motoren van zware voertuigen zijn vermeld in de tabellen 2 en 3 naargelang van de toepasselijke testprocedures.

Niet voor de weg bestemde voertuigen en machines met compressieontsteking (CI) of vonkontsteking (SI)

6

Grenswaarden voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en andere niet voor de weg bestemde voertuigen/motoren zijn vermeld in de tabellen 4 tot en met 6.

7

Grenswaarden voor locomotieven en railvoertuigen zijn vermeld in de tabellen 7 en 8.

8

Grenswaarden voor binnenvaartschepen zijn vermeld in tabel 9.

9

Grenswaarden voor pleziervaartuigen zijn vermeld in tabel 10.

10

Grenswaarden voor motorfietsen en bromfietsen zijn vermeld in de tabellen 11 en 12.

11

Ecologische kwaliteitsspecificaties voor benzine en diesel zijn vermeld in de tabellen 13 en 14.

Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1)
Koolmonoxide Koolmonoxide Totaal koolwaterstoffen (HC) Totaal koolwaterstoffen (HC) NMVOS NMVOS Stikstofoxiden Stikstofoxiden Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Zwevende deeltjes Zwevende deeltjes Aantal deeltjesa (P) Aantal deeltjesa (P)
Referentiemassa (RW) (kg) L1 (g/km) L1 (g/km) L2 (g/km) L2 (g/km) L3 (g/km) L3 (g/km) L4 (g/km) L4 (g/km) L2 + L4 (g/km) L2 + L4 (g/km) L5 (g/km) L5 (g/km) L6(#/km) L6(#/km)
Categorie Categorie Klasse, datum toepassing* Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel
M2) 1,1. 2014 Alle 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,18 0,23 0,0050 0,0050 6.0x10
N13) I, 1.1.2014 RW 1 305 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,18 0,23 0,0050 0,0050 6.0x1011
II, 1.1.2014 1 305 < RW≤ 1 760 1,81 0,63 0,13 0,090 0,075 0,235 0,295 0,0050 0,0050 6.0x1011
Euro 5 III, 1.1.2014 1 760 < RW 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,28 0,35 0,0050 0,0050 6.0x1011
N2 1.1.2014 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,28 0,35 0,0050 0,0050 6.0x1011
M2) 1.9.2015 Alle 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,08 0,17 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
N13) I, 1.9.2015 RW 1 305 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,08 0,17 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
II, 1.9.2016 1 305 < RW≤ 1 760 1,81 0,63 0,13 0,090 0,075 0,105 0,195 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
III, 1.9.2016 1 760 < RW 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,125 0,215 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
Euro 6 N2 1.9.2016 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,125 0,215 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
Toe te passen vanaf Koolstofmonoxide g/kWh Koolwaterstoffen g/kWh Totaal koolwaterstoffen g/kWh Stikstofoxiden g/kWh Zwevende deeltjes g/kWh Rook(m-1)
B2 („EURO V”)1) 1.10.2009 1,5 0,46 2,0 0,02 0,5
„EURO VI”2) 31.12.2013 1,5 0,13 0,40 0,010
Toe te passen vanaf* Koolstofmonoxide g/kWh Totaal Koolwaterstoffen g/kWh Koolwaterstoffen uitgezonderd methaan g/kWh Methaan1) g/kWh Stikstofoxiden g/kWh Deeltjes (g/kWh)2)
B2 „EURO V”3) 1.10.2009 4,0 0,55 1,1 2,0 0,030
„EURO VI” (CI)4) 31.12.2013 4,0 0,160 0,46 0,010
„EURO VI” (PI)4) 31.12.2013 4,0 0,160 0,50 0,46 0,010

Noot: PI = elektrische ontsteking CI = compressieontsteking

Nettovermogen (P) (kW) Toe te passen vanaf* Koolstofmonoxide g/kWh Koolwaterstoffen g/kWh Stikstofoxiden g/kWh Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P ≤ 560 31.12.2010 3,5 0,19 2,0 0,025
75 ≤ P < 130 31.12.2011 5,0 0,19 3,3 0,025
56 ≤ P < 75 31.12.2011 5,0 0,19 3,3 0,025
37 ≤ P < 56 31.12.2012 5,0 4,71) 4,71) 0,025
Nettovermogen (P) (kW) Toe te passen vanaf* Koolmonoxide (g/kWh) Koolwaterstoffen (g/kWh) Stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P ≤ 560 31.12.2013 3,5 0,19 0,4 0,025
56 ≤ P < 130 31.12.2014 5,0 0,19 0,4 0,025
Motoren voor handapparatuur
Inhoud (cm3) Koolmonoxide (g/kWh) Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)1)
Inh. < 20 805 50
20 ≤ inh. < 50 805 50
Inh. ≥ 50 603 72
Motoren voor niet-handapparatuur
Inhoud (cm3) Koolmonoxide (g/kWh) Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)
Inh. < 66 610 50
66 ≤ inh. < 100 610 40
100 ≤ inh. < 225 610 16,1
Inh. ≥ 225 610 12,1

