Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China

Type Verdrag
Publication 2004-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Volksrepubliek China,

hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij,

In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

1.

wordt onder de term „investering” verstaan alle soorten vermogensbestanddelen geïnvesteerd door investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij en omvat in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

Veranderingen in de vorm waarin vermogensbestanddelen worden geïnvesteerd doen geen afbreuk aan het feit dat zij investeringen zijn.

2.

wordt onder „investeerder” verstaan:

3.

wordt onder de term „opbrengsten” verstaan de bedragen die een investering heeft opgebracht, met inbegrip van winsten, dividenden, interesten, vermogenswinsten, royalty's en andere rechtmatige inkomsten.

4.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „grondgebied” respectievelijk verstaan:

Artikel 2. Bevordering en toelating van investeringen

Elke Verdragsluitende Partij stimuleert investeerders van de andere Verdragsluitende Partij investeringen te doen op haar grondgebied en laat dergelijke investeringen in overeenstemming met haar wetten en voorschriften toe.

Artikel 3. Behandeling van investeringen
1.

Investeringen van investeerders van elke Verdragsluitende Partij worden te allen tijde eerlijk en rechtvaardig behandeld op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. Investeringen van investeerders van elk der Verdragsluitende Partijen genieten de voortdurende bescherming en zekerheid op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

2.

Geen der Verdragsluitende Partijen neemt onredelijke of discriminatoire maatregelen tegen het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot en de vervreemding van investeringen door de investeerders van de andere Verdragsluitende Partij.

3.

Elke Verdragsluitende Partij kent aan investeringen en activiteiten die verband houden met dergelijke investeringen van de investeerders van de andere Verdragsluitende Partij een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan investeringen en activiteiten van haar eigen investeerders of investeerders van een derde Staat.

4.

Elke Verdragsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met de investeerders van de andere Verdragsluitende Partij met betrekking tot hun investeringen.

5.

Indien naast dit Verdrag de wettelijke bepalingen van een van beide Verdragsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht die thans tussen de Verdragsluitende Partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door investeerders van de andere Verdragsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan die welke in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

6.

De bepalingen van het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel mogen niet zodanig worden uitgelegd dat een Verdragsluitende Partij verplicht is de investeerders van de andere Verdragsluitende Partij het voordeel te doen genieten van een behandeling, voorkeur of voorrecht uit hoofde van:

Artikel 4. Binnenkomst en verblijf van personeelsleden

Elke Verdragsluitende Partij neemt, binnen het kader van haar wetgeving, aanvragen voor visa en werkvergunningen voor investeerders van de andere Verdragsluitende Partij die zich bezighouden met activiteiten die verband houden met investeringen gedaan op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij in welwillende overweging.

Artikel 5. Onteigening
1.

Geen der Verdragsluitende Partijen onteigent, nationaliseert of neemt andere soortgelijke maatregelen (hierna aangeduid als „onteigening”) tegen de investeringen van de investeerders van de andere Verdragsluitende Partij op haar grondgebied, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

2.

De schadeloosstelling waarnaar in lid 1, onder c, wordt verwezen, dient gelijk te zijn aan de redelijke marktwaarde van de onteigende investering onmiddellijk voordat de onteigeningsmaatregelen werden getroffen. De redelijke marktwaarde mag geen waardeverandering inhouden ten gevolge van het eerder openbaar worden van de onteigening. De schadeloosstelling dient rente te omvatten tegen de gangbare commerciële rentevoet vanaf de datum waarop de onteigening plaatsvond tot de datum van betaling en dient, wil zij doeltreffend zijn voor de getroffen investeerders, zonder vertraging te worden betaald en te kunnen worden overgemaakt naar het door de betrokken investeerder aangewezen land en in de valuta van het land van de getroffen investeerder of in een door de getroffen investeerder aanvaarde vrij inwisselbare valuta.

Artikel 6. Schadeloosstelling voor schade en verliezen

Aan investeerders van de ene Verdragsluitende Partij wier investeringen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij verliezen lijden wegens oorlog, een nationale noodtoestand, oproer, ongeregeldheden of andere soortgelijke gebeurtenissen op het grondgebied van de laatstbedoelde Verdragsluitende Partij wordt wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of andere regelingen betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke wordt toegekend aan haar eigen investeerders of aan investeerders van een derde Staat, naar gelang van welke het gunstigst is voor de betrokken investeerder.

Artikel 7. Repatriëring van investeringen en opbrengsten
1.

Iedere Verdragsluitende Partij waarborgt de investeerders van de andere Verdragsluitende Partij de overmaking van hun investeringen en opbrengsten die zij op haar grondgebied bezitten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:

2.

Niets in het eerste lid van dit artikel tast de vrije overmaking aan van schadeloosstelling betaald uit hoofde van artikel 5 en artikel 6 van dit Verdrag.

3.

