Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake het transport van aardgas door een pijpleiding tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
In herinnering roepend de in Londen op 6 oktober 1965 ondertekende Overeenkomst inzake de begrenzing van het tussen deze landen gelegen continentale plat onder de Noordzee, met inbegrip van het op 25 november 1971 te Londen ondertekende Protocol daarbij, en de op 28 januari en 7 juni 2004 ondertekende Notawisseling houdende een verdrag tot wijziging van de Overeenkomst;
Geleid door de wens de aanleg en het gebruik van een Pijpleiding tussen Anna Paulowna in het Koninkrijk der Nederlanden en Bacton in het Verenigd Koninkrijk voor het transport van aardgas te vergemakkelijken en onderlinge afspraken te maken over daarmee verband houdende zaken, met inbegrip van veiligheid, inspecties, leveringszekerheid, toegang en gebruik, milieubescherming en de uitwisseling van informatie;
Gelet op het belang van een aantal bepalingen van het recht van de Europese Unie voor de toegang tot, het gebruik en de werking van de Pijpleiding;
Erkennend dat zowel het Koninkrijk der Nederlanden als het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gebonden zijn door de regels van het internationale recht betreffende de bescherming van het milieu tegen verontreiniging, met inbegrip van de regels vervat in Deel XII van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay Jamaica op 10 december 1982;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijving
Tenzij uit het zinsverband anders volgt, wordt in dit Verdrag verstaan onder:
„Verbonden inrichtingen": voorzieningen voor drukregeling, filterapparatuur, drukbeveiligingssysteem, meetstations, compressorstations en inrichtingen voor koeling en verwarming, die in verband met de Pijpleiding kunnen worden geïnstalleerd en gebruikt in de gemeente Anna Paulowna in Nederland en in Bacton in het Verenigd Koninkrijk;
„Vergunning": iedere vergunning, toestemming, goedkeuring, licentie of machtiging verkregen of verleend krachtens het recht van een van beide Staten, die betrekking heeft op de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding;
„Aanleg en gebruik": met inbegrip van ontwerp, vervaardiging, installatie, aanleg, gebruik, onderhoud en buitengebruikstelling;
„Interconnector Consultatiegroep": de groep die ingevolge artikel 17 wordt opgericht;
„Inspecteur": elke persoon die door een van beide Regeringen of door een bevoegde autoriteit gemachtigd is om een inspectie uit te voeren met betrekking tot de aanleg en het gebruik van elk gedeelte van de Pijpleiding;
„Aardgas": alle bewerkte, gasvormige koolwaterstoffen alsmede vloeistoffen en andere stoffen die tezamen met dergelijke koolwaterstoffen worden getransporteerd;
„Uitvoerder": de in artikel 5 bedoelde en overeenkomstig artikel 4 gemachtigde persoon die verantwoordelijk is voor de organisatie van of het toezicht op de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding;
„Pijpleiding": de pijpleiding voor het transport van aardgas gelegen tussen de opvanginstallatie („pigtrap") bij de faciliteiten „Noord-Holland" in de gemeente Anna Paulowna in Nederland, en, in het Verenigd Koninkrijk, de opvanginstallatie bij de Shell-Bacton-terminal, met inbegrip van deze opvanginstallaties;
en woorden in het enkelvoud omvatten tevens het meervoud, tenzij uit het zinsverband anders volgt.
Artikel 2. Rechtsmacht
De Pijpleiding wordt aangelegd en gebruikt overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en overeenkomstig en met inachtneming van de wetgeving van de Staat onder wiens rechtsmacht zij valt.
Beide Regeringen komen overeen dat elk gedeelte van de Pijpleiding dat is gelegen op het continentale plat dat behoort bij het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland onder de rechtsmacht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland valt en elk gedeelte van de Pijpleiding dat is gelegen op het continentale plat dat behoort bij het Koninkrijk der Nederlanden onder de rechtsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden valt.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat zij afbreuk doet aan de rechtsmacht die elke Staat krachtens internationaal recht uitoefent over het bij hem behorende continentale plat, of over enig ander maritiem gebied dat door een van beide Staten overeenkomstig internationaal recht is ingesteld.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat zij afbreuk doet aan of een beperking vormt voor de toepassing van de wetgeving van elk van beide Staten, of de uitoefening van rechtsmacht door hun rechters, overeenkomstig het internationale recht.
