Briefwisseling houdende een overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Caymaneilanden betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden
Overwegende hetgeen volgt:
Artikel 17 van Richtlijn 2003/48/EG (hierna genoemd „de richtlijn") van de Raad van de Europese Unie (hierna genoemd „de Raad") betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie d.d. 26 juni 2003 bepaalt dat de lidstaten voor 1 januari 2004 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen en bekendmaken die nodig zijn om te voldoen aan deze richtlijn, welke bepalingen vanaf 1 januari 2005 worden toegepast, mits:
de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf diezelfde datum maatregelen toepassen die gelijkwaardig zijn aan de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, zulks overeenkomstig de overeenkomsten die zij met de Europese Gemeenschap hebben gesloten, na met eenparigheid van stemmen genomen besluiten van de Raad;
alle overeenkomsten of andere regelingen van kracht zijn waarin wordt bepaald dat alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden vanaf die datum automatische gegevensuitwisseling toepassen zoals voorgeschreven in hoofdstuk II van deze richtlijn (of tijdens de in artikel 10 bepaalde overgangsperiode een bronbelasting toepassen die strookt met de in artikelen 11 en 12 vervatte voorwaarden)".
Cyprus, de Tsjechische Republiek, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, de Slowaakse Republiek en Slovenië dienen uit hoofde van hun verplichtingen in verband met hun toetreding uiterlijk 1 mei 2004 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om te voldoen aan deze richtlijn, welke bepalingen vanaf 1 januari 2005 worden toegepast met inachtneming van de onder 1 vermelde voorwaarden.
De grondslag voor de associatie tussen de Caymaneilanden en de EU is vervat in het vierde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Het vierde deel voorziet in bepaalde verplichtingen die bindend zijn voor de lidstaten van de Europese Unie en de Caymaneilanden.
Krachtens de voorwaarden voor de associatie tussen de Caymaneilanden en de EU liggen de Caymaneilanden niet in het belastinggebied van de Europese Unie. In de geest van samenwerking en gelet op de voorwaarden van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hebben de Caymaneilanden ermee ingestemd de lidstaten van de EU bij te staan door het verschaffen van bepaalde inlichtingen als hierna omschreven.
De Caymaneilanden beschikken over wetgeving betreffende instellingen voor collectieve belegging die qua gevolgen gelijkwaardig wordt geacht aan de EG-wetgeving bedoeld in artikel 2 en 6 van de richtlijn.
De Caymaneilanden en het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen „Overeenkomstsluitende Partij" of „Overeenkomstsluitende Partijen", tenzij de context anders vereist,
Zijn overeengekomen de volgende Overeenkomst te sluiten die uitsluitend verplichtingen voor de Overeenkomstsluitende Partijen bevat en voorziet in de automatische verschaffing van informatie door de bevoegde autoriteit van de Caymaneilanden aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden onder de voorwaarden en op de wijze als hierna omschreven.
Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/62).
Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/62).
Artikel 1. Toepassingsgebied
Deze Overeenkomst is van toepassing op rentebetalingen, (zoals omschreven in artikel 6 van deze Overeenkomst), die door een op de Caymaneilanden gevestigde uitbetalende instantie, (zoals omschreven in artikel 5 van deze Overeenkomst), worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden, (zoals omschreven in artikel 3 van deze Overeenkomst), die een natuurlijke persoon zijn en hun woonplaats in het Koninkrijk der Nederlanden hebben.
De werkingssfeer van deze Overeenkomst is beperkt tot belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen uit hoofde van schuldvorderingen; vraagstukken in verband met de fiscale behandeling van, onder meer, pensioenen en verzekeringsuitkeringen vallen buiten de werkingssfeer van deze Overeenkomst.
Artikel 2. Informatieverschaffing door uitbetalende instanties
Indien rentebetalingen, zoals omschreven in artikel 6 van deze Overeenkomst, worden verricht door een uitbetalende instantie gevestigd op de Caymaneilanden aan uiteindelijk gerechtigden, zoals omschreven in artikel 3 van deze Overeenkomst, die hun woonplaats in het Koninkrijk der Nederlanden hebben, meldt de uitbetalende instantie aan de bevoegde autoriteit van de Caymaneilanden:
- a. de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde zoals die overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst zijn vastgesteld;
- b. naam en het adres van de uitbetalende instantie;
- c. het rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van de rentedragende schuldvordering;
- d. gegevens over de rentebetaling zoals omschreven in artikel 6, eerste lid, van deze Overeenkomst. De Caymaneilanden kunnen evenwel de minimale inhoud van de gegevens die de uitbetalende instantie gehouden is over de rentebetaling te verstrekken, beperken tot het totaalbedrag van de rente of van de inkomsten en tot het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing.
