Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen
De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen met het oog op de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens volwassenen,
Geleid door de wens deze bepalingen te coördineren met die van het Verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen,
Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt:
HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG
Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing op beslissingen over onderhoudsverplichtingen voortvloeiend uit familiebetrekkingen, uit bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens een onwettig kind, gegeven door de rechterlijke of administratieve autoriteiten van een Verdragsluitende Staat tussen:
-
- een onderhoudsgerechtigde en een onderhoudsplichtige; of
-
- een onderhoudsplichtige en een openbare instelling die de terugbetaling vordert van de aan een onderhoudsgerechtigde verstrekte uitkering.
Het is eveneens van toepassing op schikkingen welke ter zake zijn gemaakt tussen deze personen ten overstaan van deze autoriteiten.
Artikel 2
Het Verdrag is van toepassing op beslissingen en schikkingen, hoe ook omschreven.
Het is eveneens van toepassing op beslissingen of schikkingen waarbij een vroegere beslissing of schikking wordt gewijzigd, zelfs indien deze beslissing of schikking afkomstig is van een niet-Verdragsluitende Staat.
Het is van toepassing, ongeacht of de onderhoudsvordering van internationale of binnenlandse aard is en ongeacht de nationaliteit of de gewone verblijfplaats van de partijen.
Artikel 3
Indien de beslissing of schikking niet alleen de onderhoudsverplichting betreft, blijft de werking van het Verdrag tot deze laatste beperkt.
HOOFDSTUK II. VOORWAARDEN VOOR DE ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN
Artikel 4
De in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing moet in een andere Verdragsluitende Staat worden erkend of uitvoerbaar verklaard indien:
-
- zij is gegeven door een autoriteit die als bevoegd wordt beschouwd in de zin van artikel 7 of 8; en
-
- daartegen in de Staat van herkomst geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.
Beslissingen uitvoerbaar bij voorraad en voorlopige maatregelen worden, ook al zijn zij nog vatbaar voor beroep, erkend of uitvoerbaar verklaard in de aangezochte Staat, indien soortgelijke beslissingen daar kunnen worden gegeven en ten uitvoer gelegd.
Artikel 5
De erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing kan niettemin worden geweigerd indien:
-
- de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing klaarblijkelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte Staat; of
-
- de beslissing werd verkregen door bedrog of arglist in de procedure; of
-
- een geschil tussen dezelfde partijen en betreffende hetzelfde onderwerp aanhangig is voor een autoriteit van de aangezochte Staat en daarbij het eerst is aanhangig gemaakt; of
-
- de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp gegeven beslissing, welke is gegeven in de aangezochte Staat, hetzij in een andere Staat, mits zij in het laatste geval voldoet aan de voorwaarden vereist voor haar erkenning en tenuitvoerlegging in de aangezochte Staat.
Artikel 6
Onverminderd het bepaalde in artikel 5 wordt een bij verstek gegeven beslissing slechts erkend of uitvoerbaar verklaard indien het stuk waarmede het geding wordt ingeleid en dat de hoofdpunten van de eis omvat, overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst is medegedeeld of betekend aan de partij tegen wie het verstek werd verleend, en indien aan die partij een termijn was gelaten die, de omstandigheden in aanmerking genomen, voldoende was voor het voeren van verweer.
Artikel 7
De autoriteit van de Staat van herkomst wordt bevoegd geacht in de zin van het Verdrag:
-
- indien de onderhoudsplichtige of de onderhoudsgerechtigde ten tijde van de inleiding van het geding zijn gewone verblijfplaats had in de Staat van herkomst; of
-
- de onderhoudsplichtige en de onderhoudsgerechtigde ten tijde van die inleiding van het geding de nationaliteit van die Staat van oorsprong hadden; of
-
- de verweerder zich heeft onderworpen aan de bevoegdheid van deze autoriteit, uitdrukkelijk dan wel door verweer ten gronde te voeren zonder voorbehoud ten aanzien van de bevoegdheid.
Artikel 8
Onverminderd het bepaalde in artikel 7 worden de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat die vonnis hebben gewezen inzake een vordering tot onderhoud als bevoegd in de zin van het Verdrag beschouwd, indien dit onderhoud verschuldigd is op grond van een echtscheiding, een scheiding van tafel en bed, nietigheid of ongeldigverklaring van het huwelijk, uitgesproken voor een autoriteit van deze Staat die volgens het recht van de aangezochte Staat als ter zake bevoegd wordt erkend.
