Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad
Artikel 1. Verklaring omtrent het doel
Het doel van dit Verdrag is de samenwerking te bevorderen teneinde grensoverschrijdende georganiseerde misdaad te voorkomen en doeltreffender te bestrijden.
Artikel 2. Gebruikte termen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „criminele organisatie”: een gestructureerde groep bestaande uit drie of meer personen, die gedurende enige tijd bestaat en gezamenlijk optreedt met het doel een of meer ernstige misdrijven of overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten te plegen teneinde, direct of indirect, een financieel of ander materieel voordeel te verkrijgen;
- b. „ernstig misdrijf”: handelingen die een strafbaar feit vormen waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaar of een zwaardere straf staat;
- c. „gestructureerde groep”: een groep die niet willekeurig wordt gevormd voor het onmiddellijk plegen van een strafbaar feit en waarbij geen sprake behoeft te zijn van formeel omschreven rollen voor de leden, continuïteit van het lidmaatschap of een ontwikkelde structuur;
- d. „goederen”: alle soorten activa, stoffelijk of onstoffelijk, roerend of onroerend, tastbaar of ontastbaar, en rechtsbescheiden waaruit rechten op, of andere belangen bij deze activa blijken;
- e. „opbrengsten van misdaad”: alle goederen afkomstig van of verkregen door, direct of indirect, het plegen van een strafbaar feit;
- f. „bevriezing” of „inbeslagneming”: het tijdelijk verbieden van de overdracht, omzetting, vervreemding of verplaatsing van goederen of het tijdelijk aanvaarden van het beheer van of zeggenschap over goederen op basis van een door de rechter of andere bevoegde autoriteit afgegeven bevel;
- g. „confiscatie” met inbegrip van, indien van toepassing, verbeurdverklaring: permanente inbeslagneming van goederen door een bevel van een rechter of andere bevoegde autoriteit;
- h. „gronddelict”: elk strafbaar feit als gevolg waarvan opbrengsten zijn gegenereerd die het onderwerp kunnen worden van een strafbaar feit als omschreven in artikel 6 van dit Verdrag;
- i. „gecontroleerde aflevering”: de methode van het toelaten van illegale of verdachte zendingen die het grondgebied van een of meer Staten verlaten, passeren of binnengaan, onder toezicht en met medeweten van hun bevoegde autoriteiten, ten behoeve van de opsporing van een strafbaar feit en de identificatie van de personen die betrokken zijn bij het plegen van het strafbare feit;
- j. „regionale organisatie voor economische integratie”: een organisatie opgericht door soevereine Staten van een bepaalde regio, waaraan haar lidstaten bevoegdheid hebben overgedragen ten aanzien van aangelegenheden die worden beheerst door dit Verdrag en die naar behoren gemachtigd is, in overeenstemming met haar interne procedures, tot het ondertekenen, bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren ervan of ertoe toe te treden; de verwijzingen in dit Verdrag naar de Staten die partij zijn, zijn van toepassing op dergelijke organisaties binnen de grenzen van hun bevoegdheden.
Artikel 3. Werkingssfeer
Dit Verdrag is van toepassing, tenzij hierin anders is bepaald, op de voorkoming, de opsporing en de vervolging van:
- a. de overeenkomstig de artikelen 5, 6, 8 en 23 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten; en
- b. de ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 2 van dit Verdrag; wanneer het strafbare feit inherent grensoverschrijdend is en er een criminele organisatie bij betrokken is.
Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel is een strafbaar feit inherent grensoverschrijdend indien:
- a. het wordt gepleegd in meer dan één Staat;
- b. het wordt gepleegd in één Staat, maar een aanmerkelijk deel van de voorbereiding, planning, leiding of controle ervan plaatsvindt in een andere Staat;
- c. het wordt gepleegd in één Staat, maar er een criminele organisatie bij betrokken is die zich bezighoudt met criminele activiteiten in meer dan één Staat; of
- d. het wordt gepleegd in één Staat maar aanmerkelijke gevolgen heeft in een andere Staat.
Artikel 4. Bescherming van de soevereiniteit
De Staten die partij zijn, komen hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van staten en van non-interventie in de interne aangelegenheden van andere staten.
Niets in dit Verdrag geeft een Staat die partij is de bevoegdheid op het grondgebied van een andere Staat rechtsmacht uit te oefenen en functies te vervullen die door zijn nationale wetgeving uitsluitend zijn voorbehouden aan de autoriteiten van die andere Staat.