Binnen zes maanden na het einde van het belastingjaar, verstrekt de bevoegde autoriteit van de Caymaneilanden automatisch aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, van dit artikel bedoelde gegevens van alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen.
Artikel 3. Definitie van uiteindelijk gerechtigde
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „uiteindelijk gerechtigde" verstaan elke natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt, of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, tenzij deze aantoont dat de rentebetaling niet te zijner gunste is ontvangen of bewerkstelligd is. Een natuurlijke persoon wordt niet aangemerkt als de uiteindelijk gerechtigde indien:
- a. hij handelt als uitbetalende instantie in de zin van artikel 5 van deze Overeenkomst;
- b. hij handelt namens een rechtspersoon, een entiteit waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, een ICBE waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG of een daarmee vergelijkbare instelling voor collectieve belegging gevestigd op de Caymaneilanden, of een entiteit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van deze Overeenkomst, en hij, in het laatstgenoemde geval, aan de marktdeelnemer die de rentebetaling verricht de naam en het adres van die entiteit bekendmaakt en de marktdeelnemer deze informatie op zijn beurt doorgeeft aan de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij is gevestigd;
- c. hij handelt namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is en hij aan de uitbetalende instantie de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde bekendmaakt.
Indien de uitbetalende instantie beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon noch onder onderdeel a, noch onder onderdeel b van het eerste lid van dit artikel valt, moet zij redelijke maatregelen nemen om de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen. Indien de uitbetalende instantie de uiteindelijk gerechtigde niet kan identificeren, behandelt zij de natuurlijke persoon in kwestie als de uiteindelijk gerechtigde.
Artikel 4. Identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde
Voor de toepassing van deze Overeenkomst stellen de Caymaneilanden, binnen hun grondgebied, de procedures vast die nodig zijn om de uitbetalende instantie in staat te stellen de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigden vast te stellen en dragen zorg voor de toepassing van deze procedures. Deze procedures voldoen aan de minimumnormen als vastgesteld in het tweede en derde lid.
De uitbetalende instantie stelt de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van minimumnormen die verschillen naar gelang van de aanvang van de betrekkingen tussen de uitbetalende instantie en de ontvanger van de rente, en wel als volgt:
- a. voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2004 stelt de uitbetalende instantie de identiteit vast van de uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam en adres, aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de geldende wetgeving van de Caymaneilanden tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld;
- b. voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan, of transacties die bij ontstentenis van contractuele betrekkingen zijn verricht, op of na 1 januari 2004, stelt de uitbetalende instantie de identiteit vast van de uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit naam, adres, en, indien dat bestaat, het hem door de fiscale woonstaat toegekende fiscaal identificatienummer. Deze elementen worden vastgesteld op basis van het paspoort of de officiële identiteitskaart die door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd. Indien het niet vermeld is in dat paspoort of op die officiële identiteitskaart, wordt het adres vastgesteld op basis van enig ander document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd en dat zijn identiteit bewijst. Indien het fiscaal identificatienummer niet vermeld wordt in het paspoort, op de officiële identiteitskaart of in enig ander document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd en dat zijn identiteit bewijst, waaronder eventueel een fiscalewoonplaatsverklaring, wordt de identiteit aangevuld met de vermelding van diens geboorteplaats en -datum zoals vermeld in het paspoort of op de officiële identiteitskaart.
De uitbetalende instantie stelt de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van minimumnormen die verschillen naar gelang van de aanvang van de betrekkingen tussen de uitbetalende instantie en de ontvanger van de rente. Als woonplaats wordt aangemerkt het land waar de uiteindelijk gerechtigde zijn vaste adres heeft, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
- a. voor contractuele betrekkingen die vóór 1 januari 2004 zijn aangegaan, stelt de uitbetalende instantie de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de geldende wetgeving van de Caymaneilanden tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld;
- b. voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan, of transacties die bij ontstentenis van contractuele betrekkingen zijn verricht, op of na 1 januari 2004, stelt de uitbetalende instantie de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van het adres dat vermeld staat in het paspoort, op de officiële identiteitskaart of zo nodig op basis van enig ander document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd en dat zijn identiteit bewijst, volgens de volgende procedure: van natuurlijke personen die een door een lidstaat uitgereikt paspoort of officiële identiteitskaart overleggen en die verklaren ingezetene van een derde land te zijn, wordt de woonplaats vastgesteld op basis van een fiscalewoonplaatsverklaring die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land waarvan de natuurlijke persoon verklaart ingezetene te zijn. Wordt een dergelijke verklaring niet overgelegd, dan wordt de natuurlijke persoon geacht zijn woonplaats te hebben in de lidstaat die het paspoort of enig ander officieel identiteitsdocument heeft uitgereikt.