Artikel 3. Richting van het transport
Beide Regeringen erkennen dat, onverminderd artikel 4 van dit Verdrag, de Pijpleiding of enig gedeelte daarvan gebruikt mag worden voor het transport van aardgas in beide richtingen, en dat de bepalingen van dit Verdrag eveneens van toepassing zijn op een dergelijk gebruik van de Pijpleiding.
Artikel 4. Vergunning
Elke Regering verleent, overeenkomstig en met inachtneming van haar wetgeving, elke vergunning die nodig is voor de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding of van enig gedeelte daarvan.
De primaire vergunning voor de aanleg en het gebruik van het onderzeese gedeelte van de Pijpleiding of enig gedeelte daarvan wordt door geen van de Regeringen verleend, veranderd, gewijzigd, ingetrokken of opnieuw verleend zonder voorafgaand overleg met de andere Regering. De Regering die deze vergunning verleent, zendt een afschrift daarvan naar de andere Regering.
Met het gebruik van de Pijpleiding, of enig gedeelte daarvan, wordt pas aangevangen wanneer elke Regering alle noodzakelijke vergunningen heeft verleend, overeenkomstig haar nationale wettelijke vereisten.
Artikel 5. De uitvoerder
Voor de aanwijzing van elke uitvoerder of verandering van uitvoerder van de Pijpleiding of enig gedeelte daarvan is, overeenkomstig en met inachtneming van hun onderscheiden wetgeving, toestemming vereist van beide Regeringen na voorafgaand onderling overleg.
Artikel 6. Veiligheid
Elke Regering heeft het recht, overeenkomstig haar eigen wetgeving, de veiligheidsmaatregelen vast te stellen die van toepassing zullen zijn op de aanleg en het gebruik van het gedeelte van de Pijpleiding dat onder haar rechtsmacht valt.
Onverminderd het eerste lid van dit artikel, plegen de bevoegde autoriteiten van beide Regeringen met elkaar overleg om te waarborgen dat ten aanzien van de Pijpleiding passende veiligheidsmaatregelen worden genomen en dat op de Pijpleiding met elkaar verenigbare veiligheidseisen van toepassing zijn.
De bevoegde autoriteiten van beide Regeringen overleggen op gezette tijden met elkaar om de implementatie van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde veiligheidsmaatregelen te toetsen en te waarborgen dat de bevoegde autoriteiten toegang tot alle noodzakelijke informatie hebben.
Artikel 7. Bescherming van het milieu en schade
Elke Regering verricht alle mogelijke inspanningen, overeenkomstig haar wetgeving en voor zover uitvoerbaar, om te waarborgen dat de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding geen verontreiniging of schade veroorzaakt van respectievelijk aan het mariene of kustmilieu, het milieu op het vasteland of kwetsbare habitats of ecosystemen.
De bevoegde autoriteiten van beide Regeringen plegen met elkaar overleg om te waarborgen dat ten aanzien van de Pijpleiding passende milieubeschermende maatregelen worden genomen en dat op de Pijpleiding met elkaar verenigbare milieueisen van toepassing zijn.
Elke Regering verricht alle mogelijke inspanningen, overeenkomstig haar wetgeving en voor zover uitvoerbaar, om te waarborgen dat de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding geen schade veroorzaakt aan inrichtingen op het vasteland of buitengaats, voorzieningen, schepen of vistuig.
De bevoegde autoriteiten van beide Regeringen plegen met elkaar overleg over de wijze waarop de bepalingen van dit artikel moeten worden toegepast, met inbegrip van de wijze van toepassing in noodgevallen.
Artikel 8. Ander gebruik van de zee
Elke Regering verbindt zich ertoe de stappen te nemen die haar noodzakelijk of passend lijken om te voorkomen dat de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding ander rechtmatig gebruik van de zee in de weg staat.
