Overeenkomst betreffende zeelieden-vluchtelingen

Type Verdrag
Publication 1961-12-27
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk Zweden,

Zijnde Regeringen van Staten die Partij zijn bij het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen,

Verlangende de oplossing van het probleem van de zeelieden-vluchtelingen te bevorderen in de geest van artikel 11 van bovengenoemd Verdrag, en de samenwerking met de Hoge Commissaris der Verenigde Naties voor de Vluchtelingen in de uitoefening van zijn functies voort te zetten, in het bijzonder voor wat betreft artikel 35 van dat Verdrag,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I

Artikel 1

Voor deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

HOOFDSTUK II

Artikel 2

Een zeeman-vluchteling die niet rechtmatig verblijft op het grondgebied van enige Staat en die geen recht heeft op toelating tot zodanig verblijf op het grondgebied van enige Staat - daaronder niet begrepen een Staat waar hij gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging - wordt geacht voor de toepassing van artikel 28 van het Verdrag rechtmatig te verblijven op het grondgebied

Artikel 3

Een zeeman-vluchteling die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst

wordt geacht voor de toepassing van artikel 28 van het Verdrag rechtmatig te verblijven op het grondgebied

Artikel 4

Tenzij door de betrokken Overeenkomstsluitende Partij anders wordt beslist, zal een zeeman-vluchteling niet langer geacht worden rechtmatig verblijf te houden op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij indien hij, na het tijdstip waarop hij overeenkomstig artikel 2 of 3 van deze Overeenkomst laatstelijk geacht werd rechtmatig op dat grondgebied te verblijven,

Artikel 5

Teneinde de positie van een zo groot mogelijk aantal zeeliedenvluchtelingen te verbeteren, zal elke Overeenkomstsluitende Partij in welwillende overweging nemen de voordelen van deze Overeenkomst uit te breiden tot zeelieden-vluchtelingen die, op grond van de bepalingen dezer Overeenkomst, niet voor die voordelen in aanmerking komen.

HOOFDSTUK III

Artikel 6

Elke Overeenkomstsluitende Partij zal een zeeman-vluchteling, die in het bezit is van een door een andere Overeenkomstsluitende Partij verstrekt reisdocument dat geldig is voor terugkeer naar het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij, op dezelfde wijze behandelen voor wat betreft toelating tot haar grondgebied ter uitvoering van een voorafgaande aanmonsteringsovereenkomst of voor walverlof, als zeelieden die onderdanen zijn van de Partij die het reisdocument verstrekte, of ten minste niet minder gunstig dan vreemde zeelieden in het algemeen.

Artikel 7

Elke Overeenkomstsluitende Partij zal een verzoek van een zeemanvluchteling die een reisdocument bezit geldig voor terugkeer naar het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij, om tijdelijke toelating tot haar grondgebied met het doel zijn vestiging in een andere Staat te vergemakkelijken of voor enige andere geldige reden, in welwillende overweging nemen.

Artikel 8

Elke Overeenkomstsluitende Partij zal er naar streven te verzekeren dat aan een zeeman-vluchteling die onder haar vlag dient en geen geldig reisdocument kan verkrijgen, identiteitspapieren worden uitgereikt.

Artikel 9

Geen zeeman-vluchteling zal, voorzover het in het vermogen van een Overeenkomstsluitende Partij ligt, worden gedwongen aan boord van een schip te blijven, indien zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid daardoor ernstig in gevaar zou worden gebracht.

Artikel 10

Geen zeeman-vluchteling zal, voorzover het in het vermogen van een Overeenkomstsluitende Partij ligt, worden gedwongen aan boord van een schip te blijven dat tot bestemming heeft een haven of zal varen door wateren waar hij op goede gronden kan vrezen te worden vervolgd wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

Artikel 11

De Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied een zeemanvluchteling rechtmatig verblijft of op grond van deze Overeenkomst voor de toepassing van artikel 28 van het Verdrag wordt geacht rechtmatig te verblijven, zal hem, op verzoek van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied die zeeman zich bevindt, tot haar grondgebied toelaten.

Artikel 12

Geen der bepalingen van deze Overeenkomst maakt inbreuk op door een Overeenkomstsluitende Partij onafhankelijk van deze Overeenkomst aan zeelieden-vluchtelingen verleende rechten of voordelen.