Artikel 5. Definitie van uitbetalende instantie
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „uitbetalende instantie" verstaan elke marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of deze marktdeelnemer de debiteur is van de rentedragende schuldvordering of de marktdeelnemer die door de debiteur of de uiteindelijk gerechtigde belast is met het uitbetalen van de rente of het bewerkstelligen van de rentebetaling.
Een in een Overeenkomstsluitende Partij gevestigde entiteit waaraan rente wordt uitbetaald of waarvoor een rentebetaling wordt bewerkstelligd ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde, wordt op het tijdstip van het verrichten of bewerkstelligen van die rentebetaling eveneens als uitbetalende instantie aangemerkt. Deze bepaling is niet van toepassing indien de marktdeelnemer op basis van door de entiteit overgelegde officiële bewijsstukken redenen heeft om aan te nemen dat de entiteit:
- a. een rechtspersoon is, met uitzondering van de in het vijfde lid van dit artikel vermelde rechtspersonen; of
- b. volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen winstbelasting moet afdragen; of
- c. een overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG van de Raad erkende ICBE is of een daarmee vergelijkbare, op de Caymaneilanden gevestigde instelling voor collectieve belegging.
Een op de Caymaneilanden gevestigde marktdeelnemer die rente uitbetaalt aan, of een rentebetaling bewerkstelligt voor, een dergelijke in een andere Overeenkomstsluitende Partij gevestigde entiteit die op grond van dit lid als uitbetalende instantie wordt aangemerkt, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij is gevestigd de naam en het adres van de entiteit mee, alsmede het totale bedrag van de rente die aan de entiteit is uitbetaald of dat voor de entiteit is bewerkstelligd. Bedoelde bevoegde autoriteit geeft deze gegevens vervolgens door aan de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar de entiteit is gevestigd.
De in het tweede lid van dit artikel bedoelde entiteit heeft echter de mogelijkheid voor de toepassing van deze Overeenkomst te kiezen voor een behandeling als ICBE of een daarmee vergelijkbare instelling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van dit artikel. Indien van deze keuzemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt door de Overeenkomstsluitende Partij waar de entiteit is gevestigd een verklaring afgegeven, welke door deze entiteit aan de marktdeelnemer overhandigd wordt. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen nadere voorschriften voor deze keuzemogelijkheid vast voor de op hun grondgebied gevestigde entiteiten.
Wanneer de marktdeelnemer en de in het tweede lid van dit artikel bedoelde entiteit in dezelfde Overeenkomstsluitende Partij zijn gevestigd, treft die Overeenkomstsluitende Partij de nodige maatregelen om te waarborgen dat de entiteit de bepalingen van deze Overeenkomst naleeft wanneer zij als uitbetalende instantie handelt.
De van de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel uitgesloten rechtspersonen zijn;
- a. in Finland: avoin yhtio (Ay) en kommandiittiyhtio (Ky)/oppet bolag en kommanditbolag
- b. in Zweden: handelsbolag (HB) en kommanditbolag (KB).
Artikel 6. Definitie van rentebetaling
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „rentebetaling" verstaan:
- a. rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek en al dan niet voorzien van een winstdelingsclausule, en, met name, inkomsten uit overheidspapier en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, inclusief daaraan verbonden premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt;
- b. rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de in onderdeel a bedoelde schuldvorderingen;
- c. inkomsten uit rentebetalingen, hetzij rechtstreeks, hetzij via een entiteit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van deze Overeenkomst, uitgekeerd door:
- i. ICBE's waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611 EEG van de Raad; of
- ii. een daarmee vergelijkbare, op de Caymaneilanden gevestigde instelling voor collectieve belegging;
- iii. entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 5, derde lid, van deze Overeenkomst;
- iv. instellingen voor collectieve belegging gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is uit hoofde van artikel 299 van dat Verdrag, en buiten de Caymaneilanden.
- d. inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in de volgende instellingen en entiteiten, indien deze instellingen en entiteiten rechtstreeks of middellijk, via andere dan de hierna genoemde instellingen voor collectieve belegging of entiteiten, meer dan 40% van hun vermogen beleggen in de in onderdeel a bedoelde schuldvorderingen: De Overeenkomstsluitende Partijen beschikken echter slechts over de mogelijkheid de inkomsten vermeld in het eerste lid, onderdeel d, van dit artikel onder de definitie van rente te laten vallen voorzover deze inkomsten rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen in de zin van de onderdelen a en b van het eerste lid van dit artikel.
