Statuut van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht
De Regeringen van de hierna genoemde landen:
De Bondsrepubliek Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Italië, Japan, Luxemburg, Noorwegen, Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Zweden en Zwitserland;
Gelet op het permanente karakter van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht;
Geleid door de wens dat karakter te benadrukken;
Het daartoe wenselijk geoordeeld hebbend de Conferentie van een Statuut te voorzien;
Zijn de volgende bepalingen overeengekomen:
Artikel 1
Het doel van de Haagse Conferentie is te werken aan de geleidelijke eenmaking van de regels van internationaal privaatrecht.
Artikel 2
Leden van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht zijn de Staten die reeds hebben deelgenomen aan een of meer Zittingen van de Conferentie en die dit Statuut aanvaarden.
Lid kunnen worden alle andere Staten wier deelneming uit juridisch oogpunt van belang is voor het werk van de Conferentie. Over de toelating van nieuwe Lidstaten wordt door de Regeringen van de deelnemende Staten, op voorstel van één of meer van hen, bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen beslist binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop dit voorstel aan de Regeringen is voorgelegd.
De toelating krijgt zijn beslag door de aanvaarding van dit Statuut door de betrokken Staat.
Artikel 3
De Lidstaten van de Conferentie kunnen, tijdens een vergadering betreffende algemene zaken en beleid waarbij de meerderheid van de Lidstaten aanwezig is, bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, besluiten eveneens als Lid toe te laten elke regionale organisatie voor economische ontwikkeling die een verzoek om lidmaatschap bij de Secretaris-Generaal heeft ingediend. Verwijzingen naar de Leden ingevolge dit Statuut omvatten mede deze organisaties die Lid zijn, behoudens waar uitdrukkelijk anders is bepaald. De toelating wordt van kracht na de aanvaarding van het Statuut door de betrokken regionale organisatie voor economische integratie.
Om in aanmerking te komen voor het lidmaatschap van de Conferentie, dient een regionale organisatie voor economische integratie een organisatie te zijn die uitsluitend uit soevereine staten bestaat, waaraan de staten die daar lid van zijn de bevoegdheid ter zake van een reeks van aangelegenheden op het terrein van de Conferentie hebben overgedragen, met inbegrip van de bevoegdheid om ten aanzien van die aangelegenheden voor haar lidstaten bindende besluiten te nemen.
Elke regionale organisatie voor economische integratie die een verzoek tot lidmaatschap indient, dient tegelijk met dit verzoek een verklaring van bevoegdheid in te dienen waarin de aangelegenheden zijn vermeld ter zake waarvan de bevoegdheid door haar lidstaten aan haar is overgedragen.
Elke organisatie die Lid is en haar lidstaten dienen ervoor zorg te dragen dat elke wijziging betreffende de bevoegdheid of het ledenbestand van de organisatie die Lid is ter kennis van de Secretaris-Generaal wordt gebracht, die deze informatie aan de andere Leden van de Conferentie doet toekomen.
De lidstaten van de organisatie die Lid is, worden geacht hun bevoegdheid te behouden over alle aangelegenheden ter zake waarvan de overdracht van bevoegdheid niet specifiek is verklaard of ter kennis is gebracht.
Elk Lid van de Conferentie kan de organisatie die Lid is en haar lidstaten verzoeken informatie te verstrekken over de vraag of de organisatie die Lid is bevoegd is ter zake van specifieke kwesties die bij de Conferentie aanhangig zijn. De organisatie die Lid is en haar lidstaten dienen ervoor zorg te dragen dat naar aanleiding van een dergelijk verzoek deze informatie wordt verstrekt.
De organisatie die Lid is oefent afwisselend met haar lidstaten die Lid van de Conferentie zijn de lidmaatschapsrechten uit, naar gelang ieders bevoegdheid.
