Eerste Aanvullende Overeenkomst ter uitvoering van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen

Type Verdrag
Publication 1990-02-05
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

het Koninkrijk België,

Gelet op de artikelen 11 en 13 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen, ondertekend te 's-Gravenhage op 14 november 1984;

Overwegende dat het gewenst is dat een aanvullende overeenkomst wordt gesloten over onderwerpen die zijn genoemd in artikel 11, tweede lid, van de Overeenkomst;

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

In deze aanvullende Overeenkomst wordt verstaan onder:

HOOFDSTUK 2. BIJSTANDSVERLENING IN HET ALGEMEEN

Artikel 2

De Ministers zullen elkaar en de overige bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst, schriftelijk op de hoogte stellen van adressen, telefoon-, telex- en telefaxnummers alsmede van overige gegevens die van belang zijn in het kader van de procedure voor het verzoeken en doen uitvoeren van de bijstand.

Artikel 3
1.

Een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst omvat in ieder geval:

2.

Een verzoek om bijstand alsmede de bevestiging van de te verlenen bijstand geschieden zoveel mogelijk overeenkomstig een in bijlage 1 bij deze Aanvullende Overeenkomst opgenomen model.

Artikel 4
1.

Indien de commandant van een bijstandseenheid van oordeel is dat hij in redelijkheid niet of niet meer kan voldoen aan een instructie van de op de plaats van de ramp voor de bestrijding verantwoordelijke autoriteit, of indien de commandant van oordeel is dat uitvoering van een instructie niet van hem kan worden gevergd, voert hij onverwijld overleg met die autoriteit.

2.

Indien het overleg, bedoeld in het eerste lid, niet tot overeenstemming leidt, wendt hij zich onverwijld tot het bevoegd orgaan dat met de uitvoering van het verzoek om bijstand is belast.

3.

Het bevoegd orgaan, bedoeld in het tweede lid, overlegt in dat geval met het bevoegd orgