Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 1994-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Ter uitvoering van de artikelen 18, tweede lid, 25, zesde lid, 30, 36, 39, eerste lid, en 40 van het op 22 september 1978 te Tunis ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid (hierna aangeduid met de term „Verdrag"), hebben de bevoegde Nederlandse en Tunesische autoriteiten in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld:

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Akkoord hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit Akkoord worden als verbindingsorganen aangewezen:

Artikel 3
1.

In het in artikel 8, letter a), van het Verdrag bedoelde geval reikt de hierna genoemde instelling van het land, waarvan de wetgeving van toepassing blijft, de werknemer op verzoek een detacheringsbewijs uit waarin wordt verklaard dat op hem de wetgeving van dit land van toepassing blijft.

2.

Dit bewijsstuk wordt opgemaakt:

3.

Het bewijsstuk moet, zo nodig, door de vertegenwoordiger van de werknemer in het andere land, indien er een zodanige vertegenwoordiger is, of anders door de werknemer zelf worden overgelegd.

4.

Indien de werkzaamheden langer dan 12 maanden duren, richt de werkgever voor het einde van deze periode een verzoek om verlenging van detachering aan de instelling welke het eerste bewijsstuk heeft uitgereikt, laatstbedoelde instelling vraagt de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van het land waar de tijdelijke werkzaamheden worden verricht en reikt, nadat de goedkeuring is verkregen, een tweede bewijsstuk uit.

Artikel 4

De werknemer die overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van het Verdrag zijn keuzerecht uitoefent, deelt dit, door tussenkomst van zijn werkgever, mede aan de in artikel 3, tweede lid, aangewezen instelling van het land voor de wetgeving waarvan hij heeft gekozen. Deze instelling stelt de instelling van het andere land hiervan in kennis.

De keuze wordt van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag of op de datum waarop de werknemer door de diplomatieke zending of consulaire post, onderscheidenlijk de ambtenaar van deze zending of post wordt aangesteld.

TITEL II. BIJZONDERE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. Prestaties bij ziekte en moederschap

Artikel 5

Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt onder „orgaan van de woonplaats" en „orgaan van de verblijfplaats" verstaan:

Artikel 6
1.

Om in aanmerking te komen voor samentelling van tijdvakken van verzekering als bedoeld in artikel 12 van het Verdrag, dient de werknemer die zich van het ene land naar het andere heeft begeven, aan het bevoegde orgaan van het land waarheen hij zich heeft begeven, een verklaring over te leggen waarin de tijdvakken van verzekering zijn vermeld die zijn vervuld krachtens de wetgeving van het eerstbedoelde land.

2.

De verklaring wordt op verzoek van de werknemer verstrekt:

3.

Indien de werknemer geen verklaring overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan van het land waarheen hij zich heeft begeven, het bovengenoemd orgaan van het andere land daarom.

4.

Indien aan de in artikel 13, eerste lid, van het Verdrag bedoelde werknemer voor hemzelf of voor één van zijn gezinsleden het recht is toegekend op een prothese, een hulpmiddel van grotere omvang of andere belangrijke verstrekkingen door het bevoegde orgaan van het land waar de werknemer laatstelijk vóór zijn aankomst in het andere land was verzekerd, komen deze verstrekkingen voor rekening van dit orgaan, zelfs indien zij in feite na zijn vertrek worden verleend.

Verstrekkingen

Artikel 7

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen, richt de in artikel 13, tweede lid, van het Verdrag bedoelde werknemer een verzoek tot het orgaan van de woonplaats. Dit orgaan verzoekt het bevoegde orgaan om toezending van een verklaring waaruit blijkt dat hij recht op verstrekkingen heeft en dat de kosten van deze verstrekkingen voor rekening van het laatstbedoelde orgaan komen. Deze verklaring vermeldt de maximumduur gedurende welke de verstrekkingen mogen worden verleend.

Artikel 8
1.