Artikel 9
De autoriteit van de aangezochte Staat is gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan de autoriteit van de Staat van herkomst haar bevoegdheid heeft aangenomen.
Artikel 10
Wanneer de beslissing verschillende punten van de eis tot onderhoud betreft en de erkenning of tenuitvoerlegging niet voor alle punten kan worden toegestaan, past de autoriteit van de aangezochte Staat het Verdrag toe op het gedeelte van de beslissing dat kan worden erkend of uitvoerbaar verklaard.
Artikel 11
Wanneer de beslissing de uitkering van onderhoud door middel van periodieke betalingen beveelt, wordt de tenuitvoerlegging toegestaan zowel voor de reeds verschuldigde als voor de nog verschuldigde betalingen.
Artikel 12
Tenzij het Verdrag anders bepaalt, wordt door de autoriteit van de aangezochte Staat niet onderzocht of de beslissing juist is.
HOOFDSTUK III. PROCEDURE VOOR DE ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN
Artikel 13
Tenzij het Verdrag anders bepaalt, wordt de procedure voor de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing beheerst door het recht van de aangezochte Staat.
Artikel 14
Gedeeltelijke erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing kan steeds worden verzocht.
Artikel 15
De onderhoudsgerechtigde die in de Staat van herkomst vergunning heeft verkregen om kosteloos of tegen verminderd tarief te procederen, geniet bij een procedure tot erkenning of tenuitvoerlegging de gunstigste bijstand of de ruimste vrijstelling van kosten waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.
Artikel 16
Geen enkele zekerheidstelling of depot, onder welke benaming ook, kan worden verlangd ter waarborging van de betaling van de proceskosten in de bij het Verdrag bedoelde procedures.
Artikel 17
De partij die de erkenning van een beslissing inroept of de tenuitvoerlegging daarvan verlangt moet overleggen:
-
- een volledig en authentiek afschrift van de beslissing;
-
- alle stukken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, dat tegen de beslissing geen gewoon rechtsmiddel kan worden aangewend in de Staat van herkomst en, eventueel, dat zij daar uitvoerbaar is;
-
- indien de beslissing bij verstek gegeven is, het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het stuk aan de hand waarvan kan wonden vastgesteld dat het stuk waarmede het geding is ingeleid en dat de hoofdpunten van de eis omvat, overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst op regelmatige wijze is medegedeeld of betekend aan de partij tegen wie het verstek werd verleend;
-
- eventueel, elk stuk aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat deze partij in de Staat van herkomst vergunning had verkregen om kosteloos of tegen verminderd tarief te procederen;
-
- de voor eensluidend gewaarmerkte vertaling van de bovengenoemde stukken, tenzij de autoriteit van de aangezochte Staat vrijstelling hiervan verleent.
Bij gebreke van overlegging van de bovengenoemde stukken of indien de inhoud van de beslissing het de autoriteit van de aangezochte Staat niet mogelijk maakt na te gaan of aan de voorwaarden van het Verdrag is voldaan, bepaalt deze autoriteit een termijn voor de overlegging van alle vereiste stukken.
Geen legalisatie of soortgelijke formaliteit mag worden geëist.
HOOFDSTUK IV. AANVULLENDE BEPALINGEN BETREFFENDE OPENBARE INSTELLINGEN
Artikel 18
Een beslissing welke is gegeven tegen een onderhoudsplichtige op verzoek van een openbare instelling, die de terugbetaling vordert van aan die onderhoudsgerechtigde verstrekte uitkeringen, wordt erkend en uitvoerbaar verklaard overeenkomstig het Verdrag indien:
-
- deze terugbetaling volgens de wet die deze instelling beheerst door haar kan worden verkregen; en
-
- de interne wet aangewezen door het internationaal privaatrecht van de aangezochte Staat voorziet in het bestaan van een onderhoudsverplichting tussen deze onderhoudsgerechtigde en deze onderhoudsplichtige.