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Nettovermogen (P) (kW) Koolmonoxide (g/kWh) Koolwaterstoffen (g/kWh) Stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 < P 3,5 0,19 2,0 0,025

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Nettovermogen (P) (kW) Koolmonoxide (g/kWh) Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 < P 3,5 4,0 0,025
Inhoud (liters per cilinder/kW) Koolstofmonoxide g/kWh Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes g/kWh
--- --- --- ---
Inh. < 0,9 5,0 7,5 0,4
Vermogen (≥ 37 kW)
0,9 ≤ inh. < 1,2 5,0 7,2 0,3
1,2 ≤ inh. < 2,5 5,0 7,2 0,2
2,5 ≤ inh. < 5,0 5,0 7,2 0,2
5,0 ≤ inh. < 15 5,0 7,8 0,27
15 ≤ inh. < 20 5,0 8,7 0,5
Vermogen < 3 300 kW
15 ≤ inh. < 20 5,0 9,8 0,5
Vermogen > 3 300 kW
20 ≤ inh. < 25 5,0 9,8 0,5
25 ≤ inh. < 30 5,0 11,0 0,5

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

CO (g/kWh) CO (g/kWh) CO (g/kWh) Koolwaterstoffen (HC) Koolwaterstoffen (HC) Koolwaterstoffen (HC)
CO = A +B/PnN CO = A +B/PnN CO = A +B/PnN (g/kWh) HC = A +B/PnN (g/kWh) HC = A +B/PnN (g/kWh) HC = A +B/PnN
Motortype A B n A B n NOx g/kWh PM g/kWh
tweetakt 150 600 1 30 100 0,75 10 n.v.t.
viertakt 150 600 1 6 50 0,75 15 n.v.t.
CI 5 0 0 1,5 2 0,5 9,8 1

Afkorting n.v.t. = niet van toepassing

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Cilinderinhoud Grenswaarden
Motorfiets < 150 cc HC = 0,8 g/km
NOx = 0,15 g/km
Motorfiets > 150 cc HC = 0,3 g/km
NOx = 0,15 g/km

Noot: Met uitzondering van machines bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Grenswaarden
CO (g/km) HC + NOx (g/km)
II 1,01) 1,2

Noot: Met uitzondering van voertuigen bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Parameter Grenswaarden Grenswaarden
Eenheid Minimum Maximum
Research-octaangetal 95
Motoroctaangetal 85
Dampspanning volgens de Reidmethode, zomerperiode1) kPa 60
Distillatie:
Verdampt bij 100°C % v/v 46
Verdampt bij 150°C % v/v 75
Koolwaterstoffenanalyse:
– olefinen % v/v 18,02)
– aromaten 35
– benzeen 1
Zuurstofgehalte % m/m 3,7
Oxygenaten:
– Methanol, stabilisatoren moeten worden toegevoegd % v/v 3
– Ethanol, stabilisatoren eventueel nodig % v/v 10
– Isopropylalcohol % v/v 12
– Tert-butylalcohol % v/v 15
– Isobutylalcohol % v/v 15
– Ethers met vijf of meer koolstofatomen per molecuul % v/v 22
Andere zuurstofhoudende verbindingen3) % v/v 15
Zwavelgehalte mg/kg 10
Parameter Grenswaarden Grenswaarden
Eenheid Minimum Maximum
Cetaangetal 51
Dichtheid bij 15°C kg/m3 845
Distillatiepunt: 95% °C 360
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen % m/m 8
Zwavelgehalte mg/kg 10
12

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van brandstoffen en mobiele bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:

13

Uitvoering van een programma voor emissie van mobiele bronnen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware vrachtwagens en brandstoffen in de mate vereist in de secties 202 (a), 202 (g) en 202 (h) van de Clean Air Act, zoals geïmplementeerd door:

14

Normen voor niet voor de weg bestemde machines en voertuigen zijn in de volgende documenten gespecificeerd:

1

De Partijen die onderworpen zijn aan de verplichtingen in artikel 3, lid 8, onder a, treffen de maatregelen die in deze bijlage omschreven staan.