Artikel 5. Strafbaarstelling van deelname aan een criminele organisatie
Elke Staat die partij is, neemt de wettelijke en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de volgende handelingen strafbaar te stellen, indien zij opzettelijk zijn gepleegd:
- a. een of beide van de volgende handelingen die zich als misdrijf onderscheiden van handelingen die een poging tot een criminele activiteit of de voltooiing daarvan inhouden;
- i. met een of meer andere personen overeenkomen een ernstig misdrijf te plegen met een oogmerk dat direct of indirect betrekking heeft op het verkrijgen van een financieel of ander materieel voordeel en waarbij, indien vereist door het nationale recht, een handeling betrokken is, door een van de deelnemers ondernomen ter uitvoering van de overeenkomst, of waarbij een criminele organisatie betrokken is;
- ii. de handelwijze van een persoon die, op de hoogte van hetzij het doel en de algemene criminele activiteit van een criminele organisatie, hetzij van de bedoeling van deze organisatie de desbetreffende misdrijven te plegen, actief deelneemt aan:
- a. de criminele activiteiten van de criminele organisatie;
- b. de andere activiteiten van de criminele organisatie in de wetenschap dat zijn of haar medewerking zal bijdragen aan de verwezenlijking van het bovenomschreven criminele doel;
- b. het organiseren van, leiding geven aan, medewerking verlenen aan, uitlokken van, vergemakkelijken van of adviseren bij het plegen van een ernstig misdrijf waarbij een criminele organisatie betrokken is.
De wetenschap, de bedoeling, het doel, het oogmerk of de overeenkomst, vermeld in het eerste lid van dit artikel, kan worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
De Staten die partij zijn wier nationale recht de betrokkenheid vereist van een georganiseerde criminele organisatie ten behoeve van de overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a onder i, van dit artikel strafbaar gestelde feiten, verzekeren dat hun nationale recht voorziet in alle ernstige misdrijven waarbij criminele organisaties betrokken zijn. Dergelijke Staten die partij zijn alsmede Staten die partij zijn wier nationale recht een handeling vereist ter uitvoering van de overeenkomst ten behoeve van de overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a onder i, van dit artikel strafbaar gestelde feiten, stellen de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan in kennis bij de ondertekening of bij hun ratificatie van, aanvaarding van of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag.
Artikel 6. Strafbaarstelling van het witwassen van de opbrengsten van misdaad
Elke Staat die partij is, neemt, in overeenstemming met de grondbeginselen van zijn nationale recht, wetgevende en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de volgende handelingen strafbaar te stellen, indien opzettelijk gepleegd:
- a.
- i. De omzetting of overdracht van goederen, wetende dat deze goederen opbrengsten zijn van misdaad, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of een persoon die betrokken is bij het plegen van het gronddelict te helpen ontkomen aan de juridische gevolgen van zijn of haar daden;
- ii. het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of het eigendom van of aanspraak op goederen, wetende dat deze goederen opbrengsten van misdaad zijn;
- b. met inachtneming van de grondbeginselen van zijn rechtssstelsel:
- i. de verwerving, het bezit of het gebruik van goederen, wetende op het tijdstip van verkrijging, dat deze goederen de opbrengst van misdaad zijn;
- ii. deelneming aan, medeplichtigheid aan of samenspanning tot het plegen van, poging tot het plegen van en medewerking verlenen aan, het uitlokken van, het vergemakkelijken van en het adviseren met betrekking tot het begaan van een van de overeenkomstig dit artikel strafbaar gestelde feiten.
Ten behoeve van het effectueren of toepassen van het eerste lid van dit artikel:
- a. tracht elke Staat die partij is het eerste lid van dit artikel toe te passen op een zo breed mogelijke reeks van gronddelicten;
- b. merkt elke Staat die partij is aan als gronddelicten alle ernstige misdrijven als gedefinieerd in artikel 2 van dit Verdrag en de overeenkomstig de artikelen 5, 8 en 23 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten. In het geval dat de wetgeving van Staten die partij zijn een lijst van specifieke gronddelicten bevat, nemen zij in een dergelijke lijst ten minste een uitgebreide reeks van strafbare feiten op die verband houden met criminele organisaties;
- c. omvatten gronddelicten voor de toepassing van onderdeel b zowel binnen als buiten de rechtsmacht van de betrokken Staat die partij is gepleegde strafbare feiten. Strafbare feiten die evenwel buiten de rechtsmacht van een Staat die partij is worden gepleegd vormen alleen dan gronddelicten wanneer de desbetreffende handeling een misdrijf is volgens het nationale recht van de Staat waar deze plaatsvindt en een misdrijf zou zijn volgens het nationale recht van de Staat die partij is die dit artikel uitvoert of toepast indien deze daar zou hebben plaatsgevonden;
- d. verstrekt elke Staat die partij is de tekst van zijn wetten die uitvoering geven aan dit artikel en van alle latere wijzigingen van die wetten of een beschrijving daarvan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties;
- e. kan, indien vereist door de grondbeginselen van het nationale recht van een Staat die partij is, worden bepaald dat de in het eerste lid van dit artikel omschreven strafbare feiten niet van toepassing zijn op de personen die het basisdelict hebben gepleegd;
- f. kunnen wetenschap, bedoeling of oogmerk als elementen van een in het eerste lid van dit artikel omschreven strafbaar feit worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
Artikel 7. Maatregelen ter bestrijding van het witwassen van zwart geld
Elke Staat die partij is:
- a. vormt een alomvattend nationaal regime voor regelgeving en toezicht voor bancaire en niet-bancaire financiële instellingen en, waar nodig, andere lichamen die in het bijzonder vatbaar zijn voor witwassen, die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, teneinde alle vormen van witwassen te ontmoedigen en op te sporen, en dat regime zal de nadruk leggen op voorwaarden ten aanzien van klantenidentificatie, documentbeheer en het melden van verdachte transacties;
- b. verzekert, onverminderd de artikelen 18 en 27 van dit Verdrag, dat bestuurlijke, regelgevende, rechtshandhavende en andere autoriteiten voor de bestrijding van het witwassen (met inbegrip van, indien van toepassing volgens het nationale recht, gerechtelijke autoriteiten) in staat zijn samen te werken en informatie uit te wisselen op nationaal en internationaal niveau overeenkomstig de door zijn nationale recht omschreven voorwaarden en overweegt daartoe de oprichting van een financiële informatie-eenheid die fungeert als nationaal centrum voor het verzamelen, analyseren en verspreiden van informatie over mogelijke witwastransacties.
