Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen

Type Verdrag
Publication 1991-10-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn,

Zich ervan bewust dat in een aantal Staten werkzaamheden op nucleair gebied worden verricht,

Gelet op het feit dat uitgebreide maatregelen zijn en worden getroffen ter verzekering van een grote mate van veiligheid bij de werkzaamheden op nucleair gebied en gericht op het voorkomen van nucleaire ongevallen en op het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van een zodanig ongeval, indien dit zich voordoet,

Geleid door de wens de internationale samenwerking bij het op veilige wijze ontwikkelen en gebruiken van kernenergie verder uit te breiden.

Overtuigd van de noodzaak een internationaal kader te scheppen om de onmiddellijke verlening van bijstand in geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen te vergemakkelijken ter verzachting van de gevolgen daarvan,

Gezien het nut van bilaterale en multilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand op dit gebied,

Gezien de werkzaamheden van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie bij de ontwikkeling van richtlijnen voor overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand bij calamiteiten in verband met een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. Algemene bepalingen
1.

De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, werken onderling samen en met de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (hierna te noemen: de „Organisatie”) in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag om de onmiddellijke verlening van bijstand in geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen te vergemakkelijken, ten einde de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te verzachten en leven, goederen en het milieu te beschermen tegen de gevolgen van vrijgekomen radioactieve stoffen.

2.

Ten einde deze samenwerking te bevorderen, kunnen de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, bilaterale of multilaterale overeenkomsten - of, waar nodig, een combinatie van beide - sluiten om het letsel en de schade die kunnen ontstaan bij een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen, te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

3.

De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, verzoeken de Organisatie, die handelt binnen het kader van haar Statuut, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag alles in het werk te stellen om de in dit Verdrag voorziene samenwerking tussen de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, te bevorderen, te vergemakkelijken en te steunen.

Artikel 2. Verlening van bijstand
1.

Indien een Staat die Partij bij dit Verdrag is, bijstand nodig heeft in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen, ongeacht of dit ongeval of deze calamiteit binnen haar grondgebied, onder haar rechtsmacht of toezicht is ontstaan, kan deze Staat om deze bijstand verzoeken aan iedere andere Staat die Partij bij dit Verdrag is, rechtstreeks of door tussenkomst van de Organisatie, en aan de Organisatie, of, waar nodig, aan andere internationale intergouvernementele organisaties (hierna te noemen: „internationale organisaties).

2.

Een Staat die Partij bij dit Verdrag is en om bijstand verzoekt, omschrijft nauwkeurig de omvang en de soort bijstand die verlangd wordt, en verschaft waar mogelijk de bijstandverlenende partij alle informatie die deze partij nodig kan hebben om vast te stellen in welke mate zij in staat is om aan het verzoek te voldoen. Ingeval het niet doenlijk is voor de verzoekende Staat die Partij bij dit Verdrag is, de omvang en de soort bijstand die verlangd wordt, nauwkeurig te omschrijven, beslissen de verzoekende Staat die Partij bij dit Verdrag is, en de bijstandverlenende partij in gezamenlijk overleg over de omvang en de soort bijstand die verlangd wordt.

3.

Elke Staat die Partij bij dit Verdrag is en aan wie een verzoek om deze bijstand wordt gericht, beslist onmiddellijk en stelt de verzoekende Staat die Partij bij dit Verdrag is, er van in kennis, rechtstreeks of door tussenkomst van de Organisatie, of hij de gevraagde bijstand kan verlenen, en in welke omvang en op welke voorwaarden dit zou kunnen geschieden.

4.

De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, bepalen binnen de grenzen van hun vermogen welke deskundigen, uitrusting en materialen eventueel beschikbaar kunnen worden gesteld voor de verlening van bijstand aan andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, in geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen, alsmede op welke voorwaarden, in het bijzonder de financiële voorwaarden, deze bijstand kan worden verleend en stellen de Organisatie daarvan in kennis.

5.

Iedere Staat die Partij bij dit Verdrag is, kan om bijstand verzoeken met betrekking tot medische behandeling of tijdelijke overbrenging naar het grondgebied van een andere Staat die Partij bij dit Verdrag is, van mensen die betrokken zijn bij een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen.

6.

De Organisatie geeft, in overeenstemming met haar Statuut en zoals bepaald in dit Verdrag, gehoor aan het verzoek van een verzoekende Staat die Partij bij dit Verdrag is, of van een Lidstaat om bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen door:

Artikel 3. Leiding van en toezicht op de bijstand

Tenzij anders overeengekomen:

Artikel 4. Bevoegde autoriteiten en contactpunten
1.

Elke Staat die Partij bij dit Verdrag is, stelt de Organisatie en de overige Staten die Partij bij dit Verdrag zijn rechtstreeks of door tussenkomst van de Organisatie in kennis van zijn bevoegde autoriteiten en het contactpunt dat gemachtigd is verzoeken om bijstand te doen en te ontvangen en aanbiedingen van bijstand te aanvaarden. Deze contactpunten, alsmede een centraal punt binnen de Organisatie, dienen permanent bereikbaar te zijn.

2.

Elke Staat die Partij bij dit Verdrag is, stelt de Organisatie onmiddellijk in kennis van alle wijzigingen die zich in de in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen voordoen.

3.

De Organisatie zendt de in het eerste en het tweede lid bedoelde gegevens periodiek en onverwijld toe aan de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Lidstaten en de relevante internationale organisaties.

Artikel 5. Taken van de Organisatie

De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, verzoeken de Organisatie overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van artikel 1 en behoudens de overige bepalingen van dit Verdrag, om

Artikel 6. Vertrouwelijkheid en publieke bekendmaking
1.

De verzoekende Staat en de bijstandsverlenende partij beschermen het vertrouwelijke karakter van alle vertrouwelijke informatie die elk van hen ter beschikking wordt gesteld in verband met de bijstandverlening in geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen. Deze informatie dient uitsluitend te worden gebruikt voor het doel van de overeengekomen bijstand.

2.

De bijstandverlenende partij stelt alles in het werk om samen te werken met de verzoekende Staat alvorens informatie vrij te geven voor het publiek met betrekking tot de bijstand die is verleend in geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen.

Artikel 7. Vergoeding van de kosten
1.

Een bijstandverlenende partij kan kosteloze bijstand aanbieden aan de verzoekende Staat. Bij het overwegen van de vraag of bijstand op deze grondslag moet worden verleend, houdt de bijstandverlenende partij rekening met:

2.

Wanneer de bijstand geheel of gedeeltelijk tegen vergoeding wordt verleend, vergoedt de verzoekende Staat aan de bijstandverlenende partij de gemaakte kosten voor de verleende diensten door personen of organisaties die namens die partij optreden, alsmede alle uitgaven in verband met de bijstandverlening voor zover deze uitgaven niet rechtstreeks door de verzoekende Staat worden betaald. Tenzij anders overeengekomen, wordt de vergoeding onmiddellijk betaald nadat de bijstandverlenende partij haar verzoek tot vergoeding heeft aangeboden aan de verzoekende Staat, en geschiedt de betaling met betrekking tot andere dan plaatselijke kosten in vrij inwisselbare valuta.

3.

Niettegenstaande het bepaalde in het tweede lid kan de bijstandverlenende partij te allen tijde afzien van, of toestemmen in uitstel van betaling van, de gehele vergoeding of een gedeelte daarvan. Bij het overnemen van de vraag of van deze vergoeding moet worden afgezien of uitstel van betaling moet worden verleend, houden de bijstandverlenende partijen terdege rekening met de behoeften van de ontwikkelingslanden.

Artikel 8. Voorrechten, immuniteiten en faciliteiten
1.

De verzoekende Staat verleent de leden van het personeel van de bijstandverlenende partij en de leden van het personeel dat namens die partij optreedt, de noodzakelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten voor het uitvoeren van hun taken in verband met de bijstandverlening.

2.

De verzoekende Staat verleent de volgende voorrechten en immuniteiten aan de leden van het personeel van de bijstandverlenende partij of aan de leden van het personeel dat namens die partij optreedt en naar behoren is aangemeld bij en aanvaard door de verzoekende Staat:

3.

De verzoekende Staat:

4.

De verzoekende Staat waarborgt de teruggave van deze uitrusting en goederen. Indien de bijstandverlenende partij zulks verzoekt, zorgt de verzoekende Staat, voor zover dit in zijn vermogen ligt, voor de noodzakelijke ontsmetting van opnieuw bruikbare uitrusting die bij de bijstandsverlening werd gebruikt, vóór de teruggave.

5.

De verzoekende Staat vergemakkelijkt de binnenkomst op, het verblijf binnen en het verlaten van zijn nationale grondgebied van leden van het personeel dat krachtens het bepaalde in het tweede lid is aangemeld, en van uitrusting en goederen die bij de bijstandverlening worden gebruikt.

6.

Niets in dit artikel verplicht de verzoekende Staat zijn onderdanen of inwoners de in de voorgaande leden genoemde voorrechten en immuniteiten te verlenen.

7.

Onverminderd de voorrechten en immuniteiten zijn alle personen die deze voorrechten en immuniteiten krachtens het bepaalde in dit artikel genieten, verplicht de wetten en voorschriften van de verzoekende Staat te eerbiedigen. Zij zijn voorts verplicht zich niet te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van de verzoekende Staat.

8.

Niets in dit artikel doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen met betrekking tot de voorrechten en immuniteiten die krachtens andere internationale overeenkomsten of krachtens de regels van het internationale gewoonterecht zijn verleend.

9.

Bij de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren zich niet geheel of gedeeltelijk door het bepaalde in het tweede en het derde lid gebonden te achten.

10.

Een Staat die Partij bij dit Verdrag is en een verklaring heeft afgegeven overeenkomstig het bepaalde in het negende lid, kan te allen tijde deze verklaring herroepen door middel van een kennisgeving aan de depositaris.

Artikel 9. Doorgang van personeel, uitrusting en goederen

Op verzoek van de verzoekende Staat of de bijstandverlenende partij tracht elke Staat die Partij bij dit Verdrag is, de doorgang over zijn grondgebied van naar behoren aangemelde leden van het personeel, uitrusting en goederen, betrokken bij de bijstandverlening, naar en vanuit de verzoekende Staat te vergemakkelijken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.