Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië inzake de tewerkstelling van partners van het diplomatieke en consulaire personeel
Het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Republiek Kroatië
hierna te noemen „de Partijen",
Geleid door de wens een Verdrag te sluiten teneinde de tewerkstelling van partners van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten uit de zendstaat op het grondgebied van de ontvangende staat te vergemakkelijken,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Toestemming om betaalde werkzaamheden te verrichten
Op basis van wederkerigheid wordt het een partner van een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of een consulaire post van de zendstaat toegestaan betaalde werkzaamheden te verrichten in de ontvangende staat in overeenstemming met de bepalingen van de wet- en regelgeving van de ontvangende staat en onder voorbehoud van de bepalingen van dit Verdrag.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post": elk geaccrediteerd personeelslid van de zendstaat, die geen onderdaan is van noch zijn vaste verblijfplaats heeft in de ontvangende staat, werkzaam bij een diplomatieke vertegenwoordiging, een consulaire post of een vertegenwoordiging bij een internationale organisatie in de ontvangende staat;
- b. „partner": de echtgenoot/echtgenote of de partner van een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post of een vertegenwoordiging bij een internationale organisatie in de ontvangende staat;
- c. „Verdragen": het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961) en het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (1963), of andere internationale verdragen inzake voorrechten en immuniteiten waarbij de Partijen partij zijn.
Artikel 2. Procedures
Alvorens betaalde werkzaamheden te aanvaarden, dient een partner toestemming te verkrijgen van de ontvangende staat.
Een verzoek om toestemming voor het aanvaarden van betaalde werkzaamheden wordt uit naam van de partner door de ambassade van de zendstaat naar de Directie Protocol van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de ontvangende staat gestuurd.
Het verzoek om toestemming dient informatie te bevatten omtrent de aard van de werkzaamheden waarvoor om toestemming wordt gevraagd.
Zodra is vastgesteld dat de partner namens wie om toestemming wordt gevraagd een partner is zoals omschreven in dit Verdrag, stelt het ministerie van Buitenlandse Zaken van de ontvangende staat de ambassade van de zendstaat er officieel van in kennis dat de partner in kwestie betaalde werkzaamheden mag aanvaarden, en geeft het dienovereenkomstige certificaat voor de partner af.
De partner in kwestie mag op grond van voornoemd certificaat betaalde werkzaamheden verrichten in de ontvangende staat.
De in het derde lid van dit artikel genoemde werkzaamheden dienen op de identiteitskaart van de partner te worden afgedrukt.
Indien de partner op enig moment na het verkrijgen van de toestemming voornemens is ander werk te zoeken, dient een nieuw verzoek om toestemming te worden ingediend.
Artikel 3. Civiel- en administratiefrechtelijke voorrechten en immuniteiten
Een partner die betaalde werkzaamheden verricht in overeenstemming met dit Verdrag geniet geen immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in civiel- en administratiefrechtelijke zaken ten aanzien van vorderingen die jegens hem of haar worden ingesteld vanwege gedragingen en overeenkomsten die direct verband houden met het verrichten van die werkzaamheden.
Artikel 4. Immuniteit ten aanzien van strafzaken
Indien de partner die toestemming heeft gekregen om betaalde werkzaamheden te verrichten immuniteit geniet ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat overeenkomstig de Verdragen, geldt het volgende:
- a. De zendstaat doet afstand van de immuniteit van de betrokken partner ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat met betrekking tot elk handelen of nalaten dat verband houdt met de betaalde werkzaamheden die hij of zij verricht, behalve in bijzondere gevallen waarin de zendstaat van mening is dat het doen van afstand in strijd is met zijn belangen;
- b. Het doen van afstand van immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken wordt niet geacht mede betrekking te hebben op immuniteit ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een vonnis; daarvan moet uitdrukkelijk afstand worden gedaan. In dergelijke gevallen verzoekt de ontvangende staat de zendstaat afstand te doen van een dergelijke immuniteit.
Artikel 5. Sociale zekerheid en belasting
Een partner die krachtens dit Verdrag toestemming heeft verkregen voor het verrichten van betaalde werkzaamheden is onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel van de ontvangende staat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met zijn of haar werkzaamheden in die staat. Een partner is tevens verplicht tot het betalen, in de ontvangende staat, van alle belastingen naar het inkomen die voortvloeien uit de werkzaamheden die in overeenstemming met dit Verdrag worden verricht.
Artikel 6. Vervallen van de toestemming
De toestemming om betaalde werkzaamheden te verrichten die aan een partner wordt verleend, vervalt wanneer de plaatsing van het lid van de diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post wordt beëindigd.
De krachtens dit Verdrag verrichte werkzaamheden geven de partner niet het recht in de ontvangende staat te blijven wonen. De partner heeft op grond van deze werkzaamheden evenmin het recht deze werkzaamheden te blijven uitvoeren of andere werkzaamheden te aanvaarden in de ontvangende staat nadat de krachtens dit Verdrag verleende toestemming is vervallen.
Artikel 7. Duur en beëindiging
Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Elk van de Partijen kan het te allen tijde beëindigen door hiervan zes (6) maanden van tevoren schriftelijk langs diplomatieke weg kennis te geven aan de andere Partij.
Artikel 8. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de datum van ontvangst van de laatste schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg dat aan de vereisten voorzien in de desbetreffende nationale wetgeving voor inwerkingtreding is voldaan en wordt voorlopig toegepast vanaf de datum van ondertekening.
DONE at Zagreb on this 6th May 2005, in two originals in the English language.
For the Kingdom of the Netherlands
LIONEL VEER
For the Republic of Croatia
GORDAN BAKOTA
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.