Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
De Regering van de Republiek Tunesië,
Geleid door de wens de betrekkingen tussen beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen,
Zijn het volgende overeengekomen:
TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a). „grondgebied": wat Nederland betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; wat Tunesië betreft: het grondgebied van de Republiek Tunesië;
- b). „onderdaan": wat Nederland betreft; een persoon van Nederlandse nationaliteit; wat Tunesië betreft: een persoon in Tunesische nationaliteit;
- c). „werknemer": hetzij een loontrekkende of de met hem gelijkgestelde, hetzij een werkende die anders dan in dienstbetrekking werkzaam is volgens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij.
- d). „wetgeving" of „wettelijke regeling": de wetten, regelingen en statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen die betrekking hebben op de in artikel 2, eerste lid bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid;
- e). „bevoegde autoriteit": de Minister of Ministers of de hiermede vergelijkbare autoriteit onder wie de regelingen inzake sociale zekerheid ressorteren;
- f). „bevoegd orgaan": het orgaan waarbij de verzekerde is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt of dat hem prestaties is verschuldigd of zou zijn, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar dit orgaan is gevestigd;
- g). „bevoegd land": de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd;
- h). „woonplaats": de normale verblijfplaats;
- i). „verblijfplaats": de tijdelijke verblijfplaats;
- j). „orgaan van de woonplaats": het orgaan dat, ter plaatse waar de belanghebbende woont, bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die door dit orgaan wordt toegepast of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- k). „orgaan van de verblijfplaats": het orgaan dat, ter plaatse waar de belanghebbende verblijft, bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- l). „gezinsleden": de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied zij wonen; indien deze wetgeving evenwel slechts de personen die bij de verzekerde inwonen als gezinsleden beschouwt, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan wanneer deze personen in hoofdzaak op kosten van de verzekerde worden onderhouden;
- m). „nagelaten betrekkingen": de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend In de wetgeving krachtens welke de prestaties worden toegekend; indien deze wetgeving evenwel slechts een persoon die bij de overleden werknemer inwoonde als nagelaten betrekking beschouwt, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan wanneer de betrokken persoon in hoofdzaak op kosten van de overleden werknemer werd onderhouden;
- n). „tijdvakken van verzekering": de tijdvakken van premiebetaling, arbeid of van wonen die als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend;
- o). „prestaties", „uitkeringen", „verstrekkingen", „pensioenen" of „renten": alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen of renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of aanvullende uitkeringen, alsmede uitkeringen ineens in plaats van een pensioen, krachtens de in artikel 2 genoemde wettelijke regelingen.
Artikel 2
Dit Verdrag is van toepassing:
- A. In Nederland op de wettelijke regelingen betreffende:
- a). prestaties bij ziekte en moederschap;
- b). prestaties bij arbeidsongeschiktheid;
- c). uitkeringen bij ouderdom;
- d). uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;.
- e). werkloosheidsuitkeringen;
- f). gezinsuitkeringen.
- B. IN TUNESIË, op de wettelijke regelingen betreffende:
- a). uitkeringen van de sociale verzekeringen;
- b). vergoeding bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;
- c). uitkeringen van verzekeringen betreffende invaliditeit, ouderdom en nagelaten betrekkingen;
- d). gezinsuitkeringen.
Dit Verdrag is eveneens van toepassing op alle wetten of regelingen, waarbij de wettelijke regelingen genoemd in het eerste lid van dit artikel, worden of zullen worden gewijzigd of aangevuld.
Het is evenwel slechts van toepassing:
- a). op wetten of regelingen die betrekking hebben op een nieuwe tak van sociale verzekering, indien daartoe een nadere overeenkomst tussen de Verdragsluitende Partijen wordt gesloten;
- b). op wetten of regelingen die de werking van de bestaande regelingen uitbreiden tot nieuwe groepen van rechthebbenden, indien de Regering van de betrokken Verdragsluitende Partij daartegen niet binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van bedoelde teksten bezwaar maakt bij de Regering van de andere Verdragsluitende Partij.
Dit Verdrag is niet van toepassing op de sociale bijstand en evenmin op de bijzondere regelingen voor personen in overheidsdienst of met hen gelijkgestelden.
Artikel 3
De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Nederlandse en Tunesische werknemers op wie de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen, voor zover zij hun rechten ontlenen aan de verzekering van de werknemer.
De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op diplomatieke en consulaire beroepsambtenaren, met inbegrip van kanselarijbeambten.
Artikel 4
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag hebben de onderdanen van een Verdragsluitende Partij waarop dit Verdrag van toepassing is, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van de andere Partij onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van deze Partij.
Artikel 5
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden de uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom of de uitkeringen aan nabestaanden, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten, de gezinsuitkeringen en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, zelfs dan aan de betrokken personen uitbetaald indien zij hun woonplaats op het grondgebied van de andere Partij vestigen.
Het voorgaande lid is eveneens van toepassing op personen die onderdaan zijn van een derde land, recht hebben op een Nederlandse uitkering en in Tunesië gevestigd zijn.
Artikel 6
De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen of met andere inkomsten, of wegens het verrichten van beroepswerkzaamheden, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij zijn verkregen of om inkomsten, welke zijn verworven of werkzaamheden welke zijn verricht op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. Voor de toepassing van deze regel wordt evenwel geen rekening gehouden met gelijksoortige uitkeringen bij ouderdom of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, die overeenkomstig hoofdstuk III van Titel III worden vastgesteld.
TITEL II. BEPALINGEN TER VASTSTELLING VAN DE TOE TE PASSEN WETGEVING
Artikel 7
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 8 tot en met 10 is op werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, uitsluitend de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien zij op het grondgebied van de andere Partij wonen of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij zij werkzaam zijn, zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt.
