Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging

Type Verdrag
Publication 1989-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende het recht dat van toepassing is op erfopvolging,

Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG

Artikel 1
1.

Dit Verdrag bepaalt welk recht van toepassing is op erfopvolging.

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

Artikel 2

Het Verdrag is van toepassing zelfs als het toepasselijk recht dat van een niet-Verdragsluitende Staat is.

HOOFDSTUK II. HET TOEPASSELIJKE RECHT

Artikel 3
1.

De erfopvolging wordt beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij op dat tijdstip de nationaliteit van die Staat bezat.

2.

De erfopvolging wordt eveneens beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij daar gedurende een tijdvak van ten minste vijfjaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden zijn verblijfplaats had. Echter, in uitzonderlijke omstandigheden, indien de overledene op het tijdstip van zijn overlijden kennelijk nauwere banden had met de Staat waarvan hij op dat tijdstip de nationaliteit bezat, is het recht van die Staat van toepassing.

3.

Voor het overige wordt de erfopvolging beheerst door het recht van de Staat waarvan de overledene op het tijdstip van zijn overlijden de nationaliteit bezat, tenzij hij op dat tijdstip nauwere banden had met een andere Staat, in welk geval het recht van laatstbedoelde Staat van toepassing is.

Artikel 4

Indien het ingevolge artikel 3 toepasselijk recht het recht van een niet-Verdragsluitende Staat is, en indien de verwijzingsregels van die Staat ten aanzien van het geheel of een gedeelte van de nalatenschap verwijst naar het recht van een andere niet-Verdragsluitende Staat die zijn eigen recht zou toepassen, is het recht van die andere Staat van toepassing.

Artikel 5
1.

Een persoon kan het recht van een bepaalde Staat aanwijzen als het recht dat de vererving van zijn gehele nalatenschap beheerst. De aanwijzing heeft alleen gevolg indien deze persoon op het tijdstip van de aanwijzing of van zijn overlijden de nationaliteit van die Staat bezat of daar zijn gewone verblijfplaats had.

2.

Deze aanwijzing moet worden uitgedrukt in een verklaring die, wat de vorm betreft, voldoet aan de vereisten voor uiterste wilsbeschikkingen. Het bestaan en de materiële geldigheid van de aanwijzingshandeling worden beheerst door het aangewezen recht. Indien de aanwijzing volgens dat recht ongeldig is, wordt het recht dat de erfopvolging beheerst, bepaald volgens artikel 3.

3.

De herroeping van een dergelijke aanwijzing door de persoon die haar heeft gedaan, moet voldoen aan de vormvoorschriften voor de herroeping van uiterste wilbeschikkingen.

4.

Tenzij de overledene uitdrukkelijk anders heeft bepaald, wordt voor de toepassing van dit artikel de aanwijzing van het toepasselijke recht geacht betrekking te hebben op de vererving van de gehele nalatenschap, ongeacht of de overledene zonder een uiterste wil te hebben gemaakt is overleden dan bij uiterste wil over het geheel of een gedeelte van zijn nalatenschap heeft beschikt.

Artikel 6

Een persoon kan het recht van één of meer Staten aanwijzen als het recht dat de vererving van bepaalde goederen in zijn nalatenschap beheerst. Deze aanwijzing laat evenwel de toepassing van de dwingende bepalingen van het ingevolge artikel 3 of artikel 5, eerste lid, toepasselijke recht onverlet.

Artikel 7
1.

Behoudens het bepaalde in artikel 6 beheerst het ingevolge de artikelen 3 en 5, eerste lid, toepasselijke recht de vererving van de gehele nalatenschap, ongeacht waar de goederen zich bevinden.

2.

Dit recht beheerst:

3.

Het tweede lid belet niet dat in een Verdragsluitende Staat het ingevolge dit Verdrag toepasselijk recht wordt toegepast op andere onderwerpen die volgens het recht van die Staat onder het erfrecht vallen.

HOOFDSTUK III. OVEREENKOMSTEN INZAKE ERFOPVOLGING

Artikel 8

Voor de toepassing van dit Hoofdstuk is een overeenkomst inzake erfopvolging een schriftelijke of uit wederkerige testamentaire beschikkingen voortvloeiende overeenkomst die, met of zonder tegenprestatie, rechten op de toekomstige nalatenschap van één of meer personen die partij zijn bij een zodanige overeenkomst, in het leven roept, wijzigt of doet vervallen.

Artikel 9
1.

Wanneer de overeenkomst slechts betrekking heeft op de nalatenschap van één persoon, worden de materiële geldigheid en de gevolgen van de overeenkomst, alsmede de omstandigheden die het tenietgaan van deze gevolgen meebrengen, bepaald door het recht dat ingevolge de artikelen 3 of 5, eerste lid, van toepassing zou zijn geweest op de erfopvolging van deze persoon indien hij op de dag waarop de overeenkomst is gesloten, zou zijn overleden.