2

Elke Partij houdt naar behoren rekening met de noodzaak om verliezen uit de gehele stikstofkringloop te verminderen.

A. Gedragscode voor goede landbouwpraktijken

3

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, wordt door die Partij een gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de beheersing van ammoniakemissies vastgesteld en vervolgens gepubliceerd en verspreid. De code houdt rekening met de specifieke omstandigheden binnen het grondgebied van de Partij en bevat voorschriften omtrent:

De Partijen geven aan de code een zodanige titel dat verwarring met andere codes wordt vermeden.

4

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, neemt die Partij die stappen die haalbaar zijn om ammoniakemissies door gebruik van vaste mest op ureumbasis te beperken.

5

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, verbiedt die Partij het gebruik van meststoffen met ammoniumcarbonaat.

C. Toepassing meststoffen

6

Elke Partij dient erop toe te zien dat toepassingstechnieken voor drijfmest met geringe emissie (zoals vermeld in Guidance Document V, dat door het Uitvoerend Orgaan op zijn zeventiende zitting aangenomen is (besluit 1999/1) en eventuele wijzigingen daarop), waarvan aangetoond is dat ze de emissies in vergelijking met de omschreven referentie in dat guidance document met ten minste 30% verminderen, gebruikt worden voorzover de Partij in kwestie ze van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden, het type drijfmest en de structuur van het landbouwbedrijf.

7

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij erop toe te zien dat vaste meststoffen die toegepast zijn op land dat moet worden geploegd, binnen ten minste 24 uur na het verspreiden verwerkt worden voorzover zij deze maatregel van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden en de structuur van het landbouwbedrijf.

D

8

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe drijfmestoplaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) opslagsystemen of opslagtechnieken met geringe emissies te gebruiken, waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 40% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.

9

Voor bestaande drijfmestopslaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) dient een Partij emissiereducties van 40% te behalen voorzover de Partij de noodzakelijke technieken technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord acht.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.

E. Dierenverblijven

10

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe dierenverblijven bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) verblijfssystemen te gebruiken waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 20% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. Toepasbaarheid kan beperkt zijn om redenen van dierenwelzijn, bijvoorbeeld in op stro gebaseerde systemen voor varkens alsmede vogelverblijven en scharrelsystemen voor pluimvee.

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Uitsluitend in deze afdeling wordt onder „stof” en „totale hoeveelheid zwevende deeltjes” (TSP) verstaan de massa van deeltjes met elke vorm, dichtheid en structuur die onder de omstandigheden ter plaatse van het monsternemingspunt zwevend in de gasfase voorkomen die na representatieve monsterneming van het te onderzoeken gas verzameld kunnen worden door filtratie onder de vastgelegde omstandigheden en die na drogen onder de vastgelegde omstandigheden bovenstrooms van het filter en op het filter achterblijven.

3

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) verstaan de hoeveelheid stof en/of totale hoeveelheid zwevende deeltjes in de afgassen uit een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273.15 K, 101.3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.

4

Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen of door berekeningen waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. Bij ononderbroken metingen worden de grenswaarden nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de EGW niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende vaststellings- of berekeningsmethoden wordt naleving van de EGW bereikt indien de gemiddelde waarde op basis van een passend aantal metingen onder representatieve omstandigheden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden.

5

Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een vergelijkbare wetenschappelijke kwaliteit.

6

Bijzondere bepalingen voor in lid 7 bedoelde verbrandingsinstallaties:

7

Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen hoger dan 50 MWth:6)Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale thermische ingangsvermogen.

Brandstoftype Thermisch ingangsvermogen (MWth) EGW voor stof (mg/m3) 2)
Vaste brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties:
Vaste brandstoffen 50–100 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
Vaste brandstoffen 50–100 20 (biomassa, turf)
Bestaande installaties:
30 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
30 (biomassa, turf)
100–300 Nieuwe installaties:
20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
Bestaande installaties:
25 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
>300 Nieuwe installaties:
10 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
Bestaande installaties:
20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
Vloeibare brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties:
Vloeibare brandstoffen 50–100 20
Bestaande installaties:
30 (algemeen)
50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties)
Vloeibare brandstoffen 100–300 Nieuwe installaties:
Vloeibare brandstoffen 100–300 20
Bestaande installaties:
25 (algemeen)
50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties)
>300 Nieuwe installaties:
>300 10
Bestaande installaties:
20 (algemeen)
50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties)
Aardgas > 50 5
Overige gassen > 50 10
Overige gassen > 50 30 (voor door de staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt)
8

Aardolie- en gasraffinaderijen:

Emissiebron EGW voor stof (mg/m3)
FCC-regeneratoren 50
9

Cementklinkerproductie:

EGW voor stof (mg/m3)
Cementinstallaties, ovens, molens en klinkerkoelers 20

1) Installaties voor de productie van cementklinker in draaitrommelovens met een capaciteit van > 500 Mg/dag of in andere ovens met een capaciteit van > 50 Mg/dag. Het O2-referentiegehalte is 10%.

