Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken inzake de voorkoming van incidenten op zee buiten de territoriale wateren

Type Verdrag
Publication 1991-01-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken, hierna te noemen de „Partijen”;

Geleid door de wens de veiligheid van de vaart van de schepen van hun respectieve strijdkrachten en van de vluchten van hun militaire luchtvaartuigen buiten de territoriale wateren te waarborgen;

Erkennend dat handelingen die op grond van deze Overeenkomst zijn verboden ook niet moeten worden gepleegd jegens niet-militaire schepen van de Partijen;

Geleid door de beginselen en regels van het internationale recht;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst gelden de volgende definities:

2.

Deze Overeenkomst is van toepassing op schepen en luchtvaartuigen die opereren op de wateren buiten de territoriale wateren en in het luchtruim daarboven.

Artikel II

De Partijen nemen maatregelen om de commandanten van hun respectieve schepen te instrueren de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee van 1972, hierna te noemen de „Zee-aanvaringsbepalingen 1972”, strikt naar de letter en de geest na te leven.

De Partijen erkennen dat hun vrijheid om operaties buiten de territoriale wateren uit te voeren, is gebaseerd op de beginselen die deel uitmaken van het erkende internationale recht.

Artikel III
1.

In alle gevallen blijven schepen van de Partijen die in elkaars nabijheid opereren ruim van elkaar vrij om het risico van aanvaring te vermijden, behalve wanneer zij op grond van de Zeeaanvaringsbepalingen 1972 koers en vaart moeten behouden.

2.

Schepen van een Partij die een formatie van de andere Partij ontmoeten of in de nabijheid daarvan opereren vermijden, de bepalingen van de Zee-aanvaringsbepalingen 1972 nalevend, om zodanig te manoeuvreren dat de bewegingen van de formatie worden gehinderd.

3.

Formaties voeren geen manoeuvres uit door drukke scheepvaartgebieden, waar internationaal erkende verkeersscheidingsstelsels van kracht zijn.

4.

Schepen van een Partij die een surveillance uitvoeren op schepen van de andere Partij blijven op zodanige afstand dat het gevaar van aanvaring wordt vermeden en vermijden eveneens manoeuvres uit te voeren die de schepen die worden gesurveilleerd hinderen of in gevaar brengen. Behalve wanneer op grond van de bepalingen van de Zeeaanvaringsbepalingen 1972 koers en vaart moet worden behouden, onderneemt een surveillerend schip vroegtijdig duidelijke actie teneinde handelend met goed zeemanschap, schepen die worden gesurveilleerd niet te hinderen of in gevaar te brengen.

5.

Wanneer schepen van beide Partijen in zicht van elkaar zijn, worden zodanige seinen (vlag, geluid en licht) als zijn voorgeschreven in de Zee-aanvaringsbepalingen 1972, het Internationaal Seinboek en de Tabel van Speciale Seinen, zoals deze is neergelegd in de bijlage bij deze Overeenkomst, gegeven om operaties en voornemens aan te duiden. 's Nachts of overdag in omstandigheden van beperkt zicht en op afstanden waarop vlaggeseinen niet duidelijk zijn te onderscheiden, behoort de seinlamp of VHF Radiokanaal 16 (156.8 MHZ) te worden gebruikt.

6.

Schepen van de Partijen

7.

Wanneer oefeningen met onder water bevindende onderzeeboten worden uitgevoerd, tonen begeleidende schepen de toepasselijke seinen die zijn voorgeschreven in het Internationaal Seinboek of in de Tabel van Speciale Seinen zoals deze is neergelegd in de bijlage bij de Overeenkomst, teneinde schepen van de andere Partij te attenderen op de aanwezigheid van onderzeeboten in het gebied.

8.

Schepen van een Partij nemen, wanneer zij schepen van de andere Partij, die operaties uitvoeren waarbij deze volgens voorschrift 3 (g) van de Zeeaanvaringsbepalingen 1972 beperkt zijn in hun manoeuvreerbaarheid en speciaal schepen die bezig zijn met het afvliegen of oplanden van luchtvaartuigen alsmede schepen die bezig zijn met het bevoorraden op zee, naderen, tijdig gepaste maatregelen om zeker te stellen dat de manoeuvres van die schepen niet worden gehinderd en blijven ruim vrij.

Artikel IV
1.

Commandanten van luchtvaartuigen van de Partijen nemen de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht bij het naderen van luchtvaartuigen en schepen van de andere Partij, in het bijzonder van schepen die bezig zijn met het afvliegen of oplanden van luchtvaartuigen en staan, omwille van de wederzijdse veiligheid, niet toe dat:

2.

Wanneer luchtvaartuigen en schepen van de andere Partij worden genaderd tonen luchtvaartuigen van de Partijen die in duisternis of onder instrument vliegcondities vliegen hun navigatielichten, wanneer dit praktisch mogelijk is.

Artikel V
1.

Handelingen die op grond van deze Overeenkomst zijn verboden, worden evenmin gepleegd door schepen en luchtvaartuigen van een Partij jegens niet-militaire schepen die de vlag van de andere Partij voeren.

2.

De Partijen nemen maatregelen om die niet-militaire schepen op de hoogte te stellen van de bepalingen van deze Overeenkomst die zijn gericht op het verzekeren van de wederzijdse veiligheid.

Artikel VI

De Partijen geven, normaal gesproken tussen de 3 en 5 dagen van te voren, door middel van het gevestigde systeem van radiouitzendingen ten behoeve van informatie en waarschuwingen aan zeevarenden, kennis van handelingen buiten de territoriale wateren die een gevaar voor de scheepvaart of voor zich in de lucht bevindende luchtvaartuigen inhouden.

Artikel VII

De Partijen wisselen tijdig passende informatie uit betreffende voorvallen van aanvaringen, incidenten die schade opleveren en andere incidenten op zee tussen schepen en luchtvaartuigen van de Partijen. De Koninklijke marine verschaft deze informatie door tussenkomst van de Marine-attaché of andere militaire attaché van de Unie van Socialistische Sovjet Republieken te 's-Gravenhage en de marine van de Unie van Socialistische Sovjet Republieken verschaft deze informatie door tussenkomst van de Nederlandse Marine-attaché of andere militaire attaché te Moskou.

Artikel VIII
1.

Deze Overeenkomst treedt in werking op de datum waarop beide Partijen schriftelijk aan elkaar te kennen hebben gegeven dat aan de constitutionele vereisten in hun respectieve landen is voldaan.

2.

Deze Overeenkomst kan door iedere Partij schriftelijk worden beëindigd met inachtneming van een termijn van zes maanden.

3.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst van toepassing op het gehele Koninkrijk, tenzij de in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving anders bepaalt.

Artikel IX

Vertegenwoordigers van de Partijen ontmoeten elkaar binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst om zowel de toepassing van de bepalingen na te gaan als ter bespreking van de mogelijke wijze om een hoger niveau van veiligheid van de vaart van hun schepen en de vluchten van hun luchtvaartuigen buiten de territoriale wateren na te streven. Soortgelijk overleg wordt daarna jaarlijks gehouden of vaker naar goeddunken van Partijen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Moskou, op 19 juni 1990 in de Nederlandse en de Russische taal, zijnde teksten in beide talen gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) A. L. ter Beek

P. Buwalda

Voor de Regering van de Unie van Socialistische Sovjet Republieken:

(w.g.) D. T. Jazov

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.