Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Type Verdrag
Publication 2006-09-01
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Bondsrepubliek Duitsland

hierna te noemen: „de Verdragsluitende Staten"

In het streven de internationale criminaliteit alsmede grensoverschrijdende gevaren door samenwerking als partners effectiever het hoofd te bieden,

In het streven de samenwerking tussen de Verdragsluitende Staten te bevorderen en vastbesloten de mogelijkheden van een grensoverschrijdend optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid en de mogelijkheden tot strafrechtelijke samenwerking te verruimen,

Overwegende dat het wenselijk is de uitwisseling van informatie tussen de Verdragsluitende Staten te intensiveren alsmede de samenwerking bij de inzet van middelen ter handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede in het kader van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten te versterken,

Ter aanvulling op:

de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna te noemen: SUO) alsmede ter aanvulling op de hierop gebaseerde, in de Europese Unie ingevoerde verworvenheden van Schengen;

het op 20 april 1959 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

de op 30 augustus 1979 te Wittem tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959;

het op 17 maart 1978 te Straatsburg tot stand gekomen Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

het op 8 november 2001 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU-Rechtshulpverdrag);

het op 16 oktober 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Protocol, vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie;

de op 18 december 1997 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties (Napels II-overeenkomst);

het op 28 januari 1981 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens;

de Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 aan de lidstaten aangaande het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied;

de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen;

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. VERHOUDING TOT ANDERE REGELINGEN, DOEL VAN HET VERDRAG, AUTORITEITEN

Artikel 1. Verhouding tot andere verdragen en nationale regelingen
1.

Tenzij in dit Verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald, geschiedt de samenwerking binnen de grenzen van het onderscheidenlijke nationale recht van de Verdragsluitende Staten alsmede van de internationale verplichtingen van de Verdragsluitende Staten. Hierbij zijn de optredende ambtenaren gebonden aan het recht van de onderscheidenlijke Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan zij optreden.

2.

Dit Verdrag laat onverlet de binnenlandse informatieverplichtingen jegens de desbetreffende nationale centrale politie-instantie alsmede de procedure betreffende de internationale samenwerking op het gebied van de criminaliteitsbestrijding door nationale centrale politie-instanties, in het bijzonder in het kader van de Internationale Criminele Politieorganisatie (ICPO/Interpol).

Artikel 2. Doel van het Verdrag

De Verdragsluitende Staten bevorderen de samenwerking op het gebied van de handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede op het gebied van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten met inbegrip van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen.

Artikel 3. Autoriteiten, grensstreken
1.

Autoriteiten in de zin van dit Verdrag zijn:

De autoriteiten voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn gespecificeerd in bijlage I.

2.

In dit Verdrag worden onder grensstreek verstaan:

Als grensstreek wordt daarnaast aangemerkt een trein op het traject van de grens tot aan de eerstvolgende halteplaats op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat die volgens de dienstregeling als eerste wordt aangedaan. Een en ander is van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen tot aan de eerstvolgende aanlegplaats in de andere Verdragsluitende Staat.

3.

De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten informeren elkaar schriftelijk over de bevoegde autoriteiten op het terrein van de grensoverschrijdende samenwerking en over eventuele wijzigingen van benamingen van deze autoriteiten. De Verdragsluitende Staten kunnen een wijziging van bijlage 1 en de grensstreek afzonderlijk overeenkomen.

4.

Het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag) blijft onverlet.

TITEL II. ALGEMENE VORMEN VAN SAMENWERKING

Artikel 4. Algemene maatregelen tot samenwerking

De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten nemen in het kader van hun onderscheidenlijke bevoegdheden alle maatregelen die noodzakelijk zijn ter intensivering van hun samenwerking. Zij dragen in het bijzonder zorg voor:

Artikel 5. Samenwerking op het gebied van opleiding en bijscholing

Ter versterking van de samenwerking op het gebied van opleiding en bijscholing stellen de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Staten leerplannen ten behoeve van opleiding en bijscholing aan elkaar ter beschikking, bieden zij aan ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat de mogelijkheid tot deelname aan opleidings- en bijscholingsmaatregelen en ontwikkelen zij gemeenschappelijke opleidings- en bijscholingsprogramma's. Hierbij wordt gewaarborgd dat ook specifiek voor de grensstreek geldende problemen uitgebreid aan de orde komen. De bevoegde instanties kunnen gemeenschappelijke opleidings- en bijscholingsmaatregelen met inbegrip van seminars en oefeningen organiseren. Het wederzijds informeren over de in dit opzicht relevante rechtsregels krijgt hierbij bijzondere aandacht.