Om gedurende een verblijf in het andere dan het bevoegde land in aanmerking te komen voor verstrekkingen, legt de in artikel 14, eerste lid, van het Verdrag bedoelde werknemer, zo mogelijk voordat hij het bevoegde land verlaat, aan het orgaan van de verblijfplaats een door het bevoegde orgaan afgegeven verklaring over waaruit blijkt dat hij recht heeft op deze verstrekkingen. In deze verklaring wordt met name vermeld hoelang deze verstrekkingen mogen worden verleend. Indien de werknemer deze verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.

2.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de werknemer.

3.

De voorgaande leden zijn eveneens van toepassing in de in artikel 8, letters a en b, eerste zin, van het Verdrag bedoelde gevallen.

4.

Indien de in het eerste lid van dit artikel bedoelde formaliteiten niet tijdens het verblijf konden worden vervuld, worden de gemaakte kosten op verzoek van de werknemer vergoed door het bevoegde orgaan tegen de door het orgaan van de verblijfplaats toegepaste tarieven.

5.

Het orgaan van de verblijfplaats dient aan het bevoegde orgaan dat daarom vraagt, de nodige gegevens over deze tarieven te verstrekken.

Artikel 9
1.

Om in het land van zijn nieuwe woonplaats recht op verstrekkingen te behouden, legt de in artikel 14, tweede lid, van het Verdrag bedoelde werknemer aan het orgaan van zijn nieuwe woonplaats een verklaring over waarin het bevoegde orgaan hem toestaat, na de overbrenging van zijn woonplaats, het recht op verstrekkingen te behouden. Bedoeld orgaan geeft in deze verklaring eventueel de maximumduur aan gedurende welke, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, verstrekkingen mogen worden verleend. Het bevoegde orgaan kan op verzoek van de werknemer of van het orgaan van zijn nieuwe woonplaats, de verklaring ook na de overbrenging van de woonplaats van de werknemer uitreiken, wanneer deze niet eerder kon worden opgesteld.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de werknemer bedoeld in artikel 14, zesde lid, van het Verdrag.

Artikel 10
1.

Ter verkrijging van de machtiging waarvan het verlenen van de in artikel 14, vierde lid, van het Verdrag bedoelde verstrekkingen afhankelijk is, richt het orgaan van de woon- of verblijfplaats een verzoek aan het bevoegde orgaan. Laatstbedoeld orgaan kan hiertegen, onder opgave van redenen, binnen dertig dagen, gerekend vanaf de verzending van dit verzoek, eventueel verzet aantekenen; indien na afloop van deze termijn bij het orgaan van de woon- of verblijfplaats geen verzet is aangetekend, kent het de verstrekkingen toe.

2.

Wanneer de in artikel 14, vierde lid, van het Verdrag bedoelde verstrekkingen in onmiskenbare spoedgevallen zonder machtiging van het bevoegde orgaan moeten worden verleend, stelt het orgaan van de woon- of verblijfplaats bedoeld orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte.

3.

De gevallen van onmiskenbare spoedgevallen in de zin van artikel 14, vierde lid, van het Verdrag zijn die waarin de verlening van de verstrekking niet kan worden uitgesteld zonder het leven of de gezondheid van de belanghebbende ernstig in gevaar te brengen. Indien een prothese of een hulpmiddel per ongeluk is gebroken of beschadigd, is er sprake van onmiskenbare spoed wanneer door het achterwege blijven van reparatie of vervanging van het desbetreffende artikel het leven of de gezondheid van de belanghebbende ernstig in gevaar kan worden gebracht.

Artikel 11
1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 15, eerste lid, van het Verdrag, laat de werknemer zichzelf zowel als zijn gezinsleden inschrijven bij het orgaan van de woonplaats waarbij hij een verklaring overlegt waaruit blijkt dat hij voor zichzelf en voor zijn gezinsleden recht heeft op deze verstrekkingen. Deze verklaring wordt afgegeven door het bevoegde orgaan op grond van de gegevens die, eventueel door de werkgever, zijn verstrekt. Indien de werknemer of zijn gezinsleden bedoelde verklaring niet overleggen, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.

2.

De in het vorige lid bedoelde verklaring blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats geen kennisgeving heeft ontvangen dat deze verklaring is ingetrokken. De geldigheid van deze verklaring eindigt uiterlijk de dertigste dag na de datum van verzending van de kennisgeving van intrekking door het bevoegde orgaan aan het orgaan van de woonplaats.