Artikel 8
Op het beginsel neergelegd in artikel 7 gelden de volgende uitzonderingen:
- a). op de werknemers die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij en door de onderneming, die hen in gewone omstandigheden op het grondgebied van deze Partij tewerkstelt, worden gedetacheerd op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij teneinde voor rekening van deze onderneming bepaalde arbeid te verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij gedurende de eerste twaalf maanden van hun tewerkstelling op het grondgebied van de andere Partij van toepassing, alsof zij werkzaam bleven op het grondgebied van eerstbedoelde Partij; indien deze tewerkstelling langer dan twaalf maanden duurt, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij gedurende een nieuw tijdvak van ten hoogste twaalf maanden van toepassing, mits de bevoegde autoriteit van de andere Partij vóór het einde van het eerste tijdvak van twaalf maanden daaraan goedkeuring heeft gehecht;
- b). op het rijdend, varend of vliegend personeel in dienst van een onderneming die voor rekening van anderen of voor eigen rekening personen of goederen vervoert per spoor, over de weg, door de lucht of te water en die haar zetel heeft op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze onderneming haar zetel heeft, van toepassing; op de werknemer die tewerkgesteld is door een filiaal of vaste vertegenwoordiging, welke die onderneming heeft op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij haar zetel heeft, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit filiaal of deze vaste vertegenwoordiging zich bevindt, van toepassing;
- c). op de werknemers behorend tot een officiële administratieve dienst van een der Verdragsluitende Partijen, die op het grondgebied van de andere Partij worden gedetacheerd, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij van toepassing.
- d). de werknemers die wonen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij en die hun werkzaamheden uitoefenen op het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen zijn onderworpen aan de wetgeving van de woonplaats.
Artikel 9
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 is artikel 7 van toepassing op werknemers die bij diplomatieke zendingen of consulaire posten der Verdragsluitende Partijen werkzaam zijn en op diegenen die in persoonlijke dienst van ambtenaren van deze zendingen of posten zijn.
De in het eerste lid bedoelde werknemers die onderdaan zijn van de Verdragsluitende Partij welke door de desbetreffende diplomatieke zending of consulaire post wordt vertegenwoordigd, mogen evenwel kiezen voor toepassing van de wetgeving van deze Partij.
Dit keuzerecht mag slechts eenmaal worden uitgeoefend en wel binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag of het tijdstip waarop de werknemer door de diplomatieke zending of consulaire post, onderscheidenlijk in persoonlijke dienst van ambtenaren van deze zending of post wordt aangesteld.
Artikel 10
De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de belanghebbende werknemers, uitzonderingen op de artikelen 7 tot en met 9 vaststellen.
Artikel 11
Indien krachtens de bepalingen van deze Titel op een werknemer de wetgeving van toepassing is van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij niet woont, is deze wetgeving op hem van toepassing alsof hij op het grondgebied van deze Partij woonde.
TITEL III. BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE DE VERSCHILLENDE SOORTEN PRESTATIES
Hoofdstuk I. Ziekte en moederschap
Artikel 12
Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het bevoegde orgaan van die Partij, met het oog op de samentelling van tijdvakken, zo nodig rekening met de krachtens de wettelijke regeling van de andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering, alsof het tijdvakken van verzekering betrof die krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Artikel 13
De werknemer die tijdvakken van verzekering heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling van een der Verdragsluitende Partijen en zich naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij begeeft, heeft voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die zich op dat grondgebied bevinden, recht op de prestaties ingevolge de wettelijke regeling van deze Partij, voor zover hij voldoet aan de door de wettelijke regeling van laatstbedoelde Verdragsluitende Partij gestelde voorwaarden, eventueel met inachtneming van de samentelling van tijdvakken zoals bedoeld in artikel 12 van het Verdrag.
Indien de werknemer die verzekerd is geweest krachtens de wettelijke regeling van een van de Verdragsluitende Partijen, zich heeft begeven naar het grondgebied van de andere Partij en niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van prestaties ingevolge de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij, en indien deze werknemer nog recht zou hebben op prestaties ingevolge de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij indien hij zich zou bevinden op het grondgebied van die Partij, behoudt hij dat recht.
In dat geval is het bepaalde in het eerste, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid van artikel 14 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
Een werknemer die aan de door de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, heeft, tijdens een verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, recht op verstrekkingen, wanneer zijn gezondheidstoestand deze verstrekkingen onmiddellijk noodzakelijk maakt.
Een werknemer die recht heeft op prestaties voor rekening van een orgaan van een van de Verdragsluitende Partijen, en die woont op het grondgebied van bedoelde Partij, behoudt dit recht wanneer hij zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. Alvorens zijn woonplaats over te brengen, heeft de werknemer evenwel de toestemming nodig van het bevoegde orgaan. De toestemming kan alleen worden geweigerd indien de verplaatsing nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van een medische behandeling.
Wanneer een werknemer, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden, recht heeft op prestaties, worden de verstrekkingen voor rekening van het bevoegde orgaan verleend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats volgens de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, in het bijzonder wat betreft de omvang en de wijze van verlening van de verstrekkingen; de periode gedurende welke deze verstrekkingen worden verleend, is echter gelijk aan die voorzien in de wettelijke regeling van het bevoegde land.
In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen worden prothesen, kunstmiddelen van grotere omvang en andere belangrijke verstrekkingen, behalve in onmiskenbare spoedgevallen, slechts verschaft als het bevoegde orgaan daartoe machtiging verleent.
Met de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen stellen de verbindingsorganen bedoeld in het administratief akkoord voor de toepassing van het Verdrag een lijst op van verstrekkingen waarop dit lid van toepassing is.
In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen worden de uitkeringen door het bevoegde orgaan volgens de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verleend. Deze uitkeringen mogen door bemiddeling van het orgaan van de woon- of verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten in een administratief akkoord voor de toepassing van het Verdrag vast te stellen regels.
Wat de verstrekkingen betreft, is het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de werknemer.
Het bepaalde in het eerste en het zesde lid van dit artikel is niet van toepassing op personen die zich begeven naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij anders dan het bevoegde land ten einde medische hulp te ontvangen.
Wat de omvang en de wijze van verlening van verstrekkingen betreft, kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming vaststellen dat andere bepalingen worden toegepast dan die welke in het derde lid van dit artikel zijn vermeld.
Artikel 15
De werknemer die woont op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij anders dan het bevoegde land en die voldoet aan de voorwaarden gesteld in de wettelijke regeling van het bevoegde land om in aanmerking te komen voor prestaties, eventueel rekening houdend met het bepaalde in artikel 12, heeft, op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar hij woont, recht op:
- a. - verstrekkingen die voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend door het orgaan van de woonplaats, volgens de bepalingen van de wettelijke regeling die door laatstbedoeld orgaan wordt toegepast, alsof de werknemer daarbij was aangesloten;
- b. - uitkeringen verleend door het bevoegde orgaan volgens de bepalingen van de wettelijke regeling die door dit orgaan wordt toegepast, alsof de werknemer woonde op het grondgebied van het bevoegde land.
Deze prestaties kunnen worden verleend door bemiddeling van het orgaan van de woonplaats voor rekening van het bevoegde orgaan op de wijze zoals die zal worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten in een administratief akkoord voor de toepassing van het Verdrag.
Het bepaalde in het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die wonen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij anders dan het bevoegde land, wat betreft het recht op verstrekkingen. Wanneer de gezinsleden evenwel recht hebben op prestaties ingevolge de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen, is het bepaalde in dit artikel niet op hen van toepassing.
Artikel 15a
De gezinsleden van een werknemer die is aangesloten bij het orgaan van een van de Verdragsluitende Partijen en die woont op het grondgebied van die Partij, hebben recht op verstrekkingen wanneer zij wonen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, alsof de werknemer was aangesloten bij het orgaan van hun woonplaats.
Deze verstrekkingen worden ten laste van het bevoegde orgaan verleend door het orgaan van de woonplaats volgens de bepalingen van de wettelijke regeling die dit orgaan toepast.
Artikel 16
De werknemer en zijn gezinsleden bedoeld in artikel 15 en artikel 15a die verblijven op of hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van het bevoegde land, hebben recht op prestaties volgens de bepalingen van de wettelijke regeling van die Verdragsluitende Partij, zelfs indien zij reeds prestaties hebben genoten voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap vóór hun verblijf resp. de overbrenging van hun woonplaats. Indien volgens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bevoegde orgaan, aan de verlening van de prestaties een maximum duur is verbonden, wordt het tijdvak waarin deze prestaties zijn verleend en dat onmiddellijk voorafgaat aan de overbrenging van de woonplaats, meegeteld.
Artikel 17
Wanneer de pensioengerechtigde aan wie pensioenen zijn verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen, recht heeft op verstrekkingen ingevolge de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, eventueel rekening houdend met het bepaalde in artikel 12, worden aan deze pensioengerechtigde en zijn gezinsleden door het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan verstrekkingen verleend alsof hij uitsluitend in het genot was van een pensioen verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij.
Wanneer de pensioengerechtigde aan wie pensioen verschuldigd is krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij of aan wie pensioenen verschuldigd zijn krachtens de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen, geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, heeft hij zowel als zijn gezinsleden toch recht op deze verstrekkingen voor zover hij hierop recht krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij, eventueel rekening houdend met het bepaalde in artikel 12, of voor zover hij er recht op zou hebben indien hij woonde op het grondgebied van die Partij. De verstrekkingen worden verleend door het orgaan van de woonplaats alsof de betrokkene recht had op bedoelde verstrekkingen krachtens laatstbedoelde wettelijke regeling, maar voor rekening van het bevoegde orgaan.
Wanneer de pensioengerechtigde aan wie pensioen verschuldigd is krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij of aan wie pensioenen verschuldigd zijn krachtens de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen, woont op het grondgebied van het bevoegde land, hebben zijn gezinsleden die wonen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, recht op verstrekkingen alsof de pensioengerechtigde woonde op hetzelfde grondgebied als zij. Deze verstrekkingen worden verleend door het orgaan van de woonplaats van zijn gezinsleden volgens de bepalingen van de wettelijke regeling die dit orgaan toepast alsof zij recht hadden op bedoelde uitkeringen krachtens deze wettelijke regeling, doch ten laste van het bevoegde orgaan.
Indien de gezinsleden bedoeld in het vorige lid hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar de pensioengerechtigde woont, hebben zij recht op prestaties volgens de bepalingen van de wettelijke regeling van die Partij, zelfs indien zij de prestaties reeds hebben genoten voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap vóór de overbrenging van hun woonplaats.
De pensioengerechtigde aan wie pensioen is verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, of aan wie pensioenen zijn verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen, en die recht heeft op verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling van een van deze Partijen, heeft, evenals zijn gezinsleden, recht op deze verstrekkingen gedurende een verblijf op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij anders dan het grondgebied waar zij wonen, wanneer hun gezondheidstoestand het nodig maakt dat onmiddellijk verstrekkingen worden verleend.
In de gevallen bedoeld in het vorige lid worden de verstrekkingen verleend door het orgaan van de verblijfplaats volgens de bepalingen van de wettelijke regeling die door dit orgaan wordt toegepast, alsof betrokkene recht had op die verstrekkingen krachtens bedoelde wettelijke regeling, maar ten laste van het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats van de pensioengerechtigde of van zijn gezinsleden, naar gelang van het geval.
De duur van verlening van deze verstrekkingen is die welke is bepaald in de wettelijke regeling van het land waarin zij hun woonplaats hebben. Het bepaalde in artikel 14, vierde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat voor rekening van de pensioengerechtigde premies worden ingehouden voor het waarborgen van verstrekkingen, is het orgaan van die Partij, dat een pensioen verschuldigd is, gemachtigd tot die inhoudingen over te gaan wanneer de verstrekkingen krachtens dit artikel voor rekening van een orgaan van bedoelde Partij komen.
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de gezinsleden die zelf recht hebben op verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen.
Artikel 17a
Onverminderd artikel 3, is het bepaalde in artikel 14, eerste en zesde lid, en in artikel 17, vijfde lid, eveneens van toepassing op verzekerden die staatsburger van een derde land zijn.
Artikel 18
De krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk verleende verstrekkingen worden door de bevoegde organen of de organen van de woonplaats, al naar gelang van het geval, vergoed aan de organen die deze hebben verleend.
De vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats volgens de in een administratief akkoord vast te stellen regels, hetzij door het aantonen van de werkelijke kosten, hetzij op grond van vaste bedragen.
Artikel 18a
De bijzondere wijze van toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling betreffende de ziektekostenverzekering is vermeld in een Slotprotocol dat een integrerend deel van dit Verdrag vormt.
Hoofdstuk II. Invaliditeit
Artikel 19
Wanneer een verzekerde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van de beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden, met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties, de tijdvakken van verzekering, als werknemer vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk van de Verdragsluitende Partijen, samengeteld, voor zover deze niet samenvallen.
Artikel 20
De uitkeringen worden vastgesteld overeenkomstig de wettelijke regeling die op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ingetreden, op de belanghebbende van toepassing was en komen voor rekening van het volgens deze wettelijke regeling bevoegde orgaan.
Artikel 21
Indien, rekening houdend met de in artikel 19 bedoelde samentelling van tijdvakken van verzekering, de belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op uitkering ingevolge de wettelijke regeling die ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit op hem van toepassing was, terwijl hij nog recht heeft op uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij onmiddellijk daaraan voorafgaande was verzekerd, geniet hij deze uitkeringen in het land waarheen hij zich heeft begeven. Deze uitkeringen komen voor rekening van het orgaan van bovenbedoelde Partij, overeenkomstig de wettelijke regeling van deze Partij.
Artikel 22
Indien de betaling van uitkeringen na schorsing moet worden hervat, geschiedt dit door het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd was op het tijdstip waarop zij werden geschorst.
Indien na intrekking van de uitkeringen de toestand van de verzekerde hernieuwde toekenning van uitkeringen rechtvaardigt, worden deze overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 21 toegekend.
Artikel 23
Een werknemer die recht op uitkeringen heeft verkregen voor rekening van een orgaan van een der Verdragsluitende Partijen en op het grondgebied van deze Partij woont, behoudt dit recht wanneer hij zijn woonplaats naar het grondgebied van de andere Partij overbrengt. Vóór de overbrenging moet de werknemer echter toestemming van het bevoegde orgaan verkregen hebben. Deze toestemming kan alleen worden geweigerd indien verplaatsing van belanghebbende nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van een geneeskundige behandeling.
Hoofdstuk III. Ouderdom en nagelaten betrekkingen
Afdeling I. Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 24
Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van de andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Indien in de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, welke voor het verkrijgen en het vaststellen van het recht op uitkeringen generlei eisen stelt omtrent de duur van de verzekering, de toekenning van uitkeringen afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de werknemer op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan, ingevolge deze wettelijke regeling verzekerd was, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de werknemer op dat tijdstip aan de wettelijke regeling van de andere Partij onderworpen was.
Artikel 25
Het orgaan van elke Verdragsluitende Partij stelt overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling vast of de belanghebbende aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 24.
Indien de belanghebbende aan deze voorwaarden voldoet, berekent bedoeld orgaan het theoretische bedrag van de uitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken, indien alle tijdvakken van verzekering waarmede overeenkomstig artikel 24 voor de vaststelling van het recht op uitkering rekening is gehouden, uitsluitend krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld.
Indien het evenwel uitkeringen betreft waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag als het in het voorgaande lid bedoelde theoretische bedrag beschouwd.
Op basis van het overeenkomstig het tweede lid van dit artikel berekende theoretische bedrag stelt bedoeld orgaan vervolgens het werkelijke bedrag van de uitkering die het aan de belanghebbende verschuldigd is, vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen zijn vervuld.
Indien het theoretisch bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het derde lid van dit artikel, stelt het betrokken orgaan het werkelijke bedrag van de uitkering die het aan de belanghebbende verschuldigd is vast, uitgaande van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, ten opzichte van de duur van het tijdvak dat is verlopen tussen de datum waarop de belanghebbende of de overledene de leeftijd van 15 jaar had bereikt en de datum waarop de verzekerde gebeurtenis is ingetreden.
De wijze waarop voor het toepassen van de in de vorige leden aangegeven methode van berekening tijdvakken worden medegerekend, welke geheel of gedeeltelijk samenvallen, wordt in een administratief akkoord geregeld.
Artikel 26
Indien de totale duur van de krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering minder dan een jaar bedraagt en indien, uitsluitend rekening houdend met deze tijdvakken, krachtens die wettelijke regeling geen enkel recht op uitkeringen bestaat, is het orgaan van die Partij, ongeacht het bepaalde in artikel 25, niet verplicht op grond van bedoelde tijdvakken uitkeringen toe te kennen.
Voor de toepassing van artikel 25, met uitzondering van het bepaalde in het vierde lid, houdt de andere Verdragsluitende Partij rekening met de in het voorgaande lid bedoelde tijdvakken.
Artikel 27
Indien de belanghebbende, met inachtneming van artikel 24 van dit Verdrag, op een bepaald tijdstip niet ten volle voldoet aan de voorwaarden die door de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen worden gesteld, doch alleen voldoet aan de voorwaarden van een van deze wettelijke regelingen, wordt zijn recht op uitkeringen vastgesteld ten aanzien van de wettelijke regeling aan de voorwaarden waarvan is voldaan. De uitkering wordt opnieuw berekend overeenkomstig artikel 25 van dit Verdrag, wanneer ook aan de voorwaarden die door de wettelijke regeling van de andere Partij worden vastgesteld, met inachtneming van artikel 24, wordt voldaan.
Artikel 28
Indien het bedrag van de uitkeringen waarop de belanghebbende zonder toepassing van de artikelen 24 en 25 krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij aanspraak zou kunnen maken, hoger is dan het totale bedrag van de overeenkomstig deze artikelen verschuldigde uitkeringen, is het bevoegde orgaan van deze Partij verplicht hem een aanvulling te verlenen die gelijk is aan het verschil tussen deze beide bedragen. Deze. aanvulling komt geheel voor rekening van dit orgaan.
Artikel 29
Indien, door stijging van de kosten van levensonderhoud of een schommeling van het loonpeil, de uitkeringen met een bepaald percentage of bedrag worden gewijzigd, moet dit percentage of bedrag rechtstreeks in de overeenkomstig de artikelen 25 en 28 vastgestelde uitkeringen worden verwerkt, zonder dat er een herberekening volgens de genoemde artikelen behoeft plaats te vinden.