Artikel 9. Inspecties
Elke Regering bevestigt dat zij als enige verantwoordelijk is voor alle inspecties van het gedeelte van de Pijpleiding dat onder haar rechtsmacht valt en voor alle handelingen met betrekking tot dat gedeelte binnen haar rechtsmacht, en dat zij verantwoordelijk is voor haar eigen inspecteurs.
Onverminderd het eerste lid van dit artikel, neemt elke Regering stappen om te waarborgen dat veiligheids- of milieuinspecteurs van de andere Regering tijdens alle fases van de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding:
- a. overeenkomstig de procedures beschreven in het derde lid van dit artikel, toegang hebben tot het gedeelte van de Pijpleiding dat onder de rechtsmacht van de andere Regering valt; en
- b. toegang hebben tot alle noodzakelijke informatie met inbegrip van voorafgaande melding van alle inspecties en tevens met inbegrip, wanneer van toepassing, van inspectierapporten die zijn opgesteld. Informatie die krachtens dit lid door een Regering of bevoegde autoriteit aan de andere Regering of bevoegde autoriteit wordt verstrekt, wordt door de ontvangende Regering of bevoegde autoriteit niet aan derden medegedeeld zonder voorafgaande toestemming van de verstrekkende Regering of bevoegde autoriteit.
Tenzij beide Regeringen anders overeenkomen, is de uitvoerder na een verzoek van een inspecteur van een van de Regeringen (de „bezoekende inspecteur") aan de bevoegde autoriteiten van de andere Regering (de „Regering van het gastheerland") om een gedeelte van de Pijpleiding te bezoeken dat onder de rechtsmacht van de Regering van het gastheerland valt, verplicht de bezoekende inspecteur met zijn uitrusting toegang te verlenen, op voorwaarde dat hij vergezeld wordt door een inspecteur die is aangewezen door de Regering van het gastheerland. De Regering van het gastheerland verzamelt, op verzoek van de bezoekende inspecteur, de informatie die de bezoekende inspecteur nodig zou kunnen hebben om zich ervan te vergewissen dat de fundamentele belangen van zijn Regering ten aanzien van de veiligheid of het voorkomen van verontreiniging gewaarborgd zijn.
Elke Regering waarborgt dat wanneer zij ervan in kennis wordt gesteld of wanneer het haar duidelijk wordt (hetzij door of via een inspecteur, hetzij anderszins) dat er twijfel bestaat omtrent de veiligheid van het gebruik van de Pijpleiding of dat er gevaar voor schade of verontreiniging door de Pijpleiding bestaat, zij deze informatie onverwijld mededeelt aan de uitvoerder en aan een inspecteur van de andere Regering.
De bevoegde autoriteiten van beide Regeringen plegen met elkaar overleg en komen praktische maatregelen overeen voor de toepassing van het vierde lid van dit artikel, met inbegrip van de wijze van toepassing die in noodgevallen wordt gehanteerd.
Dit artikel is eveneens van toepassing op met de Pijpleiding verbonden inrichtingen.
Artikel 10. Beveiligingsvoorzieningen
De voor de beveiliging bevoegde autoriteiten van elke Regering plegen overleg, teneinde voorzieningen te treffen met betrekking tot de fysieke beveiliging van de Pijpleiding en de daarmee verbonden inrichtingen, zoals zij die van tijd tot tijd nodig achten.
Artikel 11. Toegang en gebruik
Beide Regeringen komen overeen dat de Pijpleiding gebruikt kan worden voor het transport van al het aardgas waarvoor contractuele afspraken voor de levering van transportdiensten zijn gemaakt.
Op voorwaarde dat de noodzakelijke capaciteit in de Pijpleiding aanwezig is, maakt elke Regering, overeenkomstig en met inachtneming van haar wetgeving, gebruik van de bevoegdheden waarover zij beschikt om bijstand te verlenen aan personen die gebruik wensen te maken van die capaciteit voor het transport van aardgas tegen billijke commerciële voorwaarden. Met inachtneming van alle voorwaarden betreffende de benutting van de capaciteit die van toepassing kunnen zijn op de Pijpleiding, doet het gebruik van dergelijke bevoegdheden geen afbreuk aan het doelmatig gebruik van de Pijpleiding voor het transport van hoeveelheden aardgas waarvoor contractuele afspraken voor de levering van transportdiensten zijn gemaakt waarop een ontheffing van de nationale regelgeving betreffende de toegang tot en het gebruik van aardgaspijpleidingen van toepassing is krachtens Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG.
