Tweede Protocol bij het Haags Verdrag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict
De Partijen,
Zich bewust van de noodzaak de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict te verbeteren en een versterkt systeem voor de bescherming van speciaal aangewezen cultuurgoederen in te stellen;
Opnieuw bevestigend het belang van de bepalingen van het Verdrag inzake de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict, gedaan te ’s-Gravenhage op 14 mei 1954, en de noodzaak benadrukkend deze bepalingen aan te vullen met maatregelen om de uitvoering ervan te versterken;
Geleid door de wens de Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag een middel te verschaffen om nauwer betrokken te zijn bij de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict door het instellen van daarvoor geschikte procedures;
Overwegende dat de regels met betrekking tot de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict de ontwikkelingen van het internationale recht dienen weer te geven;
Bevestigend dat de regels van het internationale gewoonterecht van toepassing blijven op vraagstukken die door dit Protocol niet worden geregeld;
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. INLEIDING
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
- a. „Partij’’, een Staat die Partij is bij dit Protocol;
- b. „cultuurgoederen’’, culturele goederen zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Verdrag;
- c. „Verdrag’’, het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, gedaan te ’s-Gravenhage op 14 mei 1954,
- d. „Hoge Verdragsluitende Partij’’, een Staat die Partij is bij het Verdrag,
- e. „verhoogde bescherming’’, het ingevolge de artikelen 10 en 11 ingestelde systeem van verhoogde bescherming,
- f. „militair doel’’, een object dat op grond van zijn aard, locatie, bestemming of gebruik een daadwerkelijke bijdrage levert aan een militair optreden en waarvan de volledige of gedeeltelijke vernietiging, buitmaking of neutralisering, in de omstandigheden op dat moment, een duidelijk militair voordeel oplevert;
- g. „onrechtmatig’’, onder dwang of anderszins in overtreding van de geldende nationale rechtsregels van het bezette gebied of van het internationale recht;
- h. „Lijst’’, de ingevolge artikel 27, eerste lid, letter b, opgestelde Internationale Lijst van Cultuurgoederen onder Verhoogde Bescherming;
- i. „Directeur-Generaal’’, de Directeur-Generaal van de UNESCO;
- j. „UNESCO’’, de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur;
- k. „Eerste Protocol’’, het Protocol inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, gedaan te ’s-Gravenhage op 14 mei 1954;
Artikel 2. Verhouding tot het Verdrag
Dit Protocol vormt ten aanzien van de betrekkingen tussen de Partijen een aanvulling op het Verdrag.
Artikel 3. Werkingssfeer
Naast de bepalingen die in vredestijd van toepassing zijn, is dit Protocol van toepassing op situaties bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, van het Verdrag en in artikel 22, eerste lid.
Indien een van de partijen bij een gewapend conflict niet door dit Protocol gebonden is, blijven de Partijen bij dit Protocol hierdoor gebonden in hun wederzijdse betrekkingen. Voorts zijn zij door dit Protocol gebonden in hun betrekkingen tot een Staat die partij is bij het conflict en die niet door het Protocol gebonden is, indien deze laatste de bepalingen van dit Protocol aanvaardt en voor zolang hij deze toepast.
Artikel 4. Verhouding tussen Hoofdstuk 3 en andere bepalingen van het Verdrag en dit Protocol
De toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk 3 van dit Protocol laat onverlet:
- a. de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk I van het Verdrag en van Hoofdstuk 2 van dit Protocol;
- b. de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk II van het Verdrag met dien verstande dat, tussen de Partijen bij dit Protocol of tussen een Partij en een Staat die dit Protocol aanvaardt en toepast in overeenstemming met artikel 3, tweede lid, wanneer aan cultuurgoederen zowel bijzondere bescherming als verhoogde bescherming wordt toegekend, uitsluitend de bepalingen van verhoogde bescherming van toepassing zijn.
HOOFDSTUK 2. ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE BESCHERMING
Artikel 5. Veiligstelling van cultuurgoederen
De in vredestijd getroffen voorbereidende maatregelen voor de veiligstelling van cultuurgoederen tegen de voorzienbare gevolgen van een gewapend conflict ingevolge artikel 3 van het Verdrag omvatten, naargelang hetgeen van toepassing is, het opstellen van inventarislijsten, het plannen van noodmaatregelen voor de bescherming tegen brand of instorting van gebouwen, de voorbereiding van de verwijdering van roerende cultuurgoederen of de verschaffing van een passende in situ bescherming voor dergelijke goederen, en de aanwijzing van bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de veiligstelling van cultuurgoederen.
