Briefwisseling houdende een overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Britse Maagdeneilanden betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden
Overwegende hetgeen volgt
Artikel 17 van Richtlijn 2003/48/EG (hierna genoemd de „richtlijn") van de Raad van de Europese Unie (hierna genoemd „de Raad") betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden bepaalt dat de lidstaten voor 1 januari 2004 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen en bekendmaken die nodig zijn om met ingang van 1 januari 2005 aan de richtlijn te voldoen, mits
„de Zwitserse Bondstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf diezelfde datum maatregelen toepassen die gelijkwaardig zijn aan de maatregelen waarin deze Richtlijn voorziet, zulks overeenkomstig de overeenkomsten die zij met de Europese Gemeenschap hebben gesloten en na met eenparigheid van stemmen genomen besluiten van de Raad;
alle overeenkomsten of andere regelingen van kracht zijn waarin wordt bepaald dat alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden vanaf diezelfde datum automatische gegevensuitwisseling van informatie toepassen zoals voorgeschreven in hoofdstuk II van deze richtlijn (of tijdens de in artikel 10 bepaalde overgangsperiode een bronbelasting toepassen die strookt met de in artikel 11 en 12 vervatte voorwaarden)";
De Britse Maagdeneilanden („BME") zijn geen lid van de Europese Unie en liggen niet in het belastinggebied van de Europese Unie. De Regering van het Verenigd Koninkrijk heeft de Regering van de BME evenwel verzocht de bepalingen van de richtlijn vrijwillig toe te passen;
De BME merken op dat het uiteindelijke doel van de EU-lidstaten weliswaar is het mogelijk maken van een effectieve belastingheffing op rentebetalingen in de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde door de uitwisseling van informatie over rentebetalingen tussen de lidstaten onderling, maar dat drie lidstaten, namelijk Oostenrijk, België en Luxemburg gedurende een overgangsperiode niet verplicht zijn tot het automatisch uitwisselen van informatie maar een bronbelasting zullen heffen op de onder de richtlijn vallende inkomsten uit spaargelden;
De BME hebben ermee ingestemd met ingang van 1 januari 2005 bronbelasting te heffen, mits de lidstaten van de Europese Unie de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen hebben vastgesteld die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, en algemeen aan de vereisten van artikel 17 van de richtlijn is voldaan;
De BME hebben ermee ingestemd om, na afloop van de overgangsperiode zoals omschreven in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn, automatische uitwisseling van informatie toe te passen zoals voorgeschreven in Hoofdstuk II van de richtlijn;
De BME beschikken over wetgeving betreffende instellingen voor collectieve belegging die qua gevolgen gelijkwaardig wordt geacht aan de EG-wetgeving bedoeld in artikel 2 en 6 van de richtlijn;
Zijn de Regering van de BME en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „Overeenkomstsluitende Partij" of „Overeenkomstsluitende Partijen", naar gelang de context) overeengekomen deze Overeenkomst te sluiten dat uitsluitend verplichtingen voor de Overeenkomstsluitende Partijen bevat en voorziet in
de automatische verschaffing van informatie door de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden aan de bevoegde autoriteit van de BME op dezelfde wijze als aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat;
de toepassing door de BME, tijdens de in artikel 10 van de richtlijn bepaalde overgangsperiode, van een bronbelasting vanaf dezelfde datum en onder dezelfde voorwaarden als vervat in artikel 11 en 12 van die richtlijn;
de automatische verschaffing van informatie door de bevoegde autoriteit van de BME aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn;
de overdracht door de bevoegde autoriteit van de BME aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden van 75% van de inkomsten uit de bronbelasting ter zake van rentebetalingen verricht door een uitbetalende instantie gevestigd op de BME aan een natuurlijke persoon die zijn woonplaats heeft in het Koninkrijk der Nederlanden.
Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/90).
Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/90).
