Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
De Regering van de Republiek Suriname
Verlangende de historische banden tussen beide landen opnieuw te bevestigen,
In het besef, dat de bijzondere relatie tussen de beide landen zijn weerslag blijft vinden in de wederzijdse verhoudingen,
In het streven dit besef ook tot uitdrukking te brengen ten aanzien van het verblijf van de wederzijdse onderdanen op elkaars grondgebied,
Overtuigd van het belang van een regelmatige gedachtenwisseling over migratie-aangelegenheden,
Zijn het volgende overeengekomen:
Deel I. Algemeen
Artikel 1
De Overeenkomstsluitende Partijen stellen hierbij een Commissie in, samengesteld uit door elk van hen benoemde vertegenwoordigers (hierna te noemen: „de Commissie”).
Artikel 2
De Commissie bespreekt het beleid van de Overeenkomstsluitende Partijen inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen en inzake remigratie.
Artikel 3
De Commissie komt op verzoek van een der Overeenkomstsluitende Partijen, doch tenminste eenmaal per half jaar, bijeen, afwisselend in Nederland en Suriname.
Artikel 4
De leden van de Commissie kunnen zich doen bijstaan door deskundigen.
Artikel 5
De bijeenkomsten van de Commissie zullen worden voorgezeten door een Commissielid van het land, waar de bijeenkomst wordt gehouden.
Deel II. Binnenkomst en Verblijf
Artikel 6
In het kader van deze Overeenkomst van belang zijnde punten van het Nederlandse beleid inzake de binnenkomst en het verblijf van Surinaamse onderdanen zijn neergelegd in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst.
Artikel 7
In het kader van deze Overeenkomst van belang zijnde punten van het Surinaamse beleid inzake de binnenkomst en het verblijf van Nederlandse onderdanen zijn neergelegd in Bijlage 2 bij deze Overeenkomst.
Artikel 8
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen blijft, met inachtneming van bestaande verdragsverplichtingen, autonoom terzake van haar beleid inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van de andere Partij. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen behoudt derhalve het recht om op eigen gezag wijzigingen aan te brengen in de op haar beleid van toepassing zijnde Bijlage.
Artikel 9
Niettegenstaande het bepaalde in artikel 8, doch behoudens gevallen van openbare orde en veiligheid, effectueert elk der Overeenkomstsluitende Partijen wijzigingen eerst, nadat het voornemen daartoe ter kennis is gebracht van de andere Partij en deze laatste niet binnen 21 dagen na notificatie van het voornemen om overleg heeft verzocht in de commissie.
Indien een Overeenkomstsluitende Partij om overleg verzoekt, zal de Commissie bijeenkomen niet later dan 21 dagen, nadat de wens om overleg ter kennis is gebracht van de andere Partij.
Deel III. Remigratie
Artikel 10
In het kader van deze Overeenkomst van belang zijnde gemeenschappelijke punten inzake de remigratie zijn neergelegd in Bijlage 3 bij deze Overeenkomst.
Artikel 11
De bevoegde autoriteiten van elk der Overeenkomstsluitende Partijen stellen in gemeenschappelijk overleg nadere regels vast ter uitvoering van de in artikel 10 bedoelde punten inzake de remigratie.
Deel IV. Slotbepalingen
Artikel 12
Deze Overeenkomst zal vanaf de datum van ondertekening voorlopig worden toegepast. Zij treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld, dat in hun onderscheiden landen voldaan is aan de voor inwerkingtreding vereiste formaliteiten.
Artikel 13
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zal deze Overeenkomst alleen gelden voor het in Europa gelegen grondgebied van het Koninkrijk.
Artikel 14
Deze Overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Zij kan door elk der Overeenkomstsluitende Partijen worden opgezegd.
Opzegging heeft effect twee maanden, nadat de ene Overeenkomstsluitende Partij de andere daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld.
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
De Regering van de Republiek Suriname
Bevestigen,
Ter gelegenheid van de ondertekening van de Overeenkomst inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen en zonder de bedoeling te hebben een uitputtende opsomming te geven,
het volgende:
Artikel 1
Degenen die over een uit hoofde van de op 25 november 1975 te Paramaribo tot stand gekomen Overeenkomst inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen afgegeven verblijfstitel beschikken, blijven na 25 november 1980 de uit die Overeenkomst voortvloeiende rechten genieten.
Artikel 2
Degenen die vóór 25 november 1980 een verzoek om vergunning tot verblijf of een machtiging tot voorlopig verblijf hebben ingediend en van wie is vastgesteld, dat zij vóór die datum hebben voldaan aan de vereisten die gelden op grond van de in artikel 1 genoemde Overeenkomst, komen voor een vergunning tot verblijf in aanmerking en genieten de uit genoemde Overeenkomst voortvloeiende rechten.
Artikel 3
Een Surinaamse onderdaan, die op 24 november 1980 in Nederland is en ten aanzien van wie vóór 25 november 1980 een recht op een verblijfstitel is ontstaan, krijgt de gelegenheid om dit recht ook na 24 november 1980 te effectueren, mits hij zijn aanvraag om een vergunning tot verblijf en, indien nodig, een tewerkstellingsvergunning heeft ingediend vóór 25 februari 1981. Hij geniet de rechten die voortvloeien uit de in Artikel 1 genoemde Overeenkomst.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk door hun Regeringen gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
GEDAAN te Paramaribo op 23 januari 1981 in tweevoud in de Nederlandse taal.
Voor de Regering van het
Koninkrijk der Nederlanden,
(w.g.) A. HELDRING
Voor de Regering van de
Republiek Suriname,
(w.g.) H. H. NAARENDORP
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.