2.

Indien de overeenkomst volgens dat recht ongeldig is, wordt zij niettemin als geldig beschouwd indien zij geldig is volgens het recht dat ingevolge de artikelen 3 of 5, eerste lid, op het tijdstip van overlijden op de erfopvolging van toepassing is. Ditzelfde recht beheerst dan de gevolgen van de overeenkomst en de omstandigheden die het tenietgaan van deze gevolgen meebrengen.

Artikel 10
1.

Wanneer de overeenkomst betrekking heeft op de nalatenschappen van meer dan één persoon, is de overeenkomst alleen dan materieel geldig, indien zij aldus wordt beschouwd volgens elk recht dat ingevolge de artikelen 3 of 5, eerste lid, de erfopvolging van elk van deze personen zou hebben beheerst indien hij op de dag waarop de overeenkomst is gesloten, zou zijn overleden.

2.

De gevolgen van deze overeenkomst en de omstandigheden die het tenietgaan van die gevolgen meebrengen zijn die, welke in alle toepasselijke rechtsstelsels worden erkend.

Artikel 11

De partijen kunnen door een uitdrukkelijke aanwijzing overeenkomen dat de overeenkomst, voor zover het betreft haar materiële geldigheid, de gevolgen en de omstandigheden die het tenietgaan daarvan meebrengen, onderworpen is aan het recht van een Staat waar de persoon of één van de personen wiens nalatenschap zij betreft, op het tijdstip waarop de overeenkomst werd gesloten zijn gewone verblijfplaats heeft of waarvan hij op dat tijdstip de nationaliteit bezit.

Artikel 12
1.

De materiële geldigheid van een overeenkomst die geldig is volgens het recht dat ingevolge de artikelen 9, 10 of 11 van toepassing is, kan niet worden bestreden op grond van het feit dat de overeenkomst volgens het recht dat ingevolge de artikelen 3 of 5, eerste lid, van toepassing is, als ongeldig zou worden beschouwd.

2.

De toepassing van het ingevolge de artikelen 9, 10 of 11 toepasselijk recht maakt evenwel geen inbreuk op de rechten van personen die geen partij zijn bij de overeenkomst, die volgens het ingevolge de artikelen 3 of 5, eerste lid, toepasselijke recht, recht hebben op een wettelijk erfdeel of op enig ander recht: waarover de persoon wiens nalatenschap het betreft, niet mocht beschikken.

HOOFDSTUK IV. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 13

Wanneer twee of meer personen wier erfopvolging door verschillende rechtsstelsels wordt beheerst, overlijden onder omstandigheden waaronder onzeker is in welke volgorde zij zijn overleden, en wanneer deze situatie in die rechtsstelsels op uiteenlopende wijze is geregeld of in het geheel niet is geregeld, heeft geen van de overleden personen rechten ten aanzien van de nalatenschap van de ander of anderen.

Artikel 14
1.

Wanneer bij uiterste wilsbeschikking een trust in het leven wordt geroepen, belet de toepassing van het ingevolge dit Verdrag toepasselijk recht op de erfopvolging niet, dat op de trust een ander recht wordt toegepast. Omgekeerd belet de toepassing op de trust van het daarop betrekking hebbende recht niet, dat op de erfopvolging het ingevolge dit Verdrag toepasselijke recht wordt toegepast.

2.

Dezelfde regels zijn van overeenkomstige toepassing op stichtingen en soortgelijke instellingen die in het leven zijn geroepen bij uiterste wilsbeschikkingen.

Artikel 15

Het ingevolge het Verdrag toepasselijke recht maakt geen inbreuk op bijzondere erfrechtsregimes waaraan bepaalde onroerende goederen, ondernemingen of andere bijzondere categorieën goederen in de Staat waar zij zich bevinden zijn onderworpen uit hoofde van hun economische of maatschappelijke bestemming, dan wel hun belang voor de familie.

Artikel 16

Wanneer er volgens het ingevolge het Verdrag toepasselijke recht geen erfgenaam of legataris is uit hoofde van een uiterste wilsbeschikking, noch een natuurlijke persoon die wettelijk erfgenaam is, belet de toepassing van het aldus bepaalde recht niet dat een Staat of een daartoe door die Staat aangewezen instantie zich de goederen uit de nalatenschap die zich op zijn grondgebied bevinden, toeëigent.

Artikel 17

In dit Verdrag wordt, behoudens het bepaalde in artikel 4, onder recht verstaan de rechtsregels die in een Staat gelden, met uitzondering van de verwijzingsregels.

