Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland inzake wederzijdse bijstand in douanezaken
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Finland,
Overwegende dat strafbare feiten op het gebied van de douanewetten nadeel toebrengen aan de economische en fiscale belangen van hun onderscheiden landen, alsook aan de rechtmatige belangen van handel, nijverheid en landbouw,
Ervan overtuigd dat het voorkomen van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten en het streven naar verzekering van een juiste toepassing van douanerechten en andere belastingen en heffingen op invoer of uitvoer doeltreffender worden als gevolg van samenwerking tussen hun douaneautoriteiten,
Gelet op de bestaande internationale instrumenten die betrekking hebben op het verlenen van wederzijdse bijstand in douanezaken,
Zijn het volgende overeengekomen:
BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
- a. „Staat” een van de Overeenkomstsluitende Staten;
- b. „douanewetten”, de wettelijke bepalingen of voorschriften inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen, zowel die welke de douanerechten, belastingen of alle andere heffingen betreffen, als die welke maatregelen inzake verboden, beperkingen of controle betreffen;
- c. „douaneautoriteiten”, de centrale administratie van een Staat die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetten. De Staten verstrekken elkaar daartoe de nodige inlichtingen.
WERKINGSSFEER
Artikel 2
De Staten verlenen elkaar wederzijds bijstand door tussenkomst van hun douaneautoriteiten en onder de in deze Overeenkomst vermelde voorwaarden:
- a. ter verzekering van een juiste naleving van de douanewetten;
- b. ter voorkoming, opsporing en bestrijding van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten.
UITWISSELING VAN INLICHTINGEN
Artikel 3
De douaneautoriteiten verstrekken elkaar op verzoek alle inlichtingen welke ertoe kunnen bijdragen de juiste heffing van de douanerechten en andere belastingen en heffingen bij in- of uitvoer te verzekeren en meer in het bijzonder die inlichtingen welke de vaststelling van de douanewaarde, de tariefsoort en de oorsprong van de goederen kunnen vergemakkelijken.
Indien de aangezochte autoriteit niet over de gevraagde inlichtingen beschikt, doet zij onderzoeken instellen overeenkomstig de wettelijke bepalingen en voorschriften die in haar land van toepassing zijn bij de heffing van douanerechten, belastingen en andere heffingen wegens in- of uitvoer.
Bij het instellen van deze onderzoeken gaat de aangezochte autoriteit te werk als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit uit eigen land.
Artikel 4
De douaneautoriteiten verstrekken elkaar op verzoek inlichtingen welke nodig zijn om te verzekeren dat:
- a. goederen die in de ene Staat zijn ingevoerd op wettige wijze uit de andere Staat zijn uitgevoerd;
- b. goederen die uit de ene Staat zijn uitgevoerd op wettige wijze in de andere Staat zijn ingevoerd;
- c. goederen waarvoor bij uitvoer uit de ene Staat een gunstige behandeling is toegestaan, op regelmatige wijze in de andere Staat zijn ingevoerd, met dien verstande dat tevens inlichtingen worden verstrekt omtrent de aard van het douaneregime waaraan die goederen zijn onderworpen.
Artikel 5
De douaneautoriteiten verstrekken elkaar, uit eigen beweging of op verzoek, alle inlichtingen welke betrekking hebben op strafbare feiten op het gebied van de douanewetten, en wel in het bijzonder inlichtingen met betrekking tot:
- a. nieuwe middelen en werkwijzen welke worden aangewend, of waarvan vermoed wordt dat zij worden aangewend, om strafbare feiten op het gebied van de douanewetten te begaan;
- b. goederen waarvan bekend is, of vermoed wordt dat zij worden gesmokkeld;
- c. voertuigen, schepen, luchtvaartuigen en andere vervoermiddelen die zijn gebruikt, of waarvan vermoed wordt dat zij zijn gebruikt om strafbare feiten op het gebied van de douanewetten te begaan of waarvan vermoed wordt dat zij worden gebruikt om dergelijke strafbare feiten te begaan.
De douaneautoriteiten van de ene Staat verstrekken, uit eigen beweging of op verzoek, aan de douaneautoriteiten van de andere Staat, rapporten, processen-verbaal of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van documenten, houdende alle beschikbare inlichtingen met betrekking tot vastgestelde of voorgenomen handelingen die een strafbaar feit op het gebied van de douanewetten van laatstgenoemde Staat opleveren of lijken op te leveren.