De bovengenoemde overmaking geschiedt in vrij inwisselbare valuta en tegen de op de dag van overmaking geldende wisselkoers die van toepassing is bij de Verdragsluitende Partij die de investeringen aanvaardt op de datum van overmaking.

Artikel 8. Subrogatie

Indien de ene Verdragsluitende Partij of een door haar aangewezen instantie een betaling doet aan haar investeerder als een schadeloosstelling gegeven ten aanzien van een investering gedaan op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, erkent de laatstgenoemde Verdragsluitende Partij de overdracht van alle rechten en vorderingen van de schadeloos gestelde investeerder aan de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij of haar aangewezen instantie, voortvloeiend uit wet of overeenkomst, en het recht van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij of haar aangewezen instantie om krachtens subrogatie een dergelijk recht in dezelfde mate uit te oefenen als de investeerder.

Artikel 9. Beslechting van geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen
1.

Enig geschil tussen de Verdragsluitende Partijen inzake de uitlegging of toepassing van dit Verdrag wordt, voor zover mogelijk, door middel van overleg langs diplomatieke weg beslecht.

2.

Indien een geschil niet aldus kan worden beslecht binnen zes maanden, wordt het op verzoek van een van de Verdragsluitende Partijen voorgelegd aan een ad hoc-scheidsgerecht.

3.

Een dergelijk scheidsgerecht bestaat uit drie scheidslieden. Binnen twee maanden na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving waarin om arbitrage wordt verzocht, benoemt elke Verdragsluitende Partij een scheidsman. Deze twee scheidslieden kiezen gezamenlijk binnen wederom twee maanden een onderdaan van een derde Staat met diplomatieke betrekkingen met beide Verdragsluitende Partijen als voorzitter van het scheidsgerecht.

4.

Indien het scheidsgerecht niet is samengesteld binnen vier maanden na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving waarin om arbitrage wordt verzocht, kan elk der Verdragsluitende Partijen, bij ontbreken van een andere overeenkomst, de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de President onderdaan is van een van beide Verdragsluitende Partijen of anderszins verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, wordt het lid van het Internationale Gerechtshof dat na hem de hoogste anciënniteit heeft of niet verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

5.

Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast. Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en de toepasselijke grondbeginselen van het internationaal recht.

6.

Het scheidsgerecht komt tot zijn uitspraak bij meerderheid van stemmen. Deze uitspraak is onherroepelijk en bindend voor beide Verdragsluitende Partijen. Het scheidsgerecht zet, op verzoek van een van de Verdragsluitende Partijen, de redenen voor zijn uitspraak uiteen.

7.

Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van de door haar benoemde scheidsman en die van haar vertegenwoordiging in de arbitrageprocedure. De desbetreffende kosten van de Voorzitter en het scheidsgerecht worden door de Verdragsluitende Partijen in gelijke delen gedragen.

Artikel 10. Beslechting van geschillen tussen een investeerder en een Verdragsluitende Partij
1.

Geschillen die mochten ontstaan tussen een van de Verdragsluitende Partijen en een investeerder van de andere Verdragsluitende Partij betreffende een investering van die investeerder op het grondgebied van de eerstbedoelde Verdragsluitende Partij worden, zoveel mogelijk, in der minne geschikt tussen de betrokken partijen.

2.

Een investeerder kan besluiten een geschil voor te leggen aan een bevoegde nationale rechter. Indien een rechtszaak betreffende een investering op het grondgebied van de Volksrepubliek China is voorgelegd aan een bevoegde nationale rechter, kan dit geschil worden voorgelegd voor internationale geschillenregeling, op voorwaarde dat de betrokken investeerder zijn zaak bij de nationale rechter heeft ingetrokken. Indien een geschil een investering op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, kan een investeerder er te allen tijde voor kiezen een geschil voor te leggen voor internationale geschillenregeling.

3.

Indien het geschil niet in der minne is beslecht binnen een periode van zes maanden na de datum waarop een der partijen bij het geschil om minnelijke schikking heeft verzocht, stemt iedere Verdragsluitende Partij er onvoorwaardelijk mee in het geschil op verzoek van de betrokken investeerder voor te leggen aan:

4.

Het ad hoc-scheidsgerecht beslist een geschil in overeenstemming met de rechtsregels die door de partijen kunnen worden overeengekomen. Bij ontbreken van een dergelijke overeenkomst past het scheidsgerecht het recht toe van de Verdragsluitende Partij bij het geschil (met inbegrip van haar regels inzake wetsconflicten), de bepalingen van dit Verdrag en de internationale rechtsregels die van toepassing kunnen zijn.

5.

De uitspraken van het scheidsgerecht zijn onherroepelijk en bindend voor beide partijen bij het geschil.

Artikel 11. Overleg

Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan aan de andere Partij voorstellen overleg te plegen over een aangelegenheid betreffende de uitlegging, toepassing en uitvoering van dit Verdrag. De andere Partij neemt dit voorstel in welwillende overweging en biedt passende gelegenheid voor dergelijk overleg.

Artikel 12. Toepassing

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.