Artikel 18

De toepassing van een door dit Verdrag aangewezen recht kan slechts worden geweigerd indien deze kennelijk in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 19
1.

Wanneer een Staat twee of meer gebiedsdelen omvat, waarvan elk zijn eigen rechtsstelsel of zijn eigen rechtsregels ter zake van erfopvolging heeft, dient volgens de bepalingen van dit artikel te worden vastgesteld welk recht ingevolge dit Verdrag van toepassing is.

2.

Indien in een dergelijke Staat regels van kracht zijn die bepalen welke van de rechtsstelsels van de twee of meer gebiedsdelen van toepassing zijn in de gevallen welke in dit artikel zijn geregeld,, is het recht van dat gebiedsdeel van toepassing. Bij gebreke van dergelijke regels zijn de volgende leden van dit artikel van toepassing.

3.

Wanneer in dit Verdrag of in een overeenkomstig dit Verdrag door de overledene gedane aanwijzing sprake is van een recht van een Staat,

4.

Wanneer in dit Verdrag een recht van een Staat wordt genoemd, waarmee de nauwste banden bestonden, wordt bedoeld het recht van het gebiedsdeel van die Staat waarmee de overledene het nauwst verbonden was.

5.

Indien de overledene overeenkomstig dit Verdrag, behoudens het bepaalde in artikel 6, het recht van een gebiedsdeel heeft aangewezen van een Staat waarvan hij op het tijdstip van de aanwijzing of van zijn overlijden

6.

Indien de overledene met toepassing van artikel 6 ten aanzien van sommige goederen het recht van een Staat heeft aangewezen, wordt behoudens bewijs van tegengestelde bedoeling verondersteld dat het recht van elk gebiedsdeel waarin die goederen zich bevinden, is bedoeld.

7.

Voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, is de vereiste verblijfsduur wanneer de overledene gedurende de vijf jaren die onmiddellijk voorafgingen aan zijn overlijden zijn verblijfplaats in die Staat had, ongeacht of hij gedurende dat tijdvak in meer dan één van de gebiedsdelen van die Staat zijn verblijfplaats heeft gehad.

Wanneer de vereiste verblijfsduur is bereikt, en de overledene op dat tijdstip zijn gewone verblijfplaats in die Staat had, maar geen gewone verblijfplaats in een bepaald gebiedsdeel van die Staat, is toepasselijk het recht van het gebiedsdeel waarin de overledene het laatst verbleef, tenzij hij op dat tijdstip nauwere banden had met een ander gebiedsdeel van die Staat, in welk geval het recht van dat laatste gebiedsdeel van toepassing is.

Artikel 20

Wanneer een Staat ter zake van erfopvolging twee of meer rechtsstelsels heeft die van toepassing zijn op verschillende categorieën van personen, wordt ter bepaling van het volgens dit Verdrag toepasselijke recht elke verwijzing naar het recht van een dergelijke Staat beschouwd als een verwijzing naar het rechtsstelsel dat wordt aangewezen door de regels die in die Staat van kracht zijn. Bij gebreke van dergelijke regels wordt de verwijzing beschouwd als verwijzing naar het rechtsstelsel waarmee de overledene de nauwste banden had.

Artikel 21

Een Verdragsluitende Staat waarin verschillende rechtsstelsels of meer dan één geheel van rechtsregels van toepassing zijn op erfopvolging, is niet gehouden de regels van het Verdrag toe te passen op conflicten uitsluitend tussen deze verschillende rechtsstelsels of rechtsregels.

Artikel 22
1.

Het Verdrag is in een Verdragsluitende Staat van toepassing op de erfopvolging van personen die overlijden nadat het Verdrag voor die Staat in werking is getreden.

2.

Wanneer de overledene op een tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Verdrag in die Staat het op zijn erfopvolging toepasselijke recht heeft aangewezen, wordt die aanwijzing daar als geldig beschouwd indien zij voldoet aan de bepalingen van artikel 5.

3.

Wanneer de partijen bij een overeenkomst inzake erfopvolging op een tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Verdrag in die Staat het op die overeenkomst toepasselijke recht hebben aangewezen, wordt die aanwijzing daarin als geldig beschouwd indien zij voldoet aan de bepalingen van artikel 11.

Artikel 23
1.

Het Verdrag laat onverlet de toepassing van internationale akten waarbij Verdragsluitende Staten partij zijn of worden en die bepalingen bevatten omtrent bij dit Verdrag geregelde onderwerpen, tenzij door de Staten die partij zijn bij dergelijke akten een andersluidende verklaring wordt afgelegd.

2.

Het eerste lid van dit artikel is eveneens van toepassing op eenvormige wetten die berusten op tussen de betrokken Staten bestaande bijzondere banden van regionale aard.

Artikel 24
1.

Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het voorbehoud maken:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.