De organisatie die Lid is kan, tijdens alle vergaderingen van de Conferentie waaraan zij mag deelnemen, met betrekking tot aangelegenheden binnen haar bevoegdheid een aantal stemmen uitbrengen dat gelijk is aan het aantal van haar lidstaten die hun bevoegdheid ter zake van de desbetreffende aangelegenheid hebben overgedragen aan de organisatie die Lid is, en die bevoegd zijn hun stem uit te brengen en zich voor de betreffende vergaderingen hebben aangemeld. Wanneer de organisatie die Lid is haar stemrecht uitoefent, oefenen haar lidstaten hun stemrecht niet uit, en omgekeerd.
Onder „regionale organisatie voor economische integratie” wordt verstaan een internationale organisatie die uitsluitend bestaat uit soevereine staten, waaraan de staten die daar lid van zijn de bevoegdheid over een reeks van aangelegenheden hebben overgedragen, met inbegrip van de bevoegdheid om ten aanzien van die aangelegenheden voor haar lidstaten bindende besluiten te nemen.
Artikel 4
De Raad voor Algemene Zaken en Beleid (hierna „de Raad”) draagt zorg voor het functioneren van de Conferentie. De vergaderingen van de Raad worden in beginsel jaarlijks gehouden.
De Raad kwijt zich van deze taak door middel van een Permanent Bureau, waarvan de werkzaamheden door haar worden geleid.
De Raad onderzoekt alle voorstellen bestemd om op de agenda van de Conferentie geplaatst te worden. De Raad is vrij te beoordelen welk gevolg aan deze voorstellen dient te worden gegeven.
De Nederlandse Staatscommissie tot voorbereiding der codificatie van het internationaal privaatrecht, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1897, stelt, na overleg met de Leden van de Conferentie, de datum van de Diplomatieke Zittingen vast.
De Staatscommissie wendt zich tot de Nederlandse Regering voor de bijeenroeping van de Leden. De Voorzitter van de Staatscommissie zit de Zittingen van de Conferentie voor.
De Gewone Zittingen van de Conferentie worden in beginsel om de vier jaar gehouden.
Indien nodig kan de Raad, na overleg met de Staatscommissie, de Nederlandse Regering verzoeken de Conferentie in Buitengewone Zitting te doen bijeenkomen.
De Raad kan de Staatscommissie raadplegen over elke andere voor de Conferentie relevante aangelegenheid.
Artikel 5
Het Permanent Bureau heeft zijn zetel te ’s-Gravenhage. Het bestaat uit een Secretaris-Generaal en vier Secretarissen die op voordracht van de Staatscommissie worden benoemd door de Nederlandse Regering.
De Secretaris-Generaal en de Secretarissen moeten over behoorlijke rechtskennis en praktijkervaring beschikken. Bij hun benoeming dient ook rekening te worden gehouden met de verscheidenheid van de geografische vertegenwoordiging en van juridische deskundigheid.
Het aantal Secretarissen kan, na overleg met de Raad, in overeenstemming met artikel 9 worden vergroot.
Artikel 6
Het Permanent Bureau is, onder de leiding van de Raad, belast met:
- a. de voorbereiding en organisatie van de Zittingen van de Haagse Conferentie, alsmede van de bijeenkomsten van de Raad en de Bijzondere Commissies;
- b. de secretariaatswerkzaamheden van de Zittingen en bovenbedoelde bijeenkomsten;
- c. alle werkzaamheden die tot de taak van een secretariaat behoren.
Artikel 7
Teneinde de communicatie tussen de Leden van de Conferentie en het Permanent Bureau te vergemakkelijken, wijst de Regering van elk van de Lidstaten een nationaal orgaan aan en wijst elke organisatie die Lid is een contactorgaan aan.
Het Permanent Bureau kan met alle aldus aangewezen organen en met de bevoegde internationale organisaties corresponderen.
Artikel 8
De Zittingen en, in de periode tussen de Zittingen, de Raad, kunnen Bijzondere Commissies in het leven roepen voor het uitwerken van ontwerp-Verdragen of ter bestudering van alle vraagstukken op het gebied van internationaal privaatrecht die vallen binnen het doel van de Conferentie.