TOEZICHT OP PERSONEN, GOEDEREN EN VERVOERMIDDELEN
Artikel 6
De douaneautoriteiten van de ene Staat houden, uit eigen beweging of op verzoek van de douaneautoriteiten van de andere Staat, binnen het gebied waarvoor zij de verantwoordelijkheid dragen, binnen de grenzen van hun bevoegdheden en in de mate van het mogelijke, toezicht op:
- a. de bewegingen, inzonderheid het betreden en verlaten van hun grondgebied, van personen die strafbare feiten hebben begaan of die ervan worden verdacht strafbare feiten te hebben begaan op het gebied van de douanewetten van de andere Staat, of waarvan wordt vermoed dat zij dergelijke strafbare feiten begaan;
- b. voertuigen, schepen, luchtvaartuigen en andere vervoermiddelen die zijn gebruikt of waarvan vermoed wordt dat ze zijn gebruikt voor het begaan van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten van de andere Staat, of waarvan wordt vermoed dat zij worden gebruikt voor het begaan van dergelijke strafbare feiten;
- c. verplaatsingen van goederen ten aanzien waarvan door de douaneautoriteiten van de andere Staat is medegedeeld dat zij het voorwerp uitmaken van een omvangrijk ongeoorloofd verkeer naar hun grondgebied;
- d. plaatsen waar abnormale goederenvoorraden zijn aangelegd, waardoor er aanleiding bestaat aan te nemen dat deze zullen worden gebruikt voor ongeoorloofde invoer in het grondgebied van de andere Staat.
ONDERZOEKEN
Artikel 7
Op verzoek van de douaneautoriteiten van de ene Staat gaan de douaneautoriteiten van de andere Staat over tot ambtelijke onderzoeken met betrekking tot alle handelingen die in strijd zijn of in strijd lijken te zijn met de douanewetten van de verzoekende Staat. De douaneautoriteiten van de aangezochte Staat verstrekken de douaneautoriteiten van de verzoekende Staat de resultaten van deze onderzoeken.
Deze onderzoeken worden verricht in overeenstemming met de wetten en voorschriften welke in de aangezochte Staat van toepassing zijn. De aangezochte autoriteit gaat daarbij te werk als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit in eigen land.
Artikel 8
De ambtenaren van de douaneautoriteiten van de ene Staat, bevoegd tot opsporing van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten, kunnen in bijzondere gevallen, met goedvinden van de bevoegde ambtenaren van de douaneautoriteiten van de andere Staat, op het grondgebied van die Staat aanwezig zijn bij het opsporen door die ambtenaren van strafbare feiten die voor de eerstbedoelde autoriteiten van belang zijn.
Artikel 9
Wanneer de douaneautoriteiten van de ene Staat zich, in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet, bevinden op het grondgebied van de andere Staat, moeten zij, indien hun daarom verzocht wordt, te allen tijde hun ambtelijke hoedanigheid aantonen. Zij genieten dezelfde wettelijke bescherming als die welke is toegekend aan de douaneautoriteiten van de Staat op wiens grondgebied zij zich bevinden. Met betrekking tot de wettelijke gevolgen van strafbare feiten jegens hen begaan of welke zij zelf mochten begaan, worden zij op gelijke wijze behandeld als de douaneautoriteiten van de Staat op wiens grondgebied zij zich bevinden.
GEBRUIK VAN GEGEVENS EN DOCUMENTEN
Artikel 10
De door toepassing van deze Overeenkomst verkregen inlichtingen en documenten mogen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin deze Overeenkomst voorziet. Zij mogen aan andere personen dan aan hen die belast zijn met het gebruik daarvan voor de doeleinden van deze Overeenkomst alleen worden meegedeeld, indien de douaneautoriteit die ze heeft verstrekt, daartoe toestemming heeft gegeven en voor zover dit niet in strijd is met enige wettelijke bepaling die van toepassing is op de douaneautoriteit die dergelijke inlichtingen en documenten heeft ontvangen.
De verzoeken, inlichtingen, rapporten van deskundigen en andere mededelingen welke een Staat heeft ontvangen, genieten dezelfde wettelijke bescherming en vallen onder hetzelfde ambtsgeheim als die waarin in die Staat is voorzien voor gelijksoortige documenten en inlichtingen.
Artikel 11
De douaneautoriteiten kunnen, in overeenstemming met de doeleinden en binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst, zowel in hun processen-verbaal, rapporten en getuigenissen als bij administratieve procedures en vervolgingen in rechte, de volgens de bepalingen van deze Overeenkomst verkregen inlichtingen en documenten als bewijsmiddel aanvoeren.
Het gebruik van dergelijke inlichtingen en documenten wordt beheerst door het nationale recht van de Staat die ze heeft ontvangen.
UITZONDERINGEN OP DE VERPLICHTING TOT HET VERLENEN VAN BIJSTAND
Artikel 12
Als de aangezochte douaneautoriteiten van mening zijn dat de gevraagde bijstand zou leiden tot aantasting van de openbare orde of van andere wezenlijke belangen van de aangezochte Staat, of de schending van een nijverheids-, handels- of beroepsgeheim met zich zou brengen, mogen zij weigeren die bijstand te verlenen, dan wel verlenen zij die bijstand slechts gedeeltelijk of onder zekere voorwaarden of beperkingen.
Als aan een verzoek om bijstand niet kan worden voldaan, wordt de Staat die om bijstand heeft verzocht onverwijld daarvan in kennis gesteld en tevens op de hoogte gebracht van de redenen voor de weigering bijstand te verlenen.
De verplichting bijstand te verlenen geldt niet voor het verstrekken van inlichtingen of documenten die de douaneautoriteiten hebben verkregen in het kader van bevoegdheden die zij in opdracht van de rechterlijke autoriteit uitoefenen. In geval om bijstand is verzocht, worden deze inlichtingen of documenten echter wel verstrekt in alle gevallen waarin de rechterlijke autoriteit, die hiertoe moet worden geraadpleegd, daarmee instemt.
Artikel 13
Indien de douaneautoriteiten van de ene Staat verzoeken om bijstand die zij zelf, indien zij daarom door de andere Staat mochten worden gevraagd, niet zouden kunnen verlenen, vestigen zij daarop in hun verzoek de aandacht. Het inwilligen van een dergelijk verzoek staat ter beoordeling van de douaneautoriteiten aan wie het verzoek is gedaan.
MEDEDELING VAN ADMINISTRATIEVE MAATREGELEN EN BESLISSINGEN
Artikel 14
Op verzoek van de douaneautoriteiten van de ene Staat reiken de douaneautoriteiten van de andere Staat, met inachtneming van de op hun grondgebied van kracht zijnde wetten en voorschriften, rechtstreeks, dan wel door tussenkomst van de bevoegde autoriteit aan de betrokken partijen alle stukken uit, houdende maatregelen en beslissingen van de administratieve autoriteiten inzake de toepassing van de douanewetten.
KOSTEN
Artikel 15
Met uitzondering van kosten welke verbonden zijn aan het gebruik van de diensten van deskundigen, wordt de verzoekende Staat niet verantwoordelijk gesteld voor enige kosten die voortvloeien uit de toepassing van deze Overeenkomst.
WIJZE VAN BIJSTANDVERLENING
Artikel 16
De in deze Overeenkomst voorziene bijstand geschiedt rechtstreeks tussen de douaneautoriteiten van de Staten. Deze autoriteiten stellen in onderling overleg de praktische uitvoering ervan vast.
De douaneautoriteiten van de Staten kunnen hun opsporingsdiensten in de gelegenheid stellen onderling rechtstreekse betrekkingen te onderhouden.
TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 17
Wat de Republiek Finland betreft, is deze Overeenkomst van toepassing op haar grondgebied.
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst van toepassing op het grondgebied in Europa. Zij kan echter, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen.
Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.
INWERKINGTREDING EN BEËINDIGING
Artikel 18
Deze Overeenkomst treedt in werking 30 dagen nadat de Staten elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan de grondwettelijk vereiste formaliteiten voor de inwerkingtreding is voldaan.
Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten, maar elk van de beide Staten kan haar te allen tijde opzeggen.
Van de opzegging wordt ten minste zes maanden voor het einde van het kalenderjaar kennisgeving gedaan. De Overeenkomst houdt dan op van kracht te zijn aan het einde van dat kalenderjaar.
Tenzij anderszins overeengekomen, wordt door de beëindiging van deze Overeenkomst niet tegelijkertijd de toepassing daarvan op de Nederlandse Antillen beëindigd, indien zij daartoe is uitgebreid overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van artikel 17.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Agreement.
DONE at The Hague this 4th day of April 1984 in two originals, in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands,
(sd.) H. VAN DEN BROEK
(sd.) H. E. KONING
For the Government of the Republic of Finland,
(sd.) P. VÄYRYNEN
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.