Wanneer de werknemer echter onderworpen is aan de wetgeving van het land waar hij woont, eindigt de geldigheid van deze verklaring op de eerste dag waarop de werknemer aan de wetgeving van dat land is onderworpen.

3.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving die het heeft verricht overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.

4.

Bij iedere aanvraag van verstrekkingen dient de aanvrager de bewijsstukken in die gewoonlijk vereist zijn voor het verlenen van verstrekkingen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.

5.

Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 15, tweede lid, en artikel 15a van dit Verdrag bedoelde gezinsleden van de werknemer.

6.

De werknemer of diens gezinsleden dienen het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden van de werknemer of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats van hemzelf of van een gezinslid. Het bevoegde orgaan stelt het orgaan van de woonplaats eveneens op de hoogte van de beëindiging van de aansluiting bij het orgaan of van de beëindiging van het recht op verstrekkingen van de werknemer. Het orgaan van de woonplaats kan te allen tijde het bevoegde orgaan vragen om alle inlichtingen betreffende de aansluiting of de rechten op verstrekkingen van de werknemer.

7.

Het orgaan van de woonplaats verleent zijn goede diensten aan het bevoegde orgaan dat voornemens is verhaal uit te oefenen op degene die ten onrechte verstrekkingen heeft genoten.

Artikel 12

Voor de toepassing van artikel 16 van het Verdrag bij verblijf op het grondgebied van het bevoegde land van de gezinsleden bedoeld in artikel 15a van het Verdrag, zijn de artikelen 8 en 10 van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt het orgaan van de woonplaats beschouwd als het bevoegde orgaan.

Artikel 13
1.

Om in het land van zijn woonplaats in aanmerking te komen voor verstrekkingen laat de in artikel 17, tweede lid, van het Verdrag bedoelde pensioengerechtigde zichzelf alsmede zijn gezinsleden inschrijven bij het orgaan van zijn woonplaats, waarbij hij de volgende stukken overlegt:

2.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving die het heeft verricht overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid.

3.

De pensioengerechtigde dient het orgaan van zijn woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor zijn recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere schorsing of intrekking van zijn pensioen en van iedere overbrenging van zijn woonplaats of van die van zijn gezinsleden.

4.

Het orgaan van de woonplaats deelt, zodra het hiervan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan iedere verandering mede waardoor het recht op verstrekkingen voor de pensioengerechtigde of zijn gezinsleden kan vervallen.

5.

Het orgaan van de woonplaats verleent zijn goede diensten aan het bevoegde orgaan dat voornemens is verhaal uit te oefenen op degene die ten onrechte verstrekkingen heeft genoten.

6.

Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden bedoeld in artikel 17, derde lid, van het Verdrag.

7.

Wat betreft de verlening van verstrekkingen aan pensioengerechtigden alsmede aan hun gezinsleden tijdens een verblijf bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van het Verdrag, zijn de artikelen 8 en 10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

In de gevallen bedoeld in de artikelen 16 en 17, vierde lid, van het Verdrag, verzoekt het bevoegde orgaan, zo nodig, het orgaan van de laatste woonplaats inlichtingen te verstrekken over het tijdvak gedurende hetwelk verstrekkingen zijn verleend en dat onmiddellijk voorafgaat aan het verblijf of de overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van het bevoegde land.

Uitkeringen

Artikel 16
1.

Om in Tunesië in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de Nederlandse wetgeving, dient de werknemer die tijdens een tijdelijk verblijf in Tunesië arbeidsongeschikt wordt -onverminderd zijn verplichting zijn werkgever onmiddellijk op de hoogte te stellen van zijn arbeidsongeschiktheid- persoonlijk een aanvraag in te dienen of, in geval van overmacht, te doen indienen bij de regionale afdeling van het CNSS die bevoegd is voor zijn woon- of verblijfplaats, te zamen met een medische verklaring afgegeven door zijn behandelend arts. In zijn aanvraag vermeldt de werknemer de naam en het adres van zijn werkgever of van zijn gewezen werkgever alsmede, zo mogelijk, de naam en het adres van de bevoegde bedrijsfvereniging.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.