Daarentegen vindt bij herziening van de uitkering hetzij van de ene hetzij van de andere Verdragsluitende Partij ten einde rekening te houden met een wijziging van de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende, een herberekening plaats overeenkomstig de artikelen 25 en 28.
Artikel 30
Het weduwenpensioen wordt eventueel tussen de rechthebbenden verdeeld naar de omstandigheden bepaald door de persoonlijke rechtstoestand van de verzekerde. De wijze van toepassing van dit artikel wordt in een administratief akkoord geregeld.
Afdeling II. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de toepassing van de Nederlandse wettelijke regelingen
Artikel 31
Ongeacht het bepaalde in artikel 25, berekenen de Nederlandse organen de ouderdomspensioenen rechtstreeks en uitsluitend op basis van de krachtens de Nederlandse wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering.
Artikel 32
De korting bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de AOW wordt niet toegepast voor de tijdvakken voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag, gedurende welke de echtgenote of de weduwe tussen de 15- en 65-jarige leeftijd niet was verzekerd krachtens voornoemde wettelijke regeling terwijl zij gedurende het huwelijk woonde op het grondgebied van de Republiek Tunesië, voor zover deze tijdvakken samenvallen met de tijdvakken van verzekering die haar echtgenoot heeft vervuld onder bedoelde wettelijke regeling.
De korting bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AOW wordt niet toegepast voor de tijdvakken voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van het Verdrag, gedurende welke de echtgenote van de pensioengerechtigde tussen de 15- en 65-jarige leeftijd niet was verzekerd krachtens voornoemde wetgeving terwijl zij gedurende het huwelijk woonde op het grondgebied van de Republiek Tunesië, voor zover deze tijdvakken samenvallen met de tijdvakken van verzekering die haar echtgenoot heeft vervuld onder bedoelde wettelijke regeling.
In afwijking van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, van de AOW en in artikel 47, eerste lid, van de AWW is de echtgeno(o)t(e) van een aan het stelsel van verplichte verzekering onderworpen werknemer, terwijl deze woont op het grondgebied van de Republiek Tunesië, bevoegd zich vrijwillig te verzekeren krachtens bedoelde wettelijke regelingen alleen voor de tijdvakken na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag, gedurende welke de werknemer is onderworpen aan de verplichte verzekering krachtens deze wettelijke regelingen. Deze bevoegdheid eindigt op de dag waarop het tijdvak van verplichte verzekering van de werknemer afloopt. Deze bevoegdheid eindigt evenwel niet wanneer de verplichte verzekering van de werknemer is geëindigd ten gevolge van het overlijden van de werknemer en wanneer de bovengenoemde echtgeno(o)t(e) uitsluitend recht heeft op een pensioen krachtens de AWW. De bevoegdheid tot vrijwillige verzekering eindigt in ieder geval op de dag waarop de vrijwillig verzekerde de 65-jarige leeftijd bereikt.
De premiebetaling ingevolge bovenbedoelde vrijwillige verzekering die verschuldigd is door de echtgeno(o)t(e) van een werknemer die onderworpen was aan de verplichte AOW/AWW-verzekering onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag, wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen betreffende de vaststelling van de premie voor verplichte verzekering, met dien verstande dat de inkomsten van de echtgeno(o)t(e) in dat geval worden geacht te zijn ontvangen in Nederland.
Voor de echtgeno(o)t(e) van een werknemer die verplicht verzekerd is geworden op of na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag, wordt de premie vastgesteld overeenkomstig de bepalingen betreffende de vaststelling van de premie voor vrijwillige verzekering krachtens de AOW/AWW.
De bevoegdheid bedoeld in het derde lid wordt slechts verleend:
- -. indien de echtgeno(o)t)(e) van een werknemer die verplicht verzekerd was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag, de Sociale Verzekeringsbank binnen één jaar na de inwerkingtreding van bedoelde wijziging heeft medegedeeld premie te willen betalen voor een vrijwillige verzekering;
in alle andere gevallen:
- -. indien de echtgeno(o)t(e) van de werknemer de Sociale Verzekeringsbank binnen één jaar na het begin van het tijdvak van verplichte verzekering van de werknemer heeft medegedeeld premie te willen betalen voor een vrijwillige verzekering.
Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is niet van toepassing op de tijdvakken die samenvallen met de tijdvakken waarmee rekening wordt gehouden voor de berekening van een pensioen verschuldigd krachtens de wettelijke regeling inzake ouderdomsverzekering van een andere Staat dan Nederland, noch op de tijdvakken gedurende welke betrokkene een ouderdomspensioen heeft genoten krachtens een zodanige wettelijke regeling.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is slechts van toepassing op de echtgeno(o)t(e) die zich vrijwillig heeft verzekerd ingevolge het derde lid.
Artikel 33
Voor de toepassing van artikel 25, vijfde lid, worden eveneens beschouwd als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub A, letter d), de tijdvakken gelegen vóór 1 oktober 1959 gedurende welke de overledene na het bereiken van de 15-jarige leeftijd in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij in Nederland betaalde arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.
Er behoeft geen rekening te worden gehouden met tijdvakken die krachtens het voorgaande lid in aanmerking dienen te worden genomen, wanneer deze samenvallen met krachtens de wettelijke regeling van een andere Staat dan Nederland vervulde tijdvakken van ouderdoms- en overlevingsverzekering, op grond waarvan recht op een pensioen aan nagelaten betrekkingen bestaat.
Hoofdstuk IV. Gezinsuitkeringen
Artikel 34
Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen van het recht op gezinsuitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, voor zover nodig, rekening met de tijdvakken van verzekering die krachtens de wettelijke regeling van de andere Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Artikel 35
Een ingevolge de Tunesische wettelijke regeling verzekerde werknemer die kinderen heeft die op Nederlands grondgebied wonen of aldaar worden opgevoed, heeft, eventueel rekening houdend met de in artikel 34 bedoelde samentelling van tijdvakken, voor deze kinderen recht op gezinsuitkeringen volgens de bepalingen van de Tunesische wettelijke regeling.