- i. ICBE's waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611 EEG van de Raad; of
- ii. een daarmee vergelijkbare, op de Caymaneilanden gevestigde instelling voor collectieve belegging;
- iii. entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 5, derde lid, van deze Overeenkomst;
- iv. instellingen voor collectieve belegging gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is uit hoofde van artikel 299 van dat Verdrag, en buiten de Caymaneilanden.
Wat betreft het eerste lid, onderdelen c en d, van dit artikel, wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat voortkomt uit rentebetalingen, het volledige bedrag aan inkomsten als rentebetaling aangemerkt.
Wat betreft het eerste lid, onderdeel d, van dit artikel, wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen of in aandelen of bewijzen van deelneming als omschreven in dat lid, dat percentage geacht meer dan 40% te bedragen. Indien zij het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden de inkomsten geacht gelijk te zijn aan de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming.
Indien rente, als omschreven in het eerste lid van dit artikel, wordt uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening op naam van een entiteit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van deze Overeenkomst en deze entiteit geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 5, derde lid, van deze Overeenkomst, wordt de uitbetaalde of bijgeschreven rente aangemerkt als een door deze entiteit verrichte rentebetaling.
Wat betreft het eerste lid, onderdelen b en d, van dit artikel, kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen ervoor kiezen op hun grondgebied gevestigde uitbetalende instanties ertoe te verplichten de rente over een periode van ten hoogste één jaar op jaarbasis te berekenen en deze geannualiseerde rente als een rentebetaling te beschouwen, zelfs als tijdens die periode geen verkoop, terugbetaling of aflossing heeft plaatsgevonden.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen c en d, van dit artikel, kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen ervoor kiezen alle in die bepalingen bedoelde inkomsten die afkomstig zijn van op haar grondgebied gevestigde instellingen of entiteiten, van de definitie van rentebetaling uit te sluiten zodra de beleggingen in schuldvorderingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel, niet meer dan 15% van hun vermogen uitmaken. Evenzeer kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen, in afwijking van het vierde lid van dit artikel, ervoor kiezen van de definitie van rentebetaling in het eerste lid van dit artikel, uit te sluiten de rente die is uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening van een entiteit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van deze Overeenkomst, die geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 5, derde lid, van deze Overeenkomst, en die op haar grondgebied is gevestigd, zodra de beleggingen van deze entiteit in schuldvorderingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel niet meer dan 15% van haar vermogen uitmaken.
Indien een Overeenkomstsluitende Partij gebruik maakt van deze keuzemogelijkheid, is dit voor de andere Overeenkomstsluitende Partij bindend.
Het percentage als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en het derde lid van dit artikel wordt vanaf 1 januari 2011 25%.
De in het eerste lid, onderdeel d, en in het zesde lid van dit artikel bedoelde percentages worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsenreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de betrokken instellingen of entiteiten.
Artikel 7. Overgangsbepalingen voor verhandelbare schuldbewijzen
Gedurende de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn vastgestelde overgangsperiode, maar uiterlijk tot 31 december 2010, worden binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldbewijzen die voor het eerst zijn uitgegeven voor 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus voor die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van Richtlijn 80/390/EEG van de Raad of door de verantwoordelijke autoriteiten in derde landen, niet aangemerkt als schuldvorderingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst op voorwaarde dat op of na 1 maart 2002 geen aanvullende emissies van dergelijke verhandelbare schuldbewijzen plaatsvinden. Mocht de overgangsperiode echter na 31 december 2010 voortduren, dan blijven de bepalingen van dit artikel alleen van toepassing op de verhandelbare schuldbewijzen:
- –. die clausules inzake gross-up en vroegtijdige aflossing bevatten; en
- –. wanneer de uitbetalende instantie gevestigd is in een Overeenkomstsluitende Partij die bronbelasting toepast en die uitbetalende instantie de rente rechtstreeks betaalt aan, of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van een uiteindelijk gerechtigde die zijn woonplaats in de andere Overeenkomstsluitende Partij heeft.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een van de vorenvermelde verhandelbare schuldbewijzen, die zijn uitgegeven door een Regering of een verwante entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij internationaal verdrag, als omschreven in de bijlage bij deze Overeenkomst, wordt de gehele emissie van dit schuldbewijs, bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een van de vorenvermelde verhandelbare schuldbewijzen, uitgegeven door een andere emittent die niet valt onder het bepaalde in de tweede alinea, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst.