10

Kalkproductie:

EGW voor stof (mg/m3)
Stoken van kalkovens 202 )
11

Productie en verwerking van metalen:

Activiteit en capaciteitsdrempelwaarde EGW voor stof (mg/m3)
Sinterinstallatie 50
Pelletiseerinstallatie 20 voor verbrijzelen, malen en drogen 15 voor alle andere processtappen
Hoogoven: Windverhitters (>2.5 t/uur) 10
Oxystaalproductie en -gieten (>2.5 t/uur) 30
Productie en gieten van elektrostaal 15 (bestaand)
(>2.5 t/uur) 5 (nieuw)
Activiteit en capaciteitsdrempelwaarde EGW voor stof (mg/m3)
--- ---
IJzergieterijen (>20 t/dag): 20
– alle ovens (koepel, inductie, carrousel)
– alle vormen (verloren, permanent)
Warm en koud walsen 20 50 indien er geen filterzak kan worden gebruikt vanwege de aanwezigheid van natte dampen
EGW voor stof (mg/m3) (dagelijks)
--- ---
Verwerking van non-ferrometalen 20
12

Glasproductie

EGW voor stof (mg/m3)
Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 30

1) Installaties voor de productie van glas of glasvezels met een capaciteit van 20 Mg/dag of meer. Concentraties verwijzen naar droge afgassen bij een zuurstofgehalte van 8 volumeprocent (continu-smelten), een zuurstofgehalte van 13 volumeprocent (discontinu-smelten).

13

Pulpproductie:

EGW voor stof (mg/m3) (jaarlijkse gemiddelden)
Hulpketel 40 wanneer met vloeibare brandstoffen wordt gestookt (bij een zuurstofgehalte van 3%)
30 wanneer met vaste brandstoffen wordt gestookt (bij een zuurstofgehalte van 6%)
Terugwinningsinstallatie en kalkoven 50
14

Afvalverbranding:

EGW voor stof (mg/m3)
Gemeentelijke afvalverbrandingsinstallaties (> 3 Mg/uur) 10
Verbrandingsinstallaties voor gevaarlijk en medisch afval (> 1 Mg/uur) 10
15

Productie van titaniumdioxide:

EGW voor stof (mg/m3)
Sulfaatproces, totale emissie 50
Chlorideproces, totale emissie 50
16

Stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 50 MWth:

Dit lid draagt het karakter van een aanbeveling en beschrijft de maatregelen die genomen worden voor zover een Partij deze in technisch en economisch opzicht haalbaar acht voor het controleren van zwevende deeltjes:

Stof (mg/m3)
Open/gesloten haarden en ovens die op hout worden gestookt 75
Houtgestookte ketels (met warmteopslagtank) 40
Pelletkachels en -ketels 50
Kachels en ketels die gebruikmaken van andere vaste brandstoffen dan hout 50
Installaties met automatische verbranding 50
Stof (mg/m3)
Vaste brandstoffen 100–500 kWth Nieuwe installaties 50
Bestaande installaties 150
Vaste brandstoffen 500 kWth–1 MWth Nieuwe installaties 50
Bestaande installaties 150
Stof (mg/m3)
Vaste brandstoffen 1–5 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 50
Vaste brandstoffen > 5-50 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 30
Vloeibare brandstoffen > 1-5 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 50
Vloeibare brandstoffen > 5-50 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 30

B. Canada

17

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van zwevende deeltjes (PM) voor stationaire bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten die genoemd worden in onderstaande paragrafen a tot en met h. Grenswaarden kunnen worden uitgedrukt in PM of TPM. Onder TPM wordt in deze context verstaan elk PM met een aerodynamische diameter van minder dan 100 μm:

C. Verenigde Staten van Amerika

18

Grenswaarden voor het beheersen van zwevende deeltjes (PM) uit stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen, en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:

19

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van zwevende deeltjes (PM) uit bronnen die vallen onder de nationale emissienormen voor schadelijke luchtverontreinigende stoffen (National Emission Standards for Hazardous Air Pollutants):

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Deze afdeling heeft betrekking op het beperken van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en lakken en producten voor het overspuiten van voertuigen.