Artikel 13
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan zich, om dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde, ontslagen beschouwen van de verplichtingen welke ingevolge deze Overeenkomst op haar rusten met betrekking tot een zeeman-vluchteling. De betrokken zeeman-vluchteling zal een naar de omstandigheden redelijke tijd worden gegund om aan de bevoegde autoriteit bewijs over te leggen om zich vrij te pleiten, tenzij er redelijke gronden bestaan de betrokken zeeman-vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt.

2.

Een beslissing op grond van lid 1 van dit artikel zal de betrokken Overeenkomstsluitende Partij echter niet ontheffen van haar verplichtingen ingevolge artikel 11 van deze Overeenkomst met betrekking tot een zeeman-vluchteling aan wie zij een reisdocument heeft verstrekt, tenzij het verzoek om toelating tot haar grondgebied haar door een andere Overeenkomstsluitende Partij wordt gedaan meer dan 120 dagen nadat dat reisdocument zijn geldigheid heeft verloren.

HOOFDSTUK IV

Artikel 14

Elk geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst, hetwelk niet op andere wijze kan worden beslecht, zal op verzoek van één van de partijen bij het geschil worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof.

Artikel 15

Deze Overeenkomst zal aan bekrachtiging zijn onderworpen. De akten van bekrachtiging zullen worden neder gelegd bij de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 16

Deze Overeenkomst zal in werking treden op de 90ste dag volgend op de dag van nederlegging van de achtste akte van bekrachtiging.

Artikel 17
1.

Elke Regering welke verplichtingen als bedoeld in artikel 28 van het Verdrag of daarmede overeenkomstige verplichtingen aanvaardt, kan tot deze Overeenkomst toetreden.

2.

De akten van toetreding zullen worden nedergelegd bij de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden.

3.

Deze Overeenkomst zal voor iedere toetredende Regering in werking treden op de 90ste dag volgend op de datum van nederlegging van haar akte van toetreding, doch niet vóór de datum van inwerkingtreding bepaald in artikel 16.

Artikel 18
1.

Elke Regering kan ten tijde van haar bekrachtiging of toetreding of op ieder tijdstip daarna verklaren dat deze Overeenkomst eveneens van toepassing is op één of meer der gebieden voor welker internationale betrekkingen die Regering verantwoordelijk is, mits zij de verplichtingen vermeld in artikel 17, lid 1, aanvaardt.

2.

Een zodanige uitbreiding zal geschieden door middel van een kennisgeving gericht aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden.

3.

De uitbreiding zal van kracht worden op de 90ste dag volgend op de datum waarop de kennisgeving door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden is ontvangen, maar niet vóór de datum van inwerkingtreding bepaald in artikel 16.

Artikel 19
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst te allen tijde opzeggen door middel van een aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden gerichte kennisgeving.

2.

De opzegging zal van kracht worden één jaar na de datum waarop de kennisgeving door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden is ontvangen. Wanneer de Overeenkomst wordt opgezegd door een Overeenkomstsluitende Partij, kan elke andere Overeenkomstsluitende Partij, na overleg met de overblijvende Partijen, de Overeenkomst opzeggen; deze opzegging zal op dezelfde datum van kracht worden, mits een termijn van zes maanden in acht wordt genomen.

Artikel 20
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij die op grond van artikel 18 een kennisgeving heeft gedaan, kan te allen tijde nadien, door middel van een kennisgeving aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, verklaren dat de Overeenkomst niet langer van toepassing zal zijn op het gebied of de gebieden aangegeven in de kennisgeving.

2.

De Overeenkomst zal ophouden van toepassing te zijn op het betrokken gebied één jaar na de datum waarop de kennisgeving door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden is ontvangen.

Artikel 21

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal aan de Regeringen genoemd in de preambule en aan alle toetredende Regeringen mededeling doen van de nederleggingen en kennisgevingen gedaan overeenkomstig de artikelen 15, 17, 18, 19 en 20.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, duly authorised to that effect, have signed this Agreement.

Done at The Hague, this twenty-third day of November 1957, in the English and French languages, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Government of the Kingdom of the Netherlands, which shall transmit certified true copies thereof to the Governments mentioned in the Preamble and all acceding Governments.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.