Briefwisseling houdende een overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Britse Maagdeneilanden betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden

Type Verdrag
Publication 2005-07-23
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Overwegende hetgeen volgt

Artikel 17 van Richtlijn 2003/48/EG (hierna genoemd de „richtlijn") van de Raad van de Europese Unie (hierna genoemd „de Raad") betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden bepaalt dat de lidstaten voor 1 januari 2004 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen en bekendmaken die nodig zijn om met ingang van 1 januari 2005 aan de richtlijn te voldoen, mits

„de Zwitserse Bondstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf diezelfde datum maatregelen toepassen die gelijkwaardig zijn aan de maatregelen waarin deze Richtlijn voorziet, zulks overeenkomstig de overeenkomsten die zij met de Europese Gemeenschap hebben gesloten en na met eenparigheid van stemmen genomen besluiten van de Raad;

alle overeenkomsten of andere regelingen van kracht zijn waarin wordt bepaald dat alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden vanaf diezelfde datum automatische gegevensuitwisseling van informatie toepassen zoals voorgeschreven in hoofdstuk II van deze richtlijn (of tijdens de in artikel 10 bepaalde overgangsperiode een bronbelasting toepassen die strookt met de in artikel 11 en 12 vervatte voorwaarden)";

De Britse Maagdeneilanden („BME") zijn geen lid van de Europese Unie en liggen niet in het belastinggebied van de Europese Unie. De Regering van het Verenigd Koninkrijk heeft de Regering van de BME evenwel verzocht de bepalingen van de richtlijn vrijwillig toe te passen;

De BME merken op dat het uiteindelijke doel van de EU-lidstaten weliswaar is het mogelijk maken van een effectieve belastingheffing op rentebetalingen in de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde door de uitwisseling van informatie over rentebetalingen tussen de lidstaten onderling, maar dat drie lidstaten, namelijk Oostenrijk, België en Luxemburg gedurende een overgangsperiode niet verplicht zijn tot het automatisch uitwisselen van informatie maar een bronbelasting zullen heffen op de onder de richtlijn vallende inkomsten uit spaargelden;

De BME hebben ermee ingestemd met ingang van 1 januari 2005 bronbelasting te heffen, mits de lidstaten van de Europese Unie de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen hebben vastgesteld die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, en algemeen aan de vereisten van artikel 17 van de richtlijn is voldaan;

De BME hebben ermee ingestemd om, na afloop van de overgangsperiode zoals omschreven in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn, automatische uitwisseling van informatie toe te passen zoals voorgeschreven in Hoofdstuk II van de richtlijn;

De BME beschikken over wetgeving betreffende instellingen voor collectieve belegging die qua gevolgen gelijkwaardig wordt geacht aan de EG-wetgeving bedoeld in artikel 2 en 6 van de richtlijn;

Zijn de Regering van de BME en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „Overeenkomstsluitende Partij" of „Overeenkomstsluitende Partijen", naar gelang de context) overeengekomen deze Overeenkomst te sluiten dat uitsluitend verplichtingen voor de Overeenkomstsluitende Partijen bevat en voorziet in

de automatische verschaffing van informatie door de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden aan de bevoegde autoriteit van de BME op dezelfde wijze als aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat;

de toepassing door de BME, tijdens de in artikel 10 van de richtlijn bepaalde overgangsperiode, van een bronbelasting vanaf dezelfde datum en onder dezelfde voorwaarden als vervat in artikel 11 en 12 van die richtlijn;

de automatische verschaffing van informatie door de bevoegde autoriteit van de BME aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn;

de overdracht door de bevoegde autoriteit van de BME aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden van 75% van de inkomsten uit de bronbelasting ter zake van rentebetalingen verricht door een uitbetalende instantie gevestigd op de BME aan een natuurlijke persoon die zijn woonplaats heeft in het Koninkrijk der Nederlanden.

Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/90).

Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/90).

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 2. Inhouden van belasting door uitbetalende instanties

Over de rentebetalingen die worden omschreven in artikel 9 van deze Overeenkomst die worden verricht door een uitbetalende instantie gevestigd op de BME aan uiteindelijk gerechtigden in de zin van artikel 6 van deze Overeenkomst die hun woonplaats in het Koninkrijk der Nederlanden hebben, is, onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst, bronbelasting verschuldigd gedurende de in artikel 15 van deze Overeenkomst bedoelde overgangsperiode die begint op de in artikel 16 van deze Overeenkomst vermelde datum. Het tarief van de bronbelasting bedraagt 15% gedurende de eerste drie jaar van de overgangsperiode, 20% gedurende de volgende drie jaar en daarna 35%.

Artikel 3. Informatieverschaffing door uitbetalende instanties
1.

Indien rentebetalingen, zoals omschreven in artikel 9 van deze Overeenkomst, worden verricht door een uitbetalende instantie gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden aan uiteindelijk gerechtigden, zoals omschreven in artikel 6 van deze Overeenkomst, die hun woonplaats op de BME hebben, of indien de bepalingen van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst van toepassing zijn, meldt de uitbetalende instantie aan haar bevoegde autoriteit

2.

Binnen zes maanden na het einde van het belastingjaar, verstrekt de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden automatisch aan de bevoegde autoriteit van de BME de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, van dit artikel bedoelde gegevens van alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen.

Artikel 4. Uitzonderingen ten aanzien van de bronbelastingprocedure
1.

Bij het heffen van bronbelasting overeenkomstig artikel 2 van deze Overeenkomst voorzien de BME in een van de of beide van de volgende procedures teneinde te waarborgen dat de uiteindelijk gerechtigden een verzoek kunnen indienen dat geen bronbelasting wordt ingehouden:

2.

Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij van zijn fiscale woonstaat een verklaring af met daarin de volgende gegevens:

Een dergelijke verklaring is geldig voor ten hoogste drie jaar. Zij wordt afgegeven aan elke uiteindelijk gerechtigde die daarom vraagt, binnen twee maanden nadat het desbetreffende verzoek is ingediend, en voorzien van de datum van het verzoek alsmede van de datum van afgifte en geldt voor de betalingen die na de datum van het verzoek zijn verricht.

3.

Indien het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel van toepassing is, zendt de bevoegde autoriteit van de BME waar de uitbetalende instantie is gevestigd, de in artikel 3, eerste lid, van deze Overeenkomst bedoelde informatie aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden als woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde. Deze informatie wordt automatisch en ten minste eenmaal per jaar verstrekt, binnen zes maanden na afloop van het overeenkomstig de wetgeving van een Overeenkomstsluitende Partij vastgestelde belastingjaar, voor alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen.

Artikel 5. Grondslag voor de vaststelling van bronbelasting
1.

Een uitbetalende instantie gevestigd op de BME heft op de volgende wijze bronbelasting in overeenstemming met artikel 2 van deze Overeenkomst:

2.

Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel, eerste lid, onderdelen a en b, wordt de bronbelasting geheven naar rato van de periode waarin de uiteindelijk gerechtigde houder van de schuldvordering was. Ingeval de uitbetalende instantie die periode niet kan vaststellen met de informatie waarover zij beschikt, behandelt zij de uiteindelijk gerechtigde als ware hij de houder van de schuldvordering over de hele periode waarin die heeft bestaan, tenzij hij de datum van verkrijging aantoont.

3.

Het opleggen van bronbelasting door de BME belet het Koninkrijk der Nederlanden niet de inkomsten te belasten overeenkomstig zijn nationale recht.

4.

Tijdens de overgangsperiode kunnen de BME bepalen dat een marktdeelnemer die rente uitbetaalt aan, of een rentebetaling bewerkstelligt voor, een in de andere Overeenkomstsluitende Partij gevestigde entiteit als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst, wordt aangemerkt als de uitbetalende instantie in plaats van de entiteit, en de bronbelasting op die rente heft, tenzij de entiteit formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de rentebetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst.

Artikel 6. Definitie van „uiteindelijk gerechtigde"
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „uiteindelijk gerechtigde" verstaan elke natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt, of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, tenzij deze aantoont dat de rentebetaling niet te zijner gunste is ontvangen of is bewerkstelligd. Een natuurlijke persoon is niet de uiteindelijk gerechtigde indien hij:

2.

Indien de uitbetalende instantie beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon noch onder onderdeel a noch onder onderdeel b van het eerste lid van dit artikel valt, moet zij redelijke maatregelen nemen om de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen. Indien de uitbetalende instantie de uiteindelijk gerechtigde niet kan identificeren, behandelt zij de natuurlijke persoon in kwestie als de uiteindelijk gerechtigde.

Artikel 7. Identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigden
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst stelt elke Partij, binnen haar grondgebied, de procedures vast die nodig zijn om de uitbetalende instantie in staat te stellen de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigden vast te stellen ten behoeve van en draagt de Partij zorg voor de toepassing van deze procedures. Deze procedures voldoen aan de minimumnormen als vastgesteld in het tweede en derde lid.

2.

De uitbetalende instantie stelt de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van minimumnormen die verschillen naar gelang van de aanvang van de betrekkingen tussen de uitkerende instantie en de ontvanger van de rente, en wel als volgt:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.