Dit artikel belet de Overeenkomstsluitende Partijen niet de inkomsten uit de in het eerste lid bedoelde verhandelbare schuldbewijzen overeenkomstig hun nationale recht te belasten.
Artikel 8. Regeling voor onderling overleg
Indien moeilijkheden of twijfelpunten mochten rijzen tussen Partijen met betrekking tot de uitvoering of de uitlegging van deze Overeenkomst, stellen de Overeenkomstsluitende Partijen alles in het werk om die in onderling overleg op te lossen.
Artikel 9. Vertrouwelijkheid
Alle inlichtingen die de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij verstrekt en ontvangt zijn vertrouwelijk.
Aan de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij verstrekte inlichtingen mogen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere Overeenkomstsluitende Partij niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan directe belastingheffing.
Verstrekte inlichtingen worden uitsluitend ter kennis gebracht van personen of autoriteiten die betrokken zijn bij directe belastingheffing en worden door die personen of autoriteiten uitsluitend tot dit doel gebruikt of ten behoeve van controle, met inbegrip van beslissingen op beroep of bezwaar. Voor deze doeleinden mogen inlichtingen worden onthuld tijdens openbare rechtszittingen of in gerechtelijke procedures.
Wanneer een bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij van mening is dat de inlichtingen die zij van de bevoegde autoriteit van de andere Overeenkomstsluitende Partij heeft ontvangen, van nut kunnen zijn voor de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat, kan zij de inlichtingen met toestemming van de bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt, doorgeven aan de bevoegde autoriteit van de derde lidstaat.
Artikel 10. Inwerkingtreding
Deze Overeenkomst treedt in werking op de dertigste dag na de laatste van de data waarop de respectieve regeringen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat de grondwettelijk voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld en de bepalingen ervan vinden toepassing op de datum vanaf welke de richtlijn overeenkomstig artikel 17, tweede en derde lid, van de richtlijn van toepassing is.
Artikel 11. Beëindiging
Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van beide Overeenkomstsluitende Partijen wordt beëindigd.
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, onder vermelding van de omstandigheden die tot de kennisgeving hebben geleid. In dat geval houdt deze Overeenkomst op van kracht te zijn twaalf maanden na de betekening van de kennisgeving.
Artikel 12. Toepassing en opschorting van toepassing
De toepassing van deze Overeenkomst is afhankelijk van de aanneming en tenuitvoerlegging door alle lidstaten van de Europese Unie, de Verenigde Staten van Amerika, Zwitserland, Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino, evenals door alle betrokken afhankelijke en geassocieerde gebieden van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, van maatregelen die voldoen aan of vergelijkbaar zijn met die vervat in de richtlijn of in deze Overeenkomst, en die dezelfde data van tenuitvoerlegging eisen.
Met inachtneming van de regeling voor onderling overleg voorzien in artikel 8 van deze Overeenkomst, kan de toepassing van deze Overeenkomst of delen daarvan door elk van de Overeenkomstsluitende Partijen met onmiddellijke ingang bij kennisgeving aan de andere Partij geworden opgeschort, onder vermelding van de omstandigheden die tot deze kennisgeving hebben geleid indien de richtlijn in overeenstemming met het Europese gemeenschapsrecht tijdelijk of definitief ophoudt van toepassing te zijn of ingeval een lidstaat de toepassing van de wetgeving ter uitvoering daarvan opschort. De toepassing van de Overeenkomst wordt hervat zodra de omstandigheden die tot opschorting hebben geleid niet langer aanwezig zijn.
Met inachtneming van de regeling voor onderling overleg voorzien in artikel 8 van deze Overeenkomst, kan elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen de toepassing van deze Overeenkomst opschorten bij kennisgeving aan de andere Partij, onder vermelding van de omstandigheden die tot deze kennisgeving hebben geleid ingeval een van de derde landen of gebieden bedoeld in het eerste lid vervolgens ophoudt de in dat lid bedoelde maatregelen toe te passen. Opschorting van de toepassing geschiedt niet eerder dan twee maanden na de kennisgeving. De toepassing van de Overeenkomst wordt hervat zodra het derde land of het gebied in kwestie de maatregelen opnieuw instelt.
Artikel 13. Bevoegde autoriteiten
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „bevoegde autoriteit", indien gebezigd ten aanzien van de Caymaneilanden, verstaan de „Financial Secretary" en indien gebezigd ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden „de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst - Economische Controledienst".
Artikel 14. Tenuitvoerlegging
De Overeenkomstsluitende Partijen dienen vóór 1 januari 2005 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan deze Overeenkomst te voldoen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)