Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie
De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze overeenkomst, lidstaten van de Europese Unie,
Onder verwijzing naar de akte van de Raad tot vaststelling van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie;
Wensend de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten van de Unie te verbeteren, onverminderd de regelingen ter bescherming van de individuele vrijheid;
Wijzend op het gemeenschappelijk belang van de lidstaten om ervoor te zorgen dat de wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten snel en doeltreffend plaatsvindt, op een wijze die verenigbaar is met de fundamentele beginselen van hun nationale recht en in overeenstemming is met de individuele rechten en de beginselen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950;
Uitdrukking gevend aan hun vertrouwen in de structuur en de werking van elkaars rechtsstelsels en in het vermogen van alle lidstaten om een eerlijke procesgang te waarborgen;
Vastbesloten het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en andere geldende verdragen op dit gebied aan te vullen met een overeenkomst van de Europese Unie;
Erkennende dat de bepalingen van die verdragen van toepassing blijven op alle aspecten die niet onder deze overeenkomst vallen;
Overwegende dat de lidstaten belang hechten aan versterking van de justitiële samenwerking, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;
Eraan herinnerend dat deze overeenkomst de wederzijdse rechtshulp in strafzaken regelt, op basis van de beginselen van het Verdrag van 20 april 1959;
Overwegende evenwel dat artikel 20 van deze overeenkomst betrekking heeft op specifieke gevallen van het aftappen van telecommunicatie, zonder dat dit gevolgen heeft voor andere soortgelijke gevallen die buiten de werkingssfeer van de overeenkomst vallen;
Overwegende dat de algemene beginselen van het internationaal recht van toepassing zijn op de gevallen die niet door deze overeenkomst worden bestreken;
Erkennende dat deze overeenkomst de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet laat en dat het in overeenstemming met artikel 33 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de lidstaten is, te bepalen op welke wijze zij de openbare orde zullen handhaven en de binnenlandse veiligheid zullen beschermen,
Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:
TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Verhouding tot andere rechtshulpverdragen
Deze overeenkomst strekt tot het aanvullen en het vergemakkelijken van de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van:
- a. het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, hierna te noemen het Europees Rechtshulpverdrag;
- b. het Aanvullend Protocol van 17 maart 1978 bij het Europees Rechtshulpverdrag;
- c. de bepalingen over wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, hierna te noemen de Schengenuitvoeringsovereenkomst, voorzover die niet worden ingetrokken krachtens artikel 2, lid 2;
- d. hoofdstuk 2 van het Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, zoals gewijzigd bij het protocol van 11 mei 1974, hierna te noemen het Benelux-Verdrag, tussen de lidstaten van de Benelux Economische Unie onderling.
Deze overeenkomst laat onverlet de toepasselijkheid van verdergaande bepalingen van bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten, alsmede, overeenkomstig artikel 26, lid 4, van het Europees Rechtshulpverdrag, van regelingen inzake de wederzijdse rechtshulp in strafzaken op grond van een eenvormige wet of van een bijzonder stelsel dat in onderlinge toepassing van maatregelen van wederzijdse rechtshulp op elkaars grondgebied voorziet.
Artikel 2. Bepalingen betreffende het Schengenacquis
De artikelen 3, 5, 6, 7, 12, 23 en, voorzover van belang voor artikel 12, de artikelen 15 en 16, alsmede, voorzover van belang voor de artikelen waarnaar wordt verwezen, artikel 1, zijn maatregelen tot wijziging of uitbreiding van de bepalingen genoemd in bijlage A van de tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten Overeenkomst inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.1)PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
De bepalingen van de artikelen 49, onder a, 52, 53 en 73 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst worden hierbij ingetrokken.
Artikel 3. Procedures waarvoor eveneens wederzijdse rechtshulp wordt verleend
Wederzijdse rechtshulp wordt eveneens verleend ten behoeve van procedures wegens feiten die volgens het nationale recht van de verzoekende of van de aangezochte lidstaat, of van beide, als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde door bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter.
Wederzijdse rechtshulp wordt eveneens verleend ten behoeve van strafvervolging en procedures, bedoeld in lid 1, in verband met strafbare feiten waarvoor in de verzoekende lidstaat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld.
Artikel 4. Formaliteiten en procedures bij de uitvoering van rechtshulpverzoeken
Bij het verlenen van wederzijdse rechtshulp neemt de aangezochte lidstaat de door de verzoekende lidstaat uitdrukkelijk aangegeven formaliteiten en procedures in acht, tenzij deze overeenkomst anders bepaalt en voorzover de aangegeven formaliteiten en procedures niet strijdig zijn met de fundamentele beginselen van het recht van de aangezochte lidstaat.
De aangezochte lidstaat voldoet zo spoedig mogelijk aan het verzoek om rechtshulp en houdt daarbij zoveel mogelijk rekening met de door de verzoekende lidstaat aangegeven procedurele en andere termijnen. De verzoekende lidstaat licht de redenen voor de gestelde termijn toe.
Indien aan het verzoek niet of niet geheel volgens de eisen van de verzoekende lidstaat kan worden voldaan, stellen de autoriteiten van de aangezochte lidstaat de autoriteiten van de verzoekende lidstaat hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de voorwaarden waaronder het verzoek zou kunnen worden ingewilligd. De autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte lidstaat kunnen vervolgens afspreken welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven en waar nodig, dat bij de uitvoering ervan aan de gestelde voorwaarden zal worden voldaan.
Indien te verwachten valt dat niet binnen de door de verzoekende lidstaat gestelde termijn aan het verzoek kan worden voldaan en de in lid 2, tweede zin, bedoelde redenen concrete aanwijzingen bevatten dat elke vertraging de lopende procedures in de verzoekende lidstaat aanzienlijk zal schaden, berichten de autoriteiten van de aangezochte lidstaat onverwijld hoeveel tijd zij nodig achten voor de uitvoering van het verzoek. De autoriteiten van de verzoekende lidstaat geven onverwijld te kennen of het verzoek desalniettemin wordt gehandhaafd. De autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte lidstaat kunnen vervolgens afspreken welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven.
Artikel 5. Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken
Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.
Toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan alleen plaatsvinden indien:
- a. het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of twijfelachtig is,
- b. het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan de geadresseerde verlangt,
- c. het stuk niet per post kon worden bezorgd, of
- d. de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal zijn.
Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit – althans de essentie ervan – te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk – althans de essentie ervan – te worden vertaald in die andere taal.
Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.
Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 8, 9 en 12 van het Europees Rechtshulpverdrag en de artikelen 32, 34 en 35 van het Benelux-Verdrag.
Artikel 6. Toezending van verzoeken om rechtshulp
Verzoeken om rechtshulp alsook de in artikel 7 bedoelde uitwisseling van gegevens op eigen initiatief worden schriftelijk gedaan, dan wel op zodanige wijze dat het verzoek schriftelijk kan worden vastgelegd en de ontvangende lidstaat de echtheid ervan kan vaststellen. Dergelijke verzoeken worden rechtstreeks gedaan tussen de rechterlijke autoriteiten die territoriaal bevoegd zijn voor de indiening en uitvoering ervan en op dezelfde wijze beantwoord, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
Elke aangifte van een lidstaat welke strekt tot het instellen van strafvervolging voor de rechter van een andere lidstaat, bedoeld in artikel 21 van het Europees Rechtshulpverdrag en artikel 42 van het Benelux-Verdrag, kan rechtstreeks door de bevoegde rechterlijke autoriteiten tot elkaar worden gericht.
Onverminderd lid 1 kunnen verzoeken in bijzondere gevallen worden gezonden of teruggezonden:
- a. tussen een centrale autoriteit van een lidstaat en een centrale autoriteit van een andere lidstaat, of
- b. tussen een rechterlijke autoriteit van een lidstaat en een centrale autoriteit van een andere lidstaat.
Onverminderd lid 1 kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat tot hen gerichte verzoeken en mededelingen, zoals in de verklaring gespecificeerd is, door tussenkomst van hun respectieve centrale autoriteiten moeten worden verzonden. Deze lidstaten kunnen te allen tijde door een nieuwe verklaring het toepassingsgebied van zo een verklaring beperken teneinde de toepassing van lid 1 te verruimen. Zij moeten zulks doen wanneer de bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Schengenuitvoeringsovereenkomst voor hen in werking treden.
Elke lidstaat kan ten aanzien van bovenbedoelde verklaringen het wederkerigheidsbeginsel toepassen.
Elk verzoek om rechtshulp kan in spoedeisende gevallen worden gedaan door tussenkomst van de Internationale Organisatie van Criminele Politie (Interpol) of enig orgaan dat bevoegd is krachtens bepalingen die op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld.
Verzoeken, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14, kunnen, indien in de ene lidstaat een rechterlijke of centrale autoriteit en in de andere lidstaat een politie- of douaneautoriteit bevoegd is, rechtstreeks tussen deze autoriteiten worden gedaan en beantwoord. Lid 4 is van toepassing op dergelijke contacten.
Verzoeken om wederzijdse rechtshulp ten behoeve van procedures, bedoeld in artikel 3, lid 1, kunnen, indien in de ene lidstaat een rechterlijke of centrale autoriteit en in de andere lidstaat een bestuurlijke autoriteit bevoegd is, rechtstreeks tussen deze autoriteiten worden gedaan en beantwoord.
Elke lidstaat kan bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat hij niet gebonden is door de eerste zin van lid 5 of door lid 6 van dit artikel dan wel door beide, of dat hij die bepalingen slechts zal toepassen onder bepaalde nader omschreven voorwaarden. Die verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken of gewijzigd.
De volgende verzoeken of mededelingen worden door tussenkomst van de centrale autoriteiten van de lidstaten gedaan:
- a. verzoeken om tijdelijke overbrenging of doortocht van gedetineerden, bedoeld in artikel 9 van deze overeenkomst, en in artikel 11 van het Europees Rechtshulpverdrag en artikel 33 van het Benelux-Verdrag,
- b. mededelingen omtrent veroordelingen, bedoeld in artikel 22 van het Europees Rechtshulpverdrag en artikel 43 van het Benelux-Verdrag. Verzoeken om afschriften van vonnissen en maatregelen, bedoeld in artikel 4 van het Aanvullend Protocol bij het Europees Rechtshulpverdrag, kunnen evenwel rechtstreeks tot de bevoegde autoriteiten worden gericht.
Artikel 7. Uitwisseling van gegevens op eigen initiatief
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen binnen de grenzen van het nationale recht, zonder een daartoe strekkend verzoek, gegevens uitwisselen met betrekking tot strafbare feiten en vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde, bedoeld in artikel 3, lid 1, waarvan de bestraffing of behandeling op het tijdstip waarop de gegevens worden verstrekt tot de bevoegdheid behoort van de ontvangende autoriteit.
De autoriteit die de gegevens verstrekt, kan overeenkomstig het nationale recht voorwaarden verbinden aan het gebruik van die gegevens door de ontvangende autoriteit.
De ontvangende autoriteit is aan die voorwaarden gebonden.
TITEL II. VERZOEKEN OM SPECIFIEKE VORMEN VAN RECHTSHULP
Artikel 8. Teruggave
De aangezochte lidstaat kan, op verzoek van de verzoekende lidstaat en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, de voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen, ter beschikking stellen van de verzoekende lidstaat met het oog op de teruggave ervan aan de rechtmatige eigenaar.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.