Een ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling verzekerde werknemer, die kinderen heeft die op Tunesisch grondgebied wonen of aldaar worden opgevoed, heeft voor deze kinderen recht op gezinsuitkeringen volgens de bepalingen van de Nederlandse wettelijke regeling, zelfs indien de werknemer op Tunesisch grondgebied woont.
Indien volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij gezinsuitkeringen worden toegekend aan hen die een pensioen of een uitkering genieten, hebben zij die een pensioen of een uitkering genieten terwijl zij op het grondgebied van de andere Partij wonen, eveneens recht op gezinsuitkeringen.
Artikel 36
De wijze van betaling van de gezinsuitkeringen die krachtens dit hoofdstuk verschuldigd zijn, alsmede de voorschriften inzake samenloop van deze uitkeringen die krachtens de wettelijke regelingen van de beide Verdragsluitende Partijen verschuldigd zijn, worden in een administratief akkoord geregeld.
Hoofdstuk V. Werkloosheid
Artikel 37
Met het oog op het verkrijgen van het recht op werkloosheidsuitkeringen ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling, worden de tijdvakken van dienstbetrekking in Tunesië en de tijdvakken van dienstbetrekking in Nederland samengeteld.
Artikel 38
Een werknemer, die onderdaan van een van de Verdragsluitende Partijen is en zich naar het grondgebied van de andere Partij heeft begeven, heeft gedurende zijn verblijf op dit grondgebied recht op werkloosheidsuitkeringen ingevolge de wettelijke regeling van laatstbedoelde Verdragsluitende Partij, onder de volgende voorwaarden:
- a). hij dient tewerkgesteld te zijn overeenkomstig de wettelijke regelingen inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
- b). hij dient te voldoen aan de voorwaarden die door de wettelijke regeling van de laatstbedoelde Verdragsluitende Partij zijn gesteld om in aanmerking te komen voor uitkeringen, rekening houdende met de in artikel 37 bedoelde samentelling van tijdvakken.
TITEL IV. DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 39
De bevoegde autoriteiten
- a). treffen alle administratieve regelingen die voor de uitvoering van dit Verdrag nodig zijn;
- b). verstrekken elkaar alle inlichtingen omtrent de ter uitvoering van dit Verdrag genomen maatregelen;
- c). verstrekken elkaar alle inlichtingen omtrent de wijzigingen in hun wetgeving, die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van dit Verdrag.
De bevoegde autoriteiten regelen, in voorkomende gevallen, in onderling overleg de situatie van bijzondere categorieën werknemers,
Artikel 40
Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en de met de uitvoering van dit Verdrag belaste organen elkaar behulpzaam en handelen als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. De wederzijdse administratieve hulp van deze autoriteiten en organen is in beginsel kosteloos. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen bepaalde kosten te vergoeden.
Artikel 41
De vrijstelling of verlaging van rechten, zegelrechten, griffie- of registratierechten, waarin bij de wetgeving van een Verdragsluitende Partij is voorzien voor bescheiden of documenten die ter uitvoering van de wetgeving van deze Partij dienen te worden overgelegd, geldt eveneens voor overeenkomstige bescheiden en documenten die ter uitvoering van de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij of van dit Verdrag dienen te worden overgelegd.
Alle akten, documenten en overige bescheiden van officiële aard die voor de toepassing van dit Verdrag dienen te worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisatie en van alle andere soortgelijke formaliteiten.
Artikel 42
Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de organen van de Verdragsluitende Partijen zich in de Franse taal rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen.
De autoriteiten, organen of rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen verzoekschriften of andere documenten die hun worden toegezonden, niet afwijzen op grond van het feit dat zij in de officiële taal van de andere Verdragsluitende Partij zijn gesteld.
Artikel 43
Aanvragen, verklaringen of beroepschriften die volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van die Partij, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van de andere Verdragsluitende Partij worden ingediend. In dat geval zal de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie waarop aldus een beroep wordt gedaan, deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de bevoegde rechterlijke instantie van eerstbedoelde Partij.
Artikel 44
Het uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende overmaken van bedragen geschiedt volgens de overeenkomsten die op het tijdstip van overmaking ter zake tussen de beide Verdragsluitende Partijen van kracht zijn.
Artikel 45
Indien, bij de vaststelling of de herziening van ouderdomsuitkeringen of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen (pensioenen) krachtens Titel III, hoofdstuk III, het orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan aan het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat overeenkomstige uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de aan bedoelde rechthebbende verschuldigde achterstallige termijnen. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft. Indien de terugvordering niet met de achterstallige termijnen kan worden verrekend, is het volgende lid van toepassing.
Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan op de wijze en binnen de grenzen, als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, aan het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de bedragen die het aan bedoelde rechthebbende betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekening is toegestaan bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betrof en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.
Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij voorschotten op uitkeringen heeft verleend voor een tijdvak waarover de rechthebbende recht had op overeenkomstige uitkeringen krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij, kan dit orgaan aan het orgaan van de andere Partij verzoeken het bedrag van deze voorschotten in te houden op de bedragen die het voor hetzelfde tijdvak aan bedoelde rechthebbende verschuldigd is. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen waarin de door dit orgaan toegepaste wetgeving voorziet en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.
Wanneer een persoon op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij sociale bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarin deze persoon krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij recht op uitkeringen had, kan de instelling die de sociale bijstand heeft verleend, indien deze een wettelijk verhaalsrecht heeft op uitkeringen die verschuldigd zijn aan personen die sociale bijstand genieten, aan het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan de betrokken persoon verschuldigd is, verzoeken het bedrag van de over genoemd tijdvak verleende sociale bijstand in te houden op de bedragen die het aan bedoelde persoon betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen waarin de door dit orgaan toegepaste wetgeving voorziet en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan de instelling welke de vordering heeft.
Artikel 46
Over ieder geschil dat tussen de Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag mocht ontstaan, wordt rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen onderhandeld.