3

Voor de toepassing van deel A van deze bijlage wordt onder de onderstaande algemene begrippen het volgende verstaan:

4

Onder „verven en vernissen” worden verstaan de in onderstaande subcategorieën genoemde producten, met uitsluiting van aerosolen. Het betreft voor gebouwen, houtwerk en bijbehorende structuren bestemde coatings met een decoratief, functioneel en beschermend doel:

5

Onder „producten voor het overspuiten van voertuigen” worden de in onderstaande subcategorieën genoemde producten verstaan. Zij worden gebruikt voor de coating van wegvoertuigen, of onderdelen ervan, uitgevoerd in het kader van reparatie, bescherming of decoratie van voertuigen buiten de fabriek. Onder „wegvoertuig” wordt in dit verband verstaan, ieder voor deelname aan het wegverkeer bestemd compleet of niet-compleet motorvoertuig op ten minste vier wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h, alsmede aanhangwagens daarvan, met uitzondering van voertuigen die zich over een rails voortbewegen, landbouw- en bosbouwtrekkers en alle mobiele machines;

6

De Partijen zien erop toe dat de in deze bijlage genoemde producten die op hun grondgebied in de handel worden gebracht het maximale VOS-gehalte, zoals aangegeven in tabel 1 en 2, niet overschrijden. Ten behoeve van de restauratie en het onderhoud van gebouwen en klassieke voertuigen die door de bevoegde autoriteiten als van bijzonder historisch en cultureel belang zijn aangemerkt, kunnen de Partijen individuele vergunningen afgeven voor de aan- en verkoop van strikt beperkte hoeveelheden producten die niet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen VOS-grenswaarden. De Partijen kunnen producten die worden verkocht om uitsluitend te worden gebruikt bij een activiteit die onder bijlage VI valt en plaatsvindt in een installatie waarvoor registratie heeft plaatsgevonden of een vergunning is verleend overeenkomstig die bijlage, vrijstellen van de verplichting aan de bovengenoemde eisen te voldoen.

Productsubcategorie Type (g/l)*
Matte coatings voor binnenmuren en plafonds (Gloss ≤ 25@60°) WG 30
SG 30
Hoogglanscoatings voor binnenmuren en plafonds (Gloss > 25@60°) WG 100
SG 100
Buitenmuren met minerale ondergrond WG 40
SG 430
Hout- en metaalverven voor binnen- en buitendecoratie en voor interieur- en gevelbekleding WG 130
Hout- en metaalverven voor binnen- en buitendecoratie en voor interieur- en gevelbekleding SG 300
Vernissen en beitsen voor houtwerk binnen en buiten, met inbegrip van dekkende houtbeitsen WG 130
Vernissen en beitsen voor houtwerk binnen en buiten, met inbegrip van dekkende houtbeitsen SG 400
Houtbeitsen met minimale laagdikte voor binnen en buiten WG 130
SG 700
Primers WG 30
SG 350
Hechtprimers WG 30
SG 750
Eencomponentscoatings WG 140
SG 500
Reactieve tweecomponentencoatings voor specifieke toepassingen WG 140
SG 500
Meerkleurige coatings WG 100
SG 100
Coatings met decoratief effect WG 200
SG 200
Productsubcategorie Coatings VOS (g/l)*
Voorbehandeling en reiniging Voorbehandeling 850
Voorreinigers 200
Vulmiddelen en plamuur/stopmiddelen Alle soorten 250
Primers Surfacer/vulmiddel en algemene (metaal)primers 540
Washprimers 780
Aflakken Alle soorten 420
Speciale aflakken Alle soorten 840

B. Canada

7

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) bij het gebruik van consumentenproducten en commerciële producten worden bepaald, in voorkomend geval, op basis van informatie omtrent beschikbare beheerstechnologieën, -technieken en -maatregelen, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden, en de onderstaande documenten:

C. Verenigde Staten van Amerika

8

Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies uit bronnen die vallen onder de nationale emissienormen voor vluchtige organische stoffen voor consumentenproducten en commerciële producten (National Volatile Organic Compound Emission Standards for Consumer and Commercial Products) worden nader omschreven in de volgende documenten:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.

DONE at Gothenburg (Sweden), this thirtieth day of November one thousand nine hundred and ninety-nine.