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. "bevoegde autoriteit", indien gebezigd ten aanzien van de Overeenkomstsluitende Partijen,
- i. met betrekking tot de BME, de Financial Secretary (minister van Financiën); en
- ii. met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst - Economische Controledienst;
- b. "het Koninkrijk der Nederlanden", het deel van het Koninkrijk in Europa;
- c. "woonplaats", met betrekking tot een uiteindelijk gerechtigde, het land of het grondgebied waar deze zijn vaste adres heeft, met inachtneming van de voorwaarden vervat in artikel 7, derde lid, van deze Overeenkomst;
- d. "ICBE", een instelling voor collectieve belegging in effecten erkend in overeenstemming met Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende instellingen voor collectieve belegging in effecten.
Artikel 2. Inhouden van belasting door uitbetalende instanties
Over de rentebetalingen die worden omschreven in artikel 9 van deze Overeenkomst die worden verricht door een uitbetalende instantie gevestigd op de BME aan uiteindelijk gerechtigden in de zin van artikel 6 van deze Overeenkomst die hun woonplaats in het Koninkrijk der Nederlanden hebben, is, onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst, bronbelasting verschuldigd gedurende de in artikel 15 van deze Overeenkomst bedoelde overgangsperiode die begint op de in artikel 16 van deze Overeenkomst vermelde datum. Het tarief van de bronbelasting bedraagt 15% gedurende de eerste drie jaar van de overgangsperiode, 20% gedurende de volgende drie jaar en daarna 35%.
Artikel 3. Informatieverschaffing door uitbetalende instanties
Indien rentebetalingen, zoals omschreven in artikel 9 van deze Overeenkomst, worden verricht door een uitbetalende instantie gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden aan uiteindelijk gerechtigden, zoals omschreven in artikel 6 van deze Overeenkomst, die hun woonplaats op de BME hebben, of indien de bepalingen van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst van toepassing zijn, meldt de uitbetalende instantie aan haar bevoegde autoriteit
- a. de identiteit en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde, zoals die overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van deze Overeenkomst zijn vastgesteld,
- b. de naam en het adres van de uitbetalende instantie,
- c. het rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van de rentedragende schuldvordering, en
- d. gegevens over de rentebetaling zoals omschreven in artikel 5, eerste lid, van deze Overeenkomst. Beide Overeenkomstsluitende Partijen kunnen evenwel de minimale inhoud van de gegevens die de uitbetalende instantie gehouden is over de rentebetaling te verstrekken, beperken tot het totaalbedrag van de rente of van de inkomsten en tot het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing uitbetaald aan de uiteindelijk gerechtigde binnen het belastingjaar, en het Koninkrijk der Nederlanden voldoet aan het tweede lid van dit artikel.
Binnen zes maanden na het einde van het belastingjaar, verstrekt de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden automatisch aan de bevoegde autoriteit van de BME de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, van dit artikel bedoelde gegevens van alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen.
Artikel 4. Uitzonderingen ten aanzien van de bronbelastingprocedure
Bij het heffen van bronbelasting overeenkomstig artikel 2 van deze Overeenkomst voorzien de BME in een van de of beide van de volgende procedures teneinde te waarborgen dat de uiteindelijk gerechtigden een verzoek kunnen indienen dat geen bronbelasting wordt ingehouden:
- a. een procedure waarbij het de uiteindelijk gerechtigde als omschreven in artikel 6 van deze Overeenkomst is toegestaan de bronbelasting omschreven in artikel 2 van deze Overeenkomst te vermijden door zijn uitbetalende instantie uitdrukkelijk te machtigen de rentebetalingen te melden aan de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar de uitbetalende instantie is gevestigd. Een dergelijke machtiging bestrijkt alle ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde door die uitbetalende instantie uitbetaalde rente;
- b. een procedure die garandeert dat geen bronbelasting wordt geheven indien de uiteindelijk gerechtigde aan zijn uitbetalende instantie een verklaring overlegt die overeenkomstig het tweede lid van dit artikel door de bevoegde autoriteit van zijn fiscale woonstaat op zijn naam is gesteld.
Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij van zijn fiscale woonstaat een verklaring af met daarin de volgende gegevens:
- i. naam, adres en fiscaal of ander identificatienummer of, bij ontstentenis daarvan, de geboortedatum en -plaats van de uiteindelijk gerechtigde;
- ii. naam en adres van de uitbetalende instantie; en
- iii. rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van het schuldinstrument.