Indien het geschil niet is beslecht binnen zes maanden nadat het eerste verzoek is gedaan om de in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven onderhandelingen te beginnen, wordt het voorgelegd aan een scheidsrechterlijke commissie, waarvan de samenstelling en de procedure in een overeenkomst tussen de Verdragsluitende Partijen worden vastgelegd. De scheidsrechterlijke commissie moet het geschil volgens de grondbeginselen en in de geest van dit Verdrag beslechten. Haar beslissingen zijn bindend en niet vatbaar voor beroep.
TITEL V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 47
Aan dit Verdrag kan geen enkel recht op betaling van uitkeringen worden ontleend voor een tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat.
Voor de vaststelling van de aan dit Verdrag te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, dat vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij is vervuld.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van dit artikel ontstaat krachtens dit Verdrag een recht, zelfs wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke vóór zijn inwerkingtreding heeft plaatsgevonden.
Elke uitkering die in verband met de nationaliteit van de belanghebbende dan wel met diens woonplaats in het buitenland niet is vastgesteld dan wel is geschorst, wordt op verzoek van de belanghebbende vastgesteld of hervat met ingang van de inwerkingtreding van dit Verdrag.
De rechten van de belanghebbenden wier pensioen vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werd vastgesteld, worden op hun verzoek, met inachtneming van dit Verdrag, herzien. Herziening van deze rechten kan eveneens ambtshalve plaatsvinden. In geen enkel geval mogen door een dergelijke herziening de vroegere rechten van de belanghebbenden worden verminderd.
Indien het in het vierde of vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, worden de aan dit Verdrag te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij met betrekking tot verval of verjaring van rechten op de belanghebbenden worden toegepast.
Indien het in het vierde of het vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek na afloop van een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, wordt voor het verkrijgen van de niet vervallen of verjaarde rechten alleen rekening gehouden met de datum waarop het verzoek is ingediend, tenzij gunstiger bepalingen van de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij van toepassing zijn.
Artikel 48
De Regeringen van de Verdragsluitende Partijen stellen elkaar ervan in kennis dat de grondwettelijke procedures vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag, in hun onderscheiden landen zijn vervuld.
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste van deze kennisgevingen.
Artikel 49
Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Het kan door elk van de Verdragsluitende Partijen worden opgezegd. Opzegging dient te geschieden uiterlijk zes maanden vóór het einde van het lopende kalenderjaar; het Verdrag houdt alsdan op van kracht te zijn aan het einde van dat jaar.
Artikel 50
Bij opzegging van dit Verdrag wordt elk recht dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, gehandhaafd.
Aanspraken op grond van tijdvakken, vervuld vóór de datum waarop de opzegging van kracht wordt, worden niet door de opzegging teniet gedaan; het behoud ervan wordt in onderlinge overeenstemming vastgesteld of bij gebreke daarvan door de wetgeving die het betrokken orgaan toepast.
1
Wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wettelijke regeling, dient voor de toepassing van Hoofdstuk 1 van Titel III van het Verdrag onder "rechthebbende op verstrekkingen" te worden verstaan de persoon die is verzekerd of medeverzekerd krachtens de verzekering bedoeld in de Nederlandse Ziekenfondswet.
2
Voor de toepassing van artikel 17 van het Verdrag worden met de pensioenen verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub A, letter b) prestaties bij arbeidsongeschiktheid, letter c) uitkeringen bij ouderdom en letter d) uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, van het Verdrag gelijkgesteld:
- -. pensioenen ingevolge de wet van 6 januari 1966 (Staatsblad 6) houdende nieuwe regeling van de pensioenen van de burgerljke ambtenaren en van hun nabestaanden (Algemene Burgerlijke Pensioenwet);
- -. pensioenen ingevolge de wet van 6 oktober 1966 (Staatsblad 445) houdende nieuwe regeling van de pensioenen van de militairen en van hun nabestaanden (Algemene Militaire Pensioenwet);
- -. pensioenen ingevolge de wet van 15 februari 1967 (Staatsblad 138) houdende nieuwe regeling van de pensioenen van de personeelsleden van de N.V. Nederlandse Spoorwegen en van hun nabestaanden (Spoorwegpensioenwet);
- -. pensioenen ingevolge het Reglement Dienstvoorwaarden Nederlandse Spoorwegen (RDV 1964 N.S.);
- -. een uitkering terzake van pensionering vóór de 65-jarige leeftijd ingevolge een pensioenregeling die ten doel heeft de verzorging van werknemers en voormalig werknemers bij ouderdom;
- -. een uitkering terzake van vervroegd uittreden uit het arbeisproces ingevolge een door de Staat uitgevaardigde regeling of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst waarbij een regeling voor vervroegde uittreding is vastgesteld, of ingevolge een door de Ziekenfondsraad aan te wijzen regeling.
3
De werknemer of zijn gezinsleden bedoeld in de artikelen 13, tweede lid en 14, tweede lid, van het Verdrag alsmede de gezinsleden bedoeld in artikel 15, tweede lid, en artikel 15a van het Verdrag en de pensioengerechtigde of zijn gezinsleden bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, van het Verdrag, die wonen op het grondgebied van Nederland, zijn niet verzekerd ingevolge de AWBZ.
Artikel 1. Verificatie van aanvragen en betalingen
Het bevoegde orgaan van de ondertekenende Staat waarbij een aanvraag om uitkering is ingediend, is verplicht de juistheid van de inlichtingen met betrekking tot de aanvrager en, in voorkomend geval, tot de gezinsleden te verifiëren en moet bewijsstukken of vergelijkbare stukken verstrekken aan het bevoegde orgaan van de andere ondertekenende Staat, zodanig dat deze laatste de behandeling van de aanvraag kan voortzetten.
Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer het bevoegde orgaan van één van de ondertekenende Staten een verzoek indient bij het orgaan van de andere Staat om een onderzoek uit te voeren naar de rechtmatigheid van de betalingen aan uitkeringsgerechtigden die wonen of verblijven op het grondgebied van één van beide ondertekenende Staten.
De in het eerste en tweede lid bedoelde inlichtingen omvatten eveneens het adres, het werk, het schoolbezoek, het inkomen, de gezinssituatie en de arbeidsgeschiktheid of de gezondheidstoestand.