Artikel 6. Eerbiediging van cultuurgoederen
Met het doel de eerbiediging van cultuurgoederen in overeenstemming met artikel 4 van het Verdrag te waarborgen:
- a. kan op grond van een gebiedende militaire noodzaak overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van het Verdrag alleen worden afgeweken voor het richten van een vijandelijk optreden tegen cultuurgoederen, wanneer en zolang:
- i. dat culturele goed, door zijn functie, is verworden tot een militair doel, en
- ii. er geen praktisch uitvoerbaar alternatief bestaat ter verkrijging van een militair voordeel dat gelijkwaardig is aan het voordeel dat wordt behaald door het richten van een vijandelijk optreden tegen dat doel;
- b. kan op grond van een gebiedende militaire noodzaak overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van het Verdrag alleen worden afgeweken voor het gebruik van cultuurgoederen voor doeleinden waardoor deze goederen mogelijk worden blootgesteld aan vernietiging of beschadiging, wanneer en zolang er geen keuze mogelijk is tussen een dergelijk gebruik van de cultuurgoederen en een andere praktisch uitvoerbare methode ter verkrijging van een gelijkwaardig militair voordeel;
- c. de beslissing een beroep te doen op een gebiedende militaire noodzaak wordt alleen genomen door een officier die het bevel voert over een eenheid die in omvang vergelijkbaar is met een bataljon of groter, of over een formatie van kleinere omvang, indien de omstandigheden geen andere mogelijkheid toelaten;
- d. in geval van een aanval op basis van een beslissing overeenkomstig letter a, moet, telkens wanneer de omstandigheden dit toelaten, een doeltreffende vroegtijdige waarschuwing worden gegeven.
Artikel 7. Voorzorgen bij aanvallen
Onverminderd andere voorzorgen die zijn voorgeschreven door het internationale humanitaire recht bij de uitvoering van militaire operaties, dient elke Partij bij het conflict:
- a. alles te doen wat praktisch uitvoerbaar is om te verifiëren of de aan te vallen doelen geen cultuurgoederen zijn die ingevolge artikel 4 van het Verdrag worden beschermd;
- b. alle praktisch uitvoerbare voorzorgen te nemen bij de keuze van middelen en methoden voor de aanval teneinde bijkomende schade aan cultuurgoederen die ingevolge artikel 4 van het Verdrag worden beschermd, te voorkomen, en in ieder geval tot het uiterste te beperken;
- c. af te zien van enige aanval waarvan kan worden verwacht dat deze bijkomende schade toebrengt aan de ingevolge artikel 4 van het Verdrag beschermde cultuurgoederen, die met betrekking tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel buitensporig zou zijn; en
- d. een aanval af te gelasten of op te schorten indien duidelijk wordt:
- i. dat het doel een ingevolge artikel 4 van het Verdrag beschermd cultuurgoed is;
- ii. dat van de aanval kan worden verwacht dat deze bijkomende schade veroorzaakt aan ingevolge artikel 4 van het Verdrag beschermde cultuurgoederen, die in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel buitensporig zal zijn.
Artikel 8. Voorzorgen tegen de gevolgen van vijandelijkheden
De partijen bij het conflict dienen, zo veel mogelijk als praktisch uitvoerbaar is:
- a. roerende cultuurgoederen uit de nabijheid van militaire doelen te verwijderen of passende in situ bescherming te verschaffen;
- b. het plaatsen van militaire doelen in de nabijheid van cultuurgoederen te vermijden.
Artikel 9. Bescherming van cultuurgoederen in bezet gebied
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 4 en 5 het Verdrag dient een Partij die het grondgebied van een andere Partij geheel of gedeeltelijk bezet houdt, met betrekking tot het bezette gebied te verbieden en te voorkomen dat:
- a. onrechtmatige uitvoer, andere verplaatsing of overdracht van de eigendom van cultuurgoederen plaatsvindt;
- b. archeologische opgravingen plaatsvinden, behoudens wanneer dit absoluut noodzakelijk is om cultuurgoederen veilig te stellen, te registreren of in stand te houden;
- c. wijziging of verandering van het gebruik van cultuurgoederen plaatsvindt, met het oogmerk cultureel, historisch of wetenschappelijk bewijs te maskeren of te vernietigen.
Archeologische opgravingen, wijzigingen of verandering van het gebruik van cultuurgoederen in bezet gebied dienen, tenzij de omstandigheden zulks niet toelaten, plaats te vinden in nauwe samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten van het bezette gebied.
HOOFDSTUK 3. VERHOOGDE BESCHERMING
Artikel 10. Verhoogde bescherming
Een cultuurgoed kan onder verhoogde bescherming worden gesteld indien het voldoet aan de volgende drie voorwaarden:
- a. het betreft een cultuurgoed dat voor de mensheid van het hoogste belang is;
- b. het wordt beschermd door passende nationale wettelijke en bestuurlijke maatregelen waarbij de uitzonderlijke culturele en historische waarde ervan wordt erkend en het hoogste niveau van bescherming wordt gewaarborgd;
- c. het wordt niet gebruikt voor militaire doeleinden of om militaire locaties te beschermen en de Partij onder wier zeggenschap het zich bevindt heeft in een verklaring bevestigd dat het goed hiervoor niet zal worden gebruikt.
Artikel 11. Verlening van verhoogde bescherming
Elke Partij dient het Comité een lijst van cultuurgoederen in te dienen voor welke zij van plan is om verlening van verhoogde bescherming te verzoeken.