Een dergelijke verklaring is geldig voor ten hoogste drie jaar. Zij wordt afgegeven aan elke uiteindelijk gerechtigde die daarom vraagt, binnen twee maanden nadat het desbetreffende verzoek is ingediend, en voorzien van de datum van het verzoek alsmede van de datum van afgifte en geldt voor de betalingen die na de datum van het verzoek zijn verricht.
Indien het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel van toepassing is, zendt de bevoegde autoriteit van de BME waar de uitbetalende instantie is gevestigd, de in artikel 3, eerste lid, van deze Overeenkomst bedoelde informatie aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden als woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde. Deze informatie wordt automatisch en ten minste eenmaal per jaar verstrekt, binnen zes maanden na afloop van het overeenkomstig de wetgeving van een Overeenkomstsluitende Partij vastgestelde belastingjaar, voor alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen.
Artikel 5. Grondslag voor de vaststelling van bronbelasting
Een uitbetalende instantie gevestigd op de BME heft op de volgende wijze bronbelasting in overeenstemming met artikel 2 van deze Overeenkomst:
- a. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst: op de uitbetaalde of bijgeschreven rente;
- b. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel b of d, van deze Overeenkomst: op het bedrag van de rente of inkomsten als bedoeld in die onderdelen of door een heffing van vergelijkbare omvang, ten laste van de ontvanger, op het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing zoals gemeld door de uitbetalende instantie aan haar bevoegde autoriteit;
- c. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van deze Overeenkomst: op het aldaar bedoelde rentebedrag;
- d. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 9, vierde lid, deze Overeenkomst: op het rentebedrag dat toevalt aan elk van de leden van de in artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst bedoelde entiteit die voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, van deze Overeenkomst; en
- e. wanneer de BME gebruikmaken van de keuzemogelijkheid van artikel 9, vijfde lid, van deze Overeenkomst: op het bedrag van de op jaarbasis berekende rente.
Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel, eerste lid, onderdelen a en b, wordt de bronbelasting geheven naar rato van de periode waarin de uiteindelijk gerechtigde houder van de schuldvordering was. Ingeval de uitbetalende instantie die periode niet kan vaststellen met de informatie waarover zij beschikt, behandelt zij de uiteindelijk gerechtigde als ware hij de houder van de schuldvordering over de hele periode waarin die heeft bestaan, tenzij hij de datum van verkrijging aantoont.
Het opleggen van bronbelasting door de BME belet het Koninkrijk der Nederlanden niet de inkomsten te belasten overeenkomstig zijn nationale recht.
Tijdens de overgangsperiode kunnen de BME bepalen dat een marktdeelnemer die rente uitbetaalt aan, of een rentebetaling bewerkstelligt voor, een in de andere Overeenkomstsluitende Partij gevestigde entiteit als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst, wordt aangemerkt als de uitbetalende instantie in plaats van de entiteit, en de bronbelasting op die rente heft, tenzij de entiteit formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de rentebetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst.
Artikel 6. Definitie van „uiteindelijk gerechtigde"
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „uiteindelijk gerechtigde" verstaan elke natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt, of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, tenzij deze aantoont dat de rentebetaling niet te zijner gunste is ontvangen of is bewerkstelligd. Een natuurlijke persoon is niet de uiteindelijk gerechtigde indien hij:
- a. optreedt als uitbetalende instantie in de zin van artikel 8, eerste lid, van dit Verdrag;
- b. handelt namens een rechtspersoon, een entiteit waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, een ICBE waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611EEG, of een daarmee vergelijkbare instelling voor collectieve belegging gevestigd op de BME, of een entiteit als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst, en hij, in het laatstgenoemde geval, aan de marktdeelnemer die de rentebetaling verricht de naam en het adres van die entiteit bekendmaakt en de marktdeelnemer deze informatie op zijn beurt doorgeeft aan de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij is gevestigd; of
- c. handelt namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is en hij aan de uitbetalende instantie de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde bekendmaakt.