De bevoegde organen van de ondertekenende Staten kunnen zich rechtstreeks wenden tot elkaar of tot de uitkeringsgerechtigden of tot hun vertegenwoordigers.
Inlichtingen kunnen rechtstreeks bij elkaar worden ingewonnen door de bevoegde organen of de verbindingsorganen van de Verdragsluitende Staten.
Het bevoegde orgaan of het verbindingsorgaan dat het verzoek om inlichtingen heeft ontvangen dient een antwoord te verstrekken binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst, waarbij het poststempel geldt als bewijs.
Indien de inlichtingen niet binnen de gestelde termijn worden verstrekt, kan het bevoegde orgaan zich wenden tot de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van hun land in de accrediterende Staat.
Deze vertegenwoordigers richten zich tot het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de accrediterende Staat, dat zicht tot de bevoegde autoriteit zoals bepaald in het bilaterale Verdrag inzake sociale zekerheid wendt met vragen die behoren tot de bevoegdheid van deze autoriteit.
Indien het inlichtingen betreft die behoren tot de bevoegdheid van andere autoriteiten, wendt het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich tot de desbetreffende bevoegde autoriteit om deze inlichtingen in te winnen.
In alle gevallen dienen de antwoorden op de verzoeken om inlichtingen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken te worden gezonden aan de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers die deze verzoeken hebben ingediend.
Artikel 2. Identificatie
Om het recht op een uitkering en de rechtmatigheid van de betaling krachtens de Nederlandse wetgeving te kunnen vaststellen, zijn de personen op wie het Verdrag van toepassing is verplicht hun identiteit aan te tonen bij het bevoegde orgaan van Tunesië door overlegging van een officieel identiteitsbewijs.
Het bevoegde orgaan van Tunesië kan aldus de persoon naar behoren identificeren aan de hand van het identiteitsbewijs dat deze overlegt. Genoemd orgaan zendt vervolgens een afschrift van het identiteitsbewijs aan het bevoegde orgaan van Nederland.
Een geldig paspoort of geldige identiteitskaart afgegeven door een bevoegde autoriteit van de woonplaats van de belanghebbende vormt een identiteitsbewijs.
Artikel 3. Terugvordering van onverschuldigde betalingen
De voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraken en beslissingen alsmede die van de organen of autoriteiten van een van de ondertekenende Staten betreffende de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen terzake van sociale zekerheid worden door de andere Staat erkend.
Deze uitspraken en beslissingen kunnen slechts worden afgewezen indien zij strijdig zijn met de openbare orde van de ondertekenende Staat waar de rechterlijke uitspraak of de beslissing moet worden erkend.
De in het eerste lid bedoelde uitspraken en beslissingen moeten door de andere ondertekenende Staat ten uitvoer worden gelegd. De tenuitvoerlegging ervan geschiedt overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Staat op het grondgebied waarvan de beslissing moet worden toegepast en die in die Staat van kracht zijn voor de tenuitvoerlegging van genomen beslissingen en gedane uitspraken.
Het gewaarmerkt afschrift van de beslissing of uitspraak moet worden voorzien van de uitvoerbaarheidsverklaring.
Wanneer het bevoegde orgaan van een ondertekenende Staat met toepassing van het Verdrag of van de nationale wetgeving aan een rechthebbende een invaliditeits-, ouderdoms- of nabestaandenuitkering heeft betaald, en het betaalde bedrag onverschuldigd is of hoger dan dat waarop hij recht had, kan dit orgaan het orgaan van de bevoegde Staat dat aan de belanghebbende een uitkering verstrekt, verzoeken het onverschuldigde of te veel betaalde bedrag in mindering te brengen op aan de belanghebbende te betalen achterstallige bedragen of uitkeringen. Dit orgaan houdt het betrokken bedrag in overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in de bepalingen die het toepast en betaalt het ingehouden bedrag aan het orgaan dat een vordering heeft.
Artikel 4. Inning van premies
De voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraken en beslissingen alsmede die van de organen of autoriteiten van een van de ondertekenende Staten betreffende de inning van premies terzake van sociale zekerheid worden door de andere Staat erkend.
Deze uitspraken en beslissingen kunnen slechts worden afgewezen indien zij strijdig zijn met de openbare orde van de ondertekenende Staat waar de rechterlijke uitspraak of de beslissing moet worden erkend.
De in het eerste lid bedoelde uitspraken en beslissingen moeten door de andere ondertekenende Staat ten uitvoer worden gelegd. De tenuitvoerlegging ervan geschiedt overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Staat op het grondgebied waarvan de beslissing moet worden toegepast en die in die Staat van kracht zijn voor de tenuitvoerlegging van genomen beslissingen en gedane uitspraken.
Het gewaarmerkte afschrift van de beslissing of uitspraak moet worden voorzien van de uitvoerbaarheidverklaring.
Artikel 5. Weigering, opschorting, intrekking
Het bevoegde orgaan van een van de Verdragsluitende Partijen is gerechtigd de invaliditeits-, ouderdoms- of nabestaandenuitkering, alsmede de kinderbijslagen te weigeren, op te schorten of in te trekken indien, als gevolg van zijn verzoek, de belanghebbende, de rechthebbende of het bevoegde orgaan van de andere Partij verzuimt inlichtingen te verstrekken binnen een termijn van drie maanden volgend op dat verzoek.
Deze termijn kan door het bevoegde orgaan worden verlengd ingeval er een beroep wordt gedaan op de procedure die is vastgelegd onder punt 5 van bovenstaand artikel 1.
Indien de belanghebbende of leden van zijn gezin alsmede het bevoegde orgaan niet in staat waren inlichtingen te verstrekken vanwege redenen buiten hun wil, zal de uitkering niettemin worden geweigerd, opgeschort of ingetrokken na kennisgeving van de termijnen en rechtsmiddelen waarin de wetgeving voorziet die van toepassing is op het orgaan van de andere Staat.
EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.
FAIT à Tunis, le 22 septembre 1978 en double exemplaire en langue française.
Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas
(s.) C. Th. R. BAARDA
Pour le Gouvernement de la République Tunisienne
(s.) A. GANA
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)