De Staten die partij zijn, overwegen geschikte maatregelen te effectueren om bewegingen van contant geld en verhandelbare waardepapieren over hun grenzen op te sporen en te volgen, met inachtneming van informatiebeveiligingsmaatregelen en zonder op enigerlei wijze de bewegingen van legaal kapitaal te belemmeren. Deze maatregelen kunnen de voorwaarde omvatten dat personen en ondernemingen grensoverschrijdende transacties van aanzienlijke hoeveelheden contant geld en verhandelbare waardepapieren melden.
Bij het vormen van een nationaal regime voor regelgeving en toezicht volgens de voorwaarden van dit artikel en onverminderd enig ander artikel van dit Verdrag, wordt de Staten die partij zijn verzocht de desbetreffende initiatieven van regionale, interregionale en multilaterale organisaties ter bestrijding van witwassen als richtlijn te hanteren.
De Staten die partij zijn, spannen zich in om een mondiale, regionale, subregionale en bilaterale samenwerking tussen gerechtelijke, rechtshandhavende en financieel-regelgevende autoriteiten te ontwikkelen en te bevorderen teneinde het witwassen te bestrijden.
Artikel 8. Strafbaarstelling van corruptie
Elke Staat die partij is, neemt de wettelijke en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de volgende handelingen, indien zij opzettelijk zijn gepleegd, strafbaar te stellen:
- a. het, direct of indirect, beloven, aanbieden of verstrekken aan een overheidsfunctionaris van een niet-gerechtvaardigd voordeel, voor de functionaris zelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat de functionaris een handeling verricht of nalaat bij de uitoefening van zijn of haar officiële taken;
- b. het, direct of indirect, door een overheidsfunctionaris verzoeken om of aanvaarden van een niet-gerechtvaardigd voordeel, voor de functionaris zelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat de functionaris een handeling verricht of nalaat bij de uitoefening van zijn of haar officiële taken.
Elke Staat die partij is, overweegt wettelijke en andere maatregelen te nemen die nodig kunnen zijn om handelingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel waarbij een buitenlandse overheidsfunctionaris of internationale ambtenaar betrokken is, strafbaar te stellen. Tevens overweegt elke Staat die partij is andere vormen van corruptie strafbaar te stellen.
Elke Staat die partij is, neemt tevens de maatregelen die nodig kunnen zijn om deelneming als medeplichtige aan een overeenkomstig dit artikel strafbaar gesteld feit strafbaar te stellen.
Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel en van artikel 9 van dit Verdrag wordt onder „overheidsfunctionaris" verstaan: een overheidsfunctionaris of een persoon die een publieke dienst verricht als omschreven in het nationale recht en als toegepast in het strafrecht van de Staat die partij is waar de betrokken persoon die functie uitoefent.
Artikel 9. Maatregelen tegen corruptie
In aanvulling op de in artikel 8 van dit Verdrag omschreven maatregelen, neemt elke Staat die partij is, voor zover passend en verenigbaar met zijn rechtsstelsel, wetgevende, bestuurlijke of andere afdoende maatregelen teneinde integriteit te bevorderen en corruptie onder overheidsfunctionarissen te voorkomen, op te sporen en te bestraffen.
Elke Staat die partij is, neemt maatregelen om effectieve acties door zijn autoriteiten bij de voorkoming, opsporing en bestraffing van corruptie onder overheidsfunctionarissen te verzekeren, met inbegrip van toekenning aan deze autoriteiten van voldoende onafhankelijkheid teneinde uitoefening van ongepaste invloed op hun activiteiten te ontmoedigen.
Artikel 10. Aansprakelijkheid van rechtspersonen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.