Indien de uitbetalende instantie beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon noch onder onderdeel a noch onder onderdeel b van het eerste lid van dit artikel valt, moet zij redelijke maatregelen nemen om de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen. Indien de uitbetalende instantie de uiteindelijk gerechtigde niet kan identificeren, behandelt zij de natuurlijke persoon in kwestie als de uiteindelijk gerechtigde.
Artikel 7. Identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigden
Voor de toepassing van deze Overeenkomst stelt elke Partij, binnen haar grondgebied, de procedures vast die nodig zijn om de uitbetalende instantie in staat te stellen de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigden vast te stellen ten behoeve van en draagt de Partij zorg voor de toepassing van deze procedures. Deze procedures voldoen aan de minimumnormen als vastgesteld in het tweede en derde lid.
De uitbetalende instantie stelt de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van minimumnormen die verschillen naar gelang van de aanvang van de betrekkingen tussen de uitkerende instantie en de ontvanger van de rente, en wel als volgt:
- a. voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan voor 1 januari 2004, stelt de uitbetalende instantie de identiteit vast van de uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam en adres, aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de geldende voorschriften in het land van vestiging en van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden of vergelijkbare wetgeving in het geval van de BME tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld;
- b. voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan, of voor transacties die bij ontstentenis van contractuele betrekkingen zijn verricht, op of na 1 januari 2004, stelt de uitkerende instantie de identiteit vast van de uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit naam, adres, en, indien dat bestaat, het hem door de fiscale woonstaat toegekende fiscaal identificatienummer. Deze elementen worden vastgesteld op basis van het paspoort dat of de officiële identiteitskaart die door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd. Indien het adres niet vermeld is in het paspoort of op de officiële identiteitskaart, wordt het vastgesteld op basis van enig ander document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd en dat zijn identiteit bewijst. Indien het fiscaal identificatienummer niet vermeld wordt in het paspoort, op de officiële identiteitskaart of in enig ander document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd en dat zijn identiteit bewijst, waaronder eventueel een fiscalewoonplaatsverklaring, wordt de identiteit aangevuld met de vermelding van diens geboorteplaats en -datum zoals vermeld in het paspoort of op de officiële identiteitskaart.
De uitbetalende instantie stelt de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van minimumnormen die verschillen naar gelang van de aanvang van de betrekkingen tussen de uitkerende instantie en de ontvanger van de rente. Als woonplaats wordt aangemerkt het land waar de uiteindelijk gerechtigde zijn vaste adres heeft, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
- a. voor contractuele betrekkingen die voor 1 januari 2004 zijn aangegaan, stelt de uitbetalende instantie de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de geldende voorschriften in het land van vestiging en van Richtlijn 91/308/EEG in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden of vergelijkbare wetgeving in het geval van de BME;
- b. voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan, of transacties die bij ontstentenis van contractuele betrekkingen zijn verricht, op of na 1 januari 2004, stelt de uitbetalende instantie de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast op basis van het adres dat vermeld staat in het paspoort, op de officiële identiteitskaart of zo nodig op basis van enig ander document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd en dat zijn identiteit bewijst, volgens de volgende procedure: van natuurlijke personen die een door een lidstaat uitgereikt paspoort of officiële identiteitskaart overleggen en die verklaren ingezetene van een derde land te zijn, wordt de woonplaats vastgesteld op basis van een fiscalewoonplaatsverklaring die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land waarvan de natuurlijke persoon verklaart ingezetene te zijn. Wordt een dergelijke verklaring niet overgelegd, dan wordt de natuurlijke persoon geacht zijn woonplaats te hebben in de lidstaat die het paspoort of enig ander officieel identiteitsdocument heeft uitgereikt.
Artikel 8. Definitie van „uitbetalende instantie"
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „uitbetalende instantie" verstaan elke marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of deze marktdeelnemer de debiteur is van de rentedragende schuldvordering of de marktdeelnemer die door de debiteur of de uiteindelijk gerechtigde is belast met het uitbetalen van de rente of het bewerkstelligen van de rentebetaling.