De Partij die rechtsmacht of zeggenschap uitoefent over een cultuurgoed kan verzoeken dat het wordt opgenomen in de overeenkomstig artikel 27, eerste lid, letter b, op te stellen Lijst. Dit verzoek dient alle benodigde informatie met betrekking tot de in artikel 10 vermelde criteria te omvatten. Het Comité kan een Partij uitnodigen te verzoeken om opneming van cultuurgoederen in de Lijst.
Andere Partijen, het Internationale Comité van het Blauwe Schild en andere niet-gouvernementele organisaties met relevante deskundigheid kunnen specifieke cultuurgoederen aan het Comité aanbevelen. In dergelijke gevallen kan het Comité besluiten een Partij uit te nodigen te verzoeken om opneming van dat culturele goed in de Lijst.
Noch het verzoek om opneming van een cultuurgoed dat zich op een grondgebied bevindt, waarover de soevereiniteit of de rechtsmacht door meer dan één Staat wordt opgeëist, noch de opneming van een dergelijk goed, doet op enigerlei wijze afbreuk aan de rechten van de partijen bij het geschil.
Na ontvangst van een verzoek om opneming in de Lijst, brengt het Comité alle Partijen van het verzoek op de hoogte. De Partijen kunnen binnen zestig dagen hun bezwaren met betrekking tot een dergelijk verzoek indienen bij het Comité. Deze bezwaren mogen uitsluitend gebaseerd zijn op de in artikel 10 vermelde criteria. De bezwaren moeten specifiek zijn en betrekking hebben op feiten. Het Comité neemt de bezwaren in behandeling, waarbij het de Partij die om opneming verzoekt, redelijke gelegenheid biedt een antwoord te geven alvorens het zijn besluit neemt. Wanneer dergelijke bezwaren aan het Comité zijn voorgelegd, moet een besluit ten aanzien van de opneming in de Lijst, onverminderd artikel 26, worden genomen met een meerderheid van vier vijfde van de aanwezige en hun stem uitbrengende leden van het Comité.
Bij het besluit over een verzoek dient het Comité het advies in te winnen van gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, alsmede van individuele deskundigen.
Een besluit tot verlening of weigering van verhoogde bescherming kan alleen worden genomen op basis van de in artikel 10 genoemde criteria.
In uitzonderlijke gevallen, wanneer het Comité tot de conclusie is gekomen dat de Partij die om opneming van cultuurgoederen in de Lijst heeft verzocht, niet kan voldoen aan de criteria van artikel 10, letter b, kan het Comité besluiten verhoogde bescherming toe te kennen, mits de verzoekende Partij een verzoek om internationale bijstand uit hoofde van artikel 32 indient.
Zodra de vijandelijkheden aanvangen kan een Partij bij het conflict, op grond van een noodgeval, verzoeken om verhoogde bescherming van cultuurgoederen die onder haar rechtsmacht of zeggenschap staan, door een verzoek bij het Comité in te dienen. Het Comité brengt dit verzoek onverwijld ter kennis van alle partijen bij het conflict. In dergelijke gevallen bestudeert het Comité de bezwaren van de betrokken partijen met spoed. Het besluit tot toekenning van voorlopige verhoogde bescherming wordt zo snel mogelijk genomen en, onverminderd artikel 26, met een meerderheid van vier vijfde van de aanwezige en hun stem uitbrengende leden van het Comité. Het Comité kan de verhoogde bescherming voorlopig toekennen, in afwachting van de uitkomst van de reguliere procedure voor de toekenning van verhoogde bescherming, mits wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 10, letters a en c.
Verhoogde bescherming wordt door het Comité aan een cultuurgoed toegekend vanaf het moment dat het in de Lijst is opgenomen.
De Directeur-Generaal zendt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en alle Partijen onverwijld een kennisgeving van een besluit van het Comité tot opneming van cultuurgoederen in de Lijst.
Artikel 12. Onschendbaarheid van cultuurgoederen onder verhoogde bescherming
De partijen bij een conflict waarborgen de onschendbaarheid van cultuurgoederen die onder verhoogde bescherming zijn geplaatst door zich te onthouden van iedere verwording van deze goederen tot aanvalsdoelen of van ieder gebruik van deze goederen of de onmiddellijke omgeving daarvan ter ondersteuning van militair optreden.
Artikel 13. Verlies van verhoogde bescherming
Cultuurgoederen onder verhoogde bescherming verliezen deze bescherming uitsluitend:
- a. indien deze bescherming wordt geschorst of opgeheven in overeenstemming met artikel 14; of
- b. indien, en zolang als, het goed door het gebruik ervan een militair doel is geworden.
In de omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, letter b, mag een dergelijk goed uitsluitend het voorwerp van een aanval vormen indien:
- a. de aanval de enige praktisch uitvoerbare wijze is om een einde te maken aan het in het eerste lid, letter b, bedoelde gebruik van het goed;
- b. alle praktisch uitvoerbare voorzorgen zijn getroffen bij de keuze van de middelen en -methoden voor de aanval, met het oog op het beëindigen van een dergelijk gebruik en het voorkomen, of in elk geval zoveel mogelijk beperken, van schade aan het culturele goed;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.