Artikel 19
Een openbare instelling kan tot het bedrag van de door haar aan de onderhoudsgerechtigde verstrekte uitkeringen de erkenning of tenuitvoerlegging verzoeken van een beslissing welke is gegeven tussen de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige indien zij volgens de wet waaraan zij is onderworpen, van rechtswege bevoegd is in de plaats van de onderhoudsgerechtigde de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing te verzoeken.
Artikel 20
Onverminderd het bepaalde in artikel 17 moet de openbare instelling die de erkenning of tenuitvoerlegging verzoekt alle stukken overleggen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, onder 1, of van artikel 19 en dat de uitkeringen aan de onderhoudsgerechtigde zijn verstrekt.
HOOFDSTUK V. SCHIKKINGEN
Artikel 21
Schikkingen die uitvoerbaar zijn in de Staat van herkomst worden erkend en uitvoerbaar verklaard op dezelfde voorwaarden als beslissingen, voor zover die voorwaarden op die schikkingen toepasselijk zijn.
HOOFDSTUK VI. DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 22
De Verdragsluitende Staten wier wet beperkingen oplegt aan de overmaking van gelden, kennen de hoogste prioriteit toe aan overmakingen van gelden bestemd om te worden betaald als onderhoud of ter dekking van de kosten en uitgaven voor een verzoek op grond van dit Verdrag.
Artikel 23
Het Verdrag belet niet dat een beroep wordt gedaan op een andere internationale akte die de Staat van herkomst en de aangezochte Staat bindt, of op het niet op verdragen gebaseerde recht van de aangezochte Staat ter verkrijging van de erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing of een schikking.
Artikel 24
Het Verdrag is van toepassing ongeacht de datum waarop de beslissing is gegeven.
Wanneer de beslissing is gegeven vóór de inwerkingtreding van het Verdrag in de betrekkingen tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat wordt zij in laatstgenoemde Staat slechts uitvoerbaar verklaard voor wat betreft de na deze inwerkingtreding verschuldigde betalingen.
Artikel 25
Elke Verdragsluitende Staat kan te allen tijde verklaren dat, in zijn betrekkingen met de Staten die dezelfde verklaring hebben afgelegd, de bepalingen van het Verdrag worden uitgebreid tot alle authentieke akten welke ten overstaan van een autoriteit of een Overheidsfunctionaris zijn opgemaakt en uitvoerbaar zijn in de Staat van herkomst, voor zover die bepalingen op die akten toepasselijk zijn.
Artikel 26
Elke Verdragsluitende Staat kan, overeenkomstig, artikel 34, zich het recht voorbehouden niet te erkennen of uitvoerbaar te verklaren:
-
- beslissingen en schikkingen betreffende onderhoud verschuldigd voor het tijdvak na het huwelijk of na de eenentwintigste verjaardag van de onderhoudsgerechtigde door een andere onderhoudsplichtige dan de echtgenoot of voormalige echtgenoot van de onderhoudsgerechtigde;
-
- beslissingen en schikkingen inzake onderhoudsverplichtingen
- a. tussen personen die elkaar in de zijlinie bestaan;
- b. tussen aanverwanten:
-
- beslissingen en schikkingen die niet voorzien in onderhoudsuitkeringen door middel van periodieke betalingen.
Een Verdragsluitende Staat die een voorbehoud heeft gemaakt is niet gerechtigd de toepassing van het Verdrag te eisen op beslissingen en schikkingen welke door zijn voorbehoud zijn uitgesloten.
Artikel 27
Indien een Verdragsluitende Staat ter zake van onderhoudsverplichtingen twee of meer rechtsstelsels kent die van toepassing zijn op verschillende categorieën personen, worden verwijzingen maar de wet van die Staat zo uitgelegd, dat daarmede het rechtsstelsel wordt bedoeld dat volgens zijn recht is aangewezen als van toepassing op een bepaalde categorie personen.
Artikel 28
Indien een Verdragsluitende Staat twee of meer gebiedsdelen omvat waarin, wat betreft de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen, verschillende rechtsstelsels worden toegepast:
-
- wordt een verwijzing naar de wet, de procedure of de autoriteit van de Staat van herkomst zo uitgelegd dat daarmede de wet, de procedure of de autoriteit wordt bedoeld van het gebiedsdeel waar de beslissing is gegeven;
-
- wordt een verwijzing naar de wet, de procedure of de autoriteit van de aangezochte Staat zo uitgelegd dat daarmede de wet, de procedure of de autoriteit wordt bedoeld van het gebiedsdeel waar de erkenning of tenuitvoerlegging wordt gevorderd;
-
- moet een verwijzing bij toepassing van de punten 1 en 2 naar de wet of de procedure van de Staat van herkomst dan wel naar de wet of de procedure van de aangezochte Staat, zo worden uitgelegd dat zij omvat de desbetreffende regels en rechtsbeginselen van deze Verdragsluitende Staat die op de gebiedsdelen van die Staat toepasselijk zijn;
-
- wordt een verwijzing naar de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde of de onderhoudsplichtige in de Staat van herkomst zo uitgelegd dat daaronder wordt verstaan zijn gewone verblijfplaats in het gebiedsdeel waar die beslissing is gegeven.
Elke Verdragsluitende Staat kan te allen tijde verklaren dat hij een of meer van deze regels niet zal toepassen op een of meer bepalingen van het Verdrag.
Artikel 29
Dit Verdrag vervangt in de betrekkingen tussen de Staten die daarbij partij zijn het Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, dat op 15 april 1958 te 's-Gravenhage tot stand kwam.
HOOFDSTUK VII. SLOTBEPALINGEN
Artikel 30
Het Verdrag staat open voor ondertekening door de Staten die lid waren van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht ten tijde van haar twaalfde zitting.
Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd en de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring dienen te worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
Artikel 31
Elke Staat die eerst na de twaalfde zitting lid van de Conferentie is geworden, of die lid is van de Organisatie der Verenigde Naties of van een van de gespecialiseerde organisaties daarvan, of die partij is bij het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, kan tot dit Verdrag toetreden na de inwerkingtreding ervan overeenkomstig de eerste alinea van artikel 35.
De akte van toetreding dient te worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
De toetreding geldt slechts voor de betrekkingen tussen de toetredende Staat en de Verdragsluitende Staten die binnen twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in artikel 37, onder 3, geen bezwaar hebben gemaakt tegen zijn toetreding.
Een zodanig bezwaar kan tevens door elke Lid-Staat worden gemaakt op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het Verdrag na de toetreding door die Staat. Deze bezwaren worden ter kennis gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
Artikel 32
Elke Staat kan, op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, goedkeuring, aanvaarding of toetreding verklaren dat het Verdrag zich uitstrekt tot alle gebieden voor welker internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is of tot een of meer van deze gebieden. Deze verklaring wordt van kracht op de datum van die inwerkingtreding van het Verdrag voor genoemde Staat.
Daarna dient elke zodanige uitbreiding ter kennis te wonden gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
De uitbreiding geldt voor de betrekkingen tussen die Verdragsluitende Staten die niet binnen twaalf maanden na de ontvangst van de kennisgeving bedoeld in artikel 37, onder 4, bezwaar daartegen hebben gemaakt, en het gebied of die gebieden voor welker internationale betrekkingen de betrokken Staat verantwoordelijk is en voor welke de kennisgeving is gedaan.
Een zodanig bezwaar kan tevens door elke Lid-Staat worden gemaakt op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het Verdrag na de uitbreiding.
Deze bezwaren worden ter kennis gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
Artikel 33
Elke Verdragsluitende Staat die twee of meer gebiedsdelen omvat waarbinnen verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn ter zake van de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen, kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat dit Verdrag zich zal uitstrekken tot al zijn gebiedsdelen of slechts tot een of meer daarvan en kan te allen tijde deze verklaring wijzigen door een nieuwe verklaring af te leggen.
Deze verklaringen worden ter kennis gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland en geven uitdrukkelijk aan op welk(e) gebiedsdeel (delen) het Verdrag van toepassing is.
De andere Verdragsluitende Staten kunnen weigeren een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen te erkennen indien, op de datum waarop de erkenning wordt ingeroepen, het Verdrag niet van toepassing is op het gebiedsdeel waarin die beslissing werd verkregen.
Artikel 34
Elke Staat kan, uiterlijk op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, een of meer van de voorbehouden maken bedoeld in artikel 26. Andere voorbehouden zijn niet toegestaan.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.