Een in een Overeenkomstsluitende Partij gevestigde entiteit waaraan rente wordt uitbetaald of een rentebetaling wordt bewerkstelligd ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde, wordt op het tijdstip van het verrichten of bewerkstelligen van die rentebetaling eveneens als uitbetalende instantie aangemerkt. Deze bepaling is niet van toepassing indien de marktdeelnemer op basis van door de entiteit overgelegde officiële bewijsstukken redenen heeft om aan te nemen dat de entiteit:
- a. een rechtspersoon is, met uitzondering van de in het vijfde lid van dit artikel vermelde rechtspersonen;
- b. volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen winstbelasting moet afdragen; of
- c. een overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG van de Raad erkende ICBE is of een daarmee vergelijkbare op de BME gevestigde instelling voor collectieve belegging.
Een marktdeelnemer die rente uitbetaalt, of een rentebetaling bewerkstelligt voor, een dergelijke in de andere Overeenkomstsluitende Partij gevestigde entiteit die op grond van dit lid als uitbetalende instantie wordt aangemerkt, deelt de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar zij is gevestigd de naam en het adres van de entiteit mee, alsmede het totale bedrag van de rente die aan de entiteit is uitbetaald of de rentebetaling die voor de entiteit is bewerkstelligd. Bedoelde bevoegde autoriteit geeft deze gegevens vervolgens door aan de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar de entiteit is gevestigd.
De in het tweede lid van dit artikel bedoelde entiteit heeft evenwel de mogelijkheid voor de toepassing van deze Overeenkomst te kiezen voor een behandeling als ICBE of daarmee vergelijkbare onderneming als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c. Indien van deze keuzemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt door de Overeenkomstsluitende Partij waar de entiteit is gevestigd een verklaring te worden afgegeven, welke door deze entiteit aan de marktdeelnemer overhandigd wordt. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen nadere voorschriften voor deze keuzemogelijkheid vast voor de op hun grondgebied gevestigde autoriteiten.
Wanneer de marktdeelnemer en de in het tweede lid van dit artikel bedoelde entiteit in dezelfde Overeenkomstsluitende Partij zijn gevestigd, treft die Overeenkomstsluitende Partij de nodige maatregelen om te waarborgen dat de entiteit de bepalingen van dit Verdrag naleeft wanneer deze als uitbetalende instantie handelt.
De van de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel uitgesloten rechtspersonen zijn:
- a. in Finland: avoin yhtiö (Ay) en kommandiittiyhtiö (Ky)/öppet bolag en kommanditbolag;
- b. in Zweden: handelsbolag (HB) en kommanditbolag (KB).
Artikel 9. Definitie van „rentebetaling"
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „rentebetaling" verstaan:
- a. rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door een hypotheek en al dan niet voorzien van een winstdelingsclausule, en, met name, de inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, inclusief daarmee verbonden premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt;
- b. rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de in onderdeel a bedoelde schuldvorderingen;
- c. inkomsten uit rentebetalingen, hetzij rechtstreeks, hetzij via een entiteit als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst, uitgekeerd door
- i. een ICBE waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG van de Raad; of
- ii. een daarmee vergelijkbare op de BME gevestigde instelling voor collectieve belegging;
- iii. entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 8, derde lid, van deze Overeenkomst;
- iv. instellingen voor collectieve belegging gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is uit hoofde van artikel 299 van dat Verdrag, en buiten de BME; en
- d. inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in de volgende instellingen en entiteiten, indien deze instellingen en entiteiten rechtstreeks of middellijk, via andere hierna genoemde instellingen voor collectieve belegging of entiteiten, meer dan 40% van hun vermogen beleggen in de in onderdeel a bedoelde schuldvorderingen:
- i. een ICBE waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG van de Raad; of
- ii. een daarmee vergelijkbare op de BME gevestigde onderneming voor collectieve beleggingen;
- iii. entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 8, derde lid, van deze Overeenkomst;
- iv. instellingen voor collectieve beleggingen gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is uit hoofde van artikel 299 van dat Verdrag, en buiten de BME. De Overeenkomstsluitende Partijen beschikken echter slechts over de mogelijkheid de inkomsten vermeld in het eerste lid, onderdeel d, van dit artikel onder de definitie van rente te laten vallen voorzover deze inkomsten rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen in de zin van het eerste lid, onderdelen a en b, van dit artikel.
