Verdrag betreffende de erkenning en de ten uitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken

Type Verdrag
Publication 1979-08-20
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Verlangende gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen met betrekking tot de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van in hun onderscheiden landen gegeven rechterlijke beslissingen,

Hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK I. Toepassingsgebied van het Verdrag

Artikel 1

Dit Verdrag is van toepassing op beslissingen, in burgerlijke of handelszaken gegeven door de gerechten van de Verdragsluitende Staten.

Het is niet van toepassing op beslissingen ten principale:

Het is wel verstaan dat dit Verdrag niet van toepassing is op beslissingen inzake de betaling van belastingen, andere heffingen of door de strafrechter opgelegde lasten, welke dan ook.

Artikel 2

Dit Verdrag is van toepassing op elke door een gerecht van een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing, ongeacht de benaming die in het land van herkomst wordt gegeven aan de procedure welke tot de beslissing heeft geleid of aan de beslissing zelf, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel.

Het Verdrag is evenwel niet van toepassing op beslissingen, waarbij voorlopige of conservatoire maatregelen worden bevolen noch op door administratieve gerechten gegeven beslissingen.

Artikel 3

Het Verdrag is van toepassing, ongeacht de nationaliteit van partijen.

HOOFDSTUK II. Voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging

Artikel 4

Een in een van de Verdragsluitende Staten gegeven beslissing wordt in een andere Verdragsluitende Staat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag erkend en uitvoerbaar verklaard indien:

Om in de aangezochte Staat uitvoerbaar te kunnen worden verklaard moet de beslissing bovendien in de Staat van herkomst vatbaar zijn voor tenuitvoerlegging.

Artikel 5

De erkenning of de tenuitvoerlegging van de beslissing kan niettemin in een der volgende gevallen worden geweigerd:

Artikel 6

Onverminderd het bepaalde in artikel 5 wordt een bij verstek gegeven beslissing slechts erkend en uitvoerbaar verklaard indien het stuk dat het geding inleidt overeenkomstig het recht van de Staat van herkomst is medegedeeld of betekend aan de partij tegen wie het verstek werd verleend en aan die partij een termijn was gelaten die, de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, voldoende was voor het voeren van verweer.

Artikel 7

De erkenning of tenuitvoerlegging mag niet worden geweigerd op de enkele grond dat het gerecht van de Staat van herkomst een andere wet heeft toegepast dan die, welke van toepassing zou zijn geweest volgens de regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte Staat.

De erkenning of tenuitvoerlegging mag evenwel worden geweigerd wanneer het gerecht van de Staat van herkomst zich om tot zijn beslissing te komen heeft moeten uitspreken over een vraag betreffende de staat of de bevoegdheid van een partij of betreffende haar rechten in andere door artikel 1, tweede lid, nummers 1-4, van de toepassing van het Verdrag uitgesloten zaken en daarbij tot een ander resultaat is gekomen dan zou zijn verkregen als op die vraag de regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte Staat zouden zijn toegepast.

Artikel 8

Behalve wanneer het voor de toepassing van de voorgaande artikelen noodzakelijk is, wordt door de autoriteit van de aangezochte Staat niet overgegaan tot een onderzoek naar de juistheid van de in de Staat van herkomst gegeven beslissing.

Artikel 9

Bij de toetsing van de bevoegdheid van het gerecht van de Staat van herkomst is de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan dat gerecht zijn bevoegdheid heeft aangenomen, tenzij de beslissing bij verstek is gegeven.

Artikel 10

Het gerecht van de Staat van herkomst wordt beschouwd als bevoegd in de zin van het Verdrag:

Artikel 11

Het gerecht van de Staat van herkomst dat heeft beslist op een vordering in reconventie, wordt beschouwd als bevoegd in de zin van het Verdrag:

Artikel 12

De bevoegdheid van het gerecht van de Staat van herkomst behoeft door de aangezochte autoriteit niet te worden erkend in de volgende gevallen:

HOOFDSTUK III. De procedure betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging

Artikel 13

De partij die de erkenning inroept of de tenuitvoerlegging verlangt, moet de volgende documenten overleggen:

Indien de aangezochte autoriteit uit de inhoud van de beslissing niet kan nagaan of aan de door het Verdrag gestelde voorwaarden is voldaan, kan die autoriteit de overlegging van andere daartoe noodzakelijke bescheiden verlangen.

Geen enkele legalisatie of soortgelijke formaliteit mag worden geëist.

Artikel 14

De procedure ter verkrijging van erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissing wordt beheerst door het recht van de aangezochte Staat, voor zover dit Verdrag niet anders bepaalt.

Wanneer bij de beslissing over verschillende punten van de eis afzonderlijk uitspraak is gedaan, kan de erkenning of de tenuitvoerlegging voor een of meer onderdelen van de beslissing worden verleend.

Artikel 15

De erkenning of de tenuitvoerlegging van een veroordeling in de proceskosten kan slechts krachtens dit Verdrag worden verleend, indien het Verdrag van toepassing is op de beslissing over de hoofdvordering.

Het Verdrag is van toepassing op beslissingen betreffende de proceskosten, zelfs indien zij niet gegeven zijn door een gerecht, mits zij voortvloeien uit een beslissing die krachtens dit Verdrag kan worden erkend of ten uitvoer gelegd en daartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend bij een gerecht.

Artikel 16

Dit Verdrag wordt slechts toegepast op de veroordeling in de proceskosten, uitgesproken bij de verlening of de weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging van een beslissing, indien de verzoeker zich op de bepalingen van dit Verdrag heeft beroepen.

Artikel 17

Geen enkele zekerheidstelling of depot, onder welke benaming ook, kan ter waarborging van de betaling van proceskosten worden opgelegd wegens de nationaliteit of de woonplaats van de verzoeker, indien deze zijn gewoon verblijf of, indien hij geen natuurlijke persoon is, een vestiging heeft in een Staat die met de aangezochte Staat een aanvullend akkoord, als bedoeld in artikel 21, heeft gesloten.

Artikel 18

De partij die in de Staat van herkomst vergunning had verkregen om kosteloos of tegen verminderd tarief te procederen, behoudt, onder de door het recht van de aangezochte Staat gestelde voorwaarden, dit recht in elke procedure ter verkrijging in die Staat van de erkenning of de tenuitvoerlegging van de beslissing.

Artikel 19

Gerechtelijke schikkingen, welke in de loop van een geding tot stand zijn gekomen en uitvoerbaar zijn in de Staat van herkomst, worden in de aangezochte Staat uitvoerbaar verklaard onder dezelfde voorwaarden als gelden voor de uitvoerbaarverklaring van de beslissingen, waarop dit Verdrag van toepassing is, voor zover die voorwaarden voor die schikkingen kunnen gelden.

HOOFDSTUK IV. Aanhangigheid

Artikel 20

Wanneer twee Staten een aanvullend akkoord, als bedoeld in artikel 21, hebben gesloten, mag de rechterlijke autoriteit van een van die Staten, voor wie een vordering wordt ingesteld, zich onbevoegd verklaren of zijn uitspraak aanhouden, indien tussen dezelfde partijen een andere op dezelfde feiten berustende en hetzelfde onderwerp betreffende vordering reeds aanhangig is voor een gerecht van een andere Staat, mits die vordering aanleiding kan geven tot een beslissing die door de autoriteiten van de eerste Staat krachtens dit Verdrag moet worden erkend.

De autoriteiten van elk van deze Staten kunnen echter voorlopige of conservatoire maatregelen bevelen, ongeacht voor welk gerecht de hoofdvordering aanhangig is gemaakt.

HOOFDSTUK V. Het aanvullend akkoord

Artikel 21

De in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissingen worden in een andere Verdragsluitende Staat slechts dan overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen erkend of uitvoerbaar verklaard, indien die twee Staten, nadat zij Partij bij het Verdrag zijn geworden, daartoe een aanvullend akkoord hebben gesloten.

Artikel 22

Dit Verdrag is niet van toepassing op beslissingen, die zijn gegeven vóór de inwerkingtreding van het aanvullend akkoord, bedoeld in artikel 21, tenzij dat akkoord anders bepaalt.

Het aanvullend akkoord blijft van toepassing op de beslissingen ten aanzien waarvan een procedure tot erkenning of tenuitvoerlegging is aangevangen voordat een opzegging van dat akkoord van kracht is geworden.

Artikel 23

De Verdragsluitende Staten mogen in de door hen met toepassing van artikel 21 te sluiten akkoorden:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.