De bevoegde autoriteiten van beide Regeringen plegen met elkaar overleg om te waarborgen dat hun onderscheiden regelgevingskaders betreffende de toegang tot en het gebruik van de Pijpleiding verenigbaar zijn.
Artikel 12. Aansluiting op de Pijpleiding
De aansluiting van een pijpleiding op de Pijpleiding geschiedt overeenkomstig en met inachtneming van de wetgeving van de Staat onder wiens rechtsmacht de aansluiting valt. Alvorens een aansluiting op de Pijpleiding wordt gemaakt, maken beide Regeringen alle aanvullende afspraken die noodzakelijk kunnen zijn. In het kader van dergelijke afspraken waarborgen beide Regeringen dat de aansluiting van een pijpleiding op de Pijpleiding geen afbreuk doet aan de veiligheidsmaatregelen voor de Pijpleiding en komen zij passende regelingen overeen voor het meten van het aardgas dat via een dergelijke aansluiting de Pijpleiding binnenstroomt.
De artikelen 6, 7, 8 en 9 van dit Verdrag zijn van toepassing op dat gedeelte van elke aansluitende pijpleiding dat gelegen is tussen de Pijpleiding en de eerste afsluiter.
Artikel 13. Belastingen
Alle winsten, baten en kapitaal die verband houden met de aanleg en het gebruik van de Pijpleiding worden belast overeenkomstig de wetgeving van respectievelijk het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Koninkrijk der Nederlanden en overeenkomstig de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten die beide Staten op 7 november 1980 hebben ondertekend, als gewijzigd bij de Protocollen die zijn ondertekend te Londen op 12 juli 1983 en te Den Haag op 24 augustus 1989, en alle aanvullende Protocollen bij die Overeenkomst of enige Overeenkomst die in de plaats treedt van die Overeenkomst die in de toekomst in werking kunnen treden.
Artikel 14. Leveringszekerheid, doorvoer en noodmaatregelen
Elke Regering verbindt zich ertoe alle mogelijke inspanningen te verrichten om een ononderbroken stroom aardgas te waarborgen waarvoor het transport contractueel is overeengekomen, evenwel onverminderd het recht van elke Regering om, overeenkomstig en met inachtneming van haar wetgeving, noodmaatregelen te treffen met betrekking tot de beschikbaarheid en het gebruik van energievoorraden.
Onverminderd het eerste lid van dit artikel, zullen beide Regeringen aardgas dat bestemd is voor de verkoop in derde landen en dat door de Pijpleiding hun grondgebied uit wordt getransporteerd niet belemmeren.
Beide Regeringen, die elkaars rechtmatige belangen erkennen om de leveringen van aardgas aan consumenten te waarborgen en de veiligheid en het operationele vermogen van het systeem te handhaven, plegen overleg met elkaar om een kader vast te stellen voor samenwerking in geval van een ernstige verstoring van de aardgaslevering door de Pijpleiding.
Artikel 15. Uitwisseling van informatie
Met inachtneming van hun onderscheiden wetgeving, werken beide Regeringen of hun bevoegde autoriteiten samen om in een vrije stroom van informatie tussen hen te voorzien over zaken betreffende:
- a. het gebruik van de Pijpleiding en de benutting van de capaciteit ervan; en
- b. de werking of regulering van de aardgasmarkt in beide Staten met betrekking tot onderdeel a.
Informatie die krachtens het eerste lid van dit artikel door een Regering of bevoegde autoriteit aan de andere Regering of bevoegde autoriteit wordt verstrekt, wordt door de ontvangende Regering of bevoegde autoriteit niet aan derden medegedeeld zonder voorafgaande toestemming van de verstrekkende Regering of bevoegde autoriteit.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.