Wat betreft het eerste lid, onderdelen c en d, van dit artikel, wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat voortvloeit uit rentebetalingen, het volledige bedrag aan inkomsten als rentebetaling aangemerkt.
Wat betreft het eerste lid, onderdeel d, van dit artikel, wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen of in aandelen of bewijzen van deelneming als omschreven in dat lid, dat percentage geacht meer dan 40% te bedragen. Indien zij het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden de inkomsten geacht gelijk te zijn aan de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming.
Indien rente, als omschreven in het eerste lid van dit artikel, wordt uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening op naam van een entiteit als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst, en deze entiteit geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 8, derde lid, van deze Overeenkomst, wordt deze rente aangemerkt als een door deze entiteit verrichte rentebetaling.
Wat betreft het eerste lid, onderdelen b en d, van dit artikel, kan een Overeenkomstsluitende Partij ervoor kiezen op haar grondgebied gevestigde uitbetalende instanties ertoe te verplichten de rente over een periode van ten hoogste één jaar op jaarbasis te berekenen en deze geannualiseerde rente als een rentebetaling te beschouwen, zelfs als tijdens die periode geen verkoop, terugbetaling of aflossing heeft plaatsgevonden.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen c en d, van dit artikel, kan een Overeenkomstsluitende Partij ervoor kiezen alle in die bepalingen bedoelde inkomsten die afkomstig zijn van op haar grondgebied gevestigde instellingen of entiteiten, van de definitie van rentebetaling uit te sluiten zodra de beleggingen in schuldvorderingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel niet meer dan 15% van hun vermogen. Evenzeer kan een Verdragsluitende Partij, in afwijking van het vierde lid van dit artikel, ervoor kiezen van de definitie van rentebetaling in het eerste lid van dit artikel, uit te sluiten de rente die is uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening van een entiteit als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze Overeenkomst die geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 8, derde lid, van deze Overeenkomst en die op haar grondgebied is gevestigd, zodra de beleggingen van deze entiteiten in schuldvorderingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel niet meer dan 15% van hun vermogen uitmaken.
Indien een Overeenkomstsluitende Partij gebruik maakt van deze keuzemogelijkheid, is dit voor de andere Overeenkomstsluitende Partij bindend.
Het percentage als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en in het derde lid van dit artikel wordt vanaf 1 januari 2011 25%.
De in het eerste lid, onderdeel d, en in het zesde lid van dit artikel bedoelde percentages worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsenreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de betrokken instellingen of entiteiten.
Artikel 10. Verdeling van de opbrengsten van bronbelasting
De BME behouden 25% van de uit hoofde van deze Overeenkomst geheven bronbelasting en dragen de overige 75% over aan het Koninkrijk der Nederlanden.
Bij het heffen van bronbelasting overkomstig artikel 5, vierde lid, van deze Overeenkomst behouden de BME 25% van de opbrengst en dragen zij 75% over aan het Koninkrijk der Nederlanden, zulks in dezelfde verhouding als de krachtens het eerste lid van dit artikel uitgevoerde overdrachten.
Die overdrachten vinden voor ieder jaar in één betalingstermijn plaats uiterlijk binnen zes maanden na het eind van het belastingjaar, zoals vastgesteld bij de wetgeving van de BME.
Bij het heffen van bronbelasting treffen de BME de maatregelen die nodig zijn om het systeem voor de verdeling van de belastingopbrengsten correct te doen functioneren.