Artikel 6. Gezag over ambtenaren belast met de uitvoering van politietaken
1.

Bij een dringende noodzaak tot handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten, kunnen ambtenaren belast met de uitvoering van politietaken van de ene Verdragsluitende Staat bij wijze van uitzondering onder het gezag van de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Staat worden geplaatst met het oog op de uitvoering van politietaken met inbegrip van de uitoefening van soevereine bevoegdheden.

2.

Voorwaarde voor de plaatsing onder gezag is dat hierover overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten wordt bereikt.

3.

Van een dringende noodzaak tot handhaving van de openbare orde en veiligheid of voorkoming van strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid is doorgaans sprake indien het slagen van een noodzakelijke politiële maatregel zonder inzet van ambtenaren als bedoeld in het eerste lid zou uitblijven of ernstig in gevaar zou komen; bij de opsporing van strafbare feiten is zulks het geval indien het onderzoek zonder de inzet van ambtenaren als bedoeld in het eerste lid geen kans van slagen zou hebben of wezenlijk zou worden bemoeilijkt.

4.

De overeenkomstig het eerste lid onder gezag geplaatste ambtenaren mogen slechts onder bevel van ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat en doorgaans slechts in hun aanwezigheid optreden. Hierbij zijn zij aan het recht van de andere Verdragsluitende Staat gebonden. Het optreden van de onder gezag geplaatste ambtenaren valt onder de verantwoordelijkheid van de Verdragsluitende Staat onder het gezag waarvan zij zijn geplaatst.

Artikel 7. Samenwerking op verzoek
1.

De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten verlenen elkaar met inachtneming van het nationale recht en hun onderscheidenlijke bevoegdheden op verzoek bijstand.

2.

De autoriteiten verlenen elkaar met inachtneming van artikel 39, eerste lid, eerste volzin, van de SUO bijstand, in het bijzonder door:

3.

Indien de aangezochte autoriteit niet bevoegd is het verzoek af te handelen, stuurt deze het verzoek door aan de bevoegde autoriteit. Een en ander geldt tevens indien de bevoegde autoriteit een justitiële autoriteit is. De aangezochte autoriteit informeert de verzoekende autoriteit over de doorzending en over de voor de afhandeling van het verzoek bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit handelt het verzoek af en stuurt de uitkomst terug naar de verzoekende autoriteit.

4.

Verzoeken van de politieautoriteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden via de nationale centrale politie-instanties van de Verdragsluitende Staten verzonden en afgehandeld. De eerste volzin laat onverlet dat verzoeken die niet vallen onder het bepaalde in artikel 39, derde lid, tweede volzin, van de SUO geregelde gevallen direct tussen de bevoegde politieautoriteiten worden verzonden en afgehandeld, voor zover:

Artikel 39 , derde lid, derde volzin, van de SUO is niet van toepassing. De nationale centrale politie-instantie dient geïnformeerd te worden voor zover het nationale recht dit vereist.

TITEL III. BIJZONDERE VORMEN VAN SAMENWERKING IN STRAFRECHTELIJKE AANGELEGENHEDEN

Artikel 8. Verzoeken om veiligstelling van bewijsmateriaal in spoedeisende gevallen
1.

In spoedeisende gevallen kunnen met inachtneming van het nationale recht verzoeken tot het veiligstellen van sporen en van bewijsmateriaal, inclusief het verrichten van onderzoek aan en in het lichaam, evenals tot doorzoeking en inbeslagneming worden ingediend door het Openbaar Ministerie en door de uitvoerende ambtenaren die in dergelijke gevallen naar nationaal recht bevoegd zijn tot het geven van onderzoeksbevelen. De verzoeken dienen rechtstreeks te worden gericht aan de bevoegde justitiële autoriteiten of politieautoriteiten. Voorzover verzoeken in dit kader mondeling zijn gedaan, worden deze zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.

2.

De afhandeling van het verzoek inclusief de toetsing of de voorwaarden voor spoedeisende gevallen zijn vervuld, geschiedt volgens het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.