De Zittingen, de Raad en de Bijzondere Commissies verrichten hun werkzaamheden zoveel mogelijk op basis van consensus.
Artikel 9
De begrote kosten van de Conferentie worden over de Lidstaten van de Conferentie omgeslagen.
Van een organisatie die Lid is wordt niet verlangd dat deze naast de bijdrage van haar lidstaten aan de jaarlijkse begroting van de Conferentie bijdraagt; in plaats daarvan betaalt zij een bedrag dat door de Conferentie, in overleg met de organisatie die Lid is, wordt vastgesteld ter dekking van de aanvullende administratieve kosten die uit haar lidmaatschap voortvloeien.
In ieder geval komen de reis- en verblijfskosten van de gedelegeerden naar de Raad en naar de Bijzondere Commissies ten laste van de vertegenwoordigde Leden.
Artikel 10
De begroting van de Conferentie wordt ieder jaar onderworpen aan de goedkeuring van de Raad van Diplomatieke Vertegenwoordigers van Lidstaten te ’s-Gravenhage.
Deze Vertegenwoordigers stellen eveneens vast hoe de kosten, welke door de begroting ten laste van de Lidstaten worden gebracht, over deze laatste worden verdeeld.
De Diplomatieke Vertegenwoordigers komen tot dit doel bijeen, onder voorzitterschap van de minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden.
Artikel 11
De kosten, voortvloeiend uit de Gewone en Buitengewone Zittingen van de Conferentie, worden gedragen door de Nederlandse Regering.
In ieder geval komen de reis- en verblijfskosten van de gedelegeerden ten laste van de onderscheiden Leden.
Artikel 12
De gebruiken van de Conferentie blijven van kracht, voorzover zij niet in strijd zijn met dit Statuut of de Reglementen.
Artikel 13
Wijzigingen in het Statuut dienen tijdens een bijeenkomst betreffende algemene zaken en beleid bij consensus door de aanwezige Lidstaten te worden aangenomen.
Deze wijzigingen worden ten aanzien van alle Lidstaten van kracht drie maanden nadat zij zijn goedgekeurd door twee derde van de Lidstaten in overeenstemming met hun onderscheiden nationale procedures, doch niet eerder dan negen maanden na de datum van aanneming ervan.
De in het eerste lid bedoelde bijeenkomst kan de in het tweede lid bedoelde tijdvakken bij consensus wijzigen.
Artikel 14
De bepalingen van dit Statuut worden aangevuld met Reglementen, teneinde de uitvoering ervan te verzekeren. Deze Reglementen worden opgesteld door het Permanent Bureau en onderworpen aan de goedkeuring van een Diplomatieke Zitting, de Raad van Diplomatieke Vertegenwoordigers of de Raad voor Algemene Zaken en Beleid.
Artikel 15
Dit Statuut wordt onderworpen aan de aanvaarding van de Regeringen van de Staten die aan een of meer Zittingen van de Conferentie hebben deelgenomen. Het treedt in werking zodra het is aanvaard door de meerderheid van de Staten die vertegenwoordigd waren tijdens de Zevende Zitting.
De verklaring van aanvaarding moet worden nedergelegd bij de Nederlandse Regering, die haar ter kennis zal brengen van de Regeringen in het eerste lid van dit artikel bedoeld.
Bij toelating van een nieuw Lid stelt de Nederlandse Regering alle Leden in kennis van de verklaring van aanvaarding van dat nieuwe Lid.
Artikel 16
Ieder Lid kan dit Statuut opzeggen na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van zijn inwerkingtreding krachtens artikel 14, eerste lid.
De opzegging moet ter kennis worden gebracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden, ten minste zes maanden voor het einde van het begrotingsjaar van de Conferentie en heeft gevolg na afloop van dat jaar, doch alleen ten aanzien van het Lid dat van de opzegging kennisgeving heeft gedaan.
De Engelse en de Franse tekst van dit Statuut, als gewijzigd op 30 juni 2005, zijn gelijkelijk authentiek.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.