Artikel 11. Voorkomen van dubbele belasting
Als een Overeenkomstsluitende Staat de fiscale woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde is, zorgt deze ervoor dat het heffen van bronbelasting als bedoeld in deze Overeenkomst door de BME niet leidt tot dubbele belasting overeenkomstig de volgende bepalingen:
- a. indien rente die een uiteindelijk gerechtigde heeft ontvangen op de BME is onderworpen aan bronbelasting, kent het Koninkrijk der Nederlanden hem een belastingverrekening toe die gelijk is aan het bedrag dat krachtens haar nationale recht aan belasting wordt ingehouden. Indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de krachtens het nationale recht verschuldigde belasting, restitueert het Koninkrijk der Nederlanden het bedrag dat teveel is ingehouden aan de uiteindelijk gerechtigde;
- b. indien rente die een uiteindelijk gerechtigde heeft ontvangen, behalve aan de in artikel 5 van deze Overeenkomst bedoelde bronbelasting, ook onderworpen is geweest aan andere bronbelastingen, en de Overeenkomstsluitende Partij, als fiscale woonstaat, naar nationaal recht of overeenkomstig verdragen ter voorkoming van dubbele belasting voor een dergelijke bronbelasting belastingverrekening toekent, wordt deze andere bronbelasting verrekend alvorens de procedure van onderdeel a van dit artikel wordt toegepast.
De Overeenkomstsluitende Partij die de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde is, kan de belastingverrekeningsregeling bedoeld in het eerste lid van dit artikel vervangen door restitutie van de in artikel 5 van deze Overeenkomst bedoelde bronbelasting.
Artikel 12. Overgangsbepalingen voor verhandelbare schuldbewijzen
Gedurende de in artikel 15 van deze Overeenkomst bedoelde overgangsperiode, maar uiterlijk tot 31 december 2010, worden nationale en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldbewijzen die voor het eerst zijn uitgegeven voor 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus voor die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van Richtlijn 80/390/EEG van de Raad of door de verantwoordelijke autoriteiten in derde landen, niet aangemerkt als schuldvorderingen in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst, op voorwaarde dat op of na 1 maart 2002 geen aanvullende emissies van dergelijke verhandelbare schuldbewijzen plaatsvinden. Mocht de overgangsperiode echter na 31 december 2010 voortduren, dan blijven de bepalingen van dit artikel alleen van toepassing op die verhandelbare schuldbewijzen:
- a. die clausules inzake gross-up en vroegtijdige aflossing bevatten; en
- b. wanneer de uitbetalende instantie als omschreven in artikel 8 deze Overeenkomst gevestigd is in een Overeenkomstsluitende Partij die bronbelasting toepast en die uitbetalende instantie de rente rechtstreeks betaalt aan, of bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van, een uiteindelijk gerechtigde die zijn woonplaats in de andere Overeenkomstsluitende Partij heeft.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een van de vorenvermelde verhandelbare schuldbewijzen, die zijn uitgegeven door een Regering of een verwante entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol erkend is bij internationaal verdrag, als omschreven in de bijlage deze Overeenkomst, wordt de gehele emissie van dit schuldbewijs, bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een van de vorenvermelde verhandelbare schuldbewijzen, uitgegeven door een andere emittent die niet valt onder het bepaalde in de tweede alinea, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een schuldvordering in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst.
Dit artikel belet de Overeenkomstsluitende Partijen niet de inkomsten uit de in het eerste lid bedoelde verhandelbare schuldbewijzen overeenkomstig hun nationaal recht te belasten.
Artikel 13. Regeling voor onderling overleg
Indien moeilijkheden of twijfelpunten mochten rijzen tussen Partijen met betrekking tot de uitvoering of de uitlegging van deze Overeenkomst, stellen de Overeenkomstsluitende Partijen alles in het werk om die in onderling overleg op te lossen.
Artikel 14. Vertrouwelijkheid
Alle inlichtingen die de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij verstrekt of ontvangt zijn vertrouwelijk.
Aan de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij verstrekte inlichtingen mogen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere Overeenkomstsluitende Partij niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan directe belastingheffing.
Verstrekte inlichtingen mogen uitsluitend ter kennis worden gebracht van personen of autoriteiten die betrokken zijn bij directe belastingheffing en worden door die personen of autoriteiten uitsluitend tot dit doel gebruikt of ten behoeve van controle, met inbegrip van beslissingen op bezwaar of beroep. Voor deze doeleinden mogen inlichtingen worden onthuld tijdens openbare rechtszittingen of in gerechtelijke procedures.
Wanneer een bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij van mening is dat de inlichtingen die zij van de bevoegde autoriteit van de andere Overeenkomstsluitende Partij heeft ontvangen, van nut kunnen zijn voor de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, kan zij de inlichtingen met toestemming van de bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt, doorgeven aan de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat.
Artikel 15. Overgangsperiode
Aan het einde van de overgangsperiode als omschreven in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn, passen de BME niet langer bronbelasting en verdeling van de belastingopbrengsten als voorzien in deze Overeenkomst, toe en passen zij ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden de bepalingen inzake automatische gegevensuitwisseling toe op dezelfde wijze toe als voorzien in hoofdstuk II van de richtlijn. Indien de BME er, behoudens het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst, voor kiezen tijdens de overgangsperiode de bepalingen inzake automatische gegevensuitwisseling op dezelfde wijze toe te passen als voorzien in hoofdstuk II van de richtlijn, passen zij niet langer de bronbelasting en de verdeling van de belastingopbrengsten als voorzien in artikel 10 van deze Overeenkomst toe.
Artikel 16. Inwerkingtreding
Deze Overeenkomst treedt in werking op de dertigste dag na de laatste van de data waarop de respectieve regeringen elkaar er schriftelijk van in kennis hebben gesteld dat de grondwettelijk voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld en de bepalingen ervan zijn van kracht vanaf de datum waarop de richtlijn overeenkomstig artikel 17, tweede en derde lid, van de richtlijn van toepassing is.
Artikel 17. Beëindiging
Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van beide Overeenkomstsluitende Partijen wordt beëindigd.
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving van beëindiging aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, onder vermelding van de omstandigheden die tot de kennisgeving hebben geleid. In dat geval houdt deze Overeenkomst op van kracht te zijn 12 maanden na de betekening van de kennisgeving.
Artikel 18. Toepassing en opschorting van de toepassing
De toepassing van deze Overeenkomst is afhankelijk van de aanneming en tenuitvoerlegging door alle lidstaten van de Europese Unie, de Verenigde Staten van Amerika, Zwitserland, Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino, evenals door alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, van maatregelen die overeenkomen met of vergelijkbaar zijn met die vervat in de richtlijn of in deze Overeenkomst, en die dezelfde data van tenuitvoerlegging eisen.
Met inachtneming van de regeling voor onderling overleg als voorzien in artikel 13 van deze Overeenkomst, kan de toepassing van deze Overeenkomst of van delen ervan door elk van de Overeenkomstsluitende Partijen met onmiddellijke ingang worden opgeschort door middel van een kennisgeving aan de andere Partij, onder vermelding van de omstandigheden die tot deze kennisgeving hebben geleid, indien de richtlijn in overeenstemming met het Europese Gemeenschapsrecht tijdelijk of definitief ophoudt van toepassing te zijn of ingeval een lidstaat de toepassing van de wetgeving ter uitvoering daarvan opschort. De toepassing van de Overeenkomst wordt hervat zodra de omstamdigheden die tot de opschorting hebben geleid niet langer aanwezig zijn.
Met inachtneming van de regeling voor onderling overleg voorzien in artikel 13 van deze Overeenkomst, kan elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen de toepassing van deze Overeenkomst opschorten door middel van een kennisgeving aan de andere Partij, onder vermelding van de omstandigheden die tot deze kennisgeving hebben geleid, ingeval één van de derde landen of gebieden bedoeld in het eerste lid vervolgens ophoudt de in dat lid bedoelde maatregelen toe te passen. Opschorting van de toepassing geschiedt niet eerder dan twee maanden na de kennisgeving. De toepassing van de Overeenkomst wordt hervat zodra het derde land of gebied in kwestie de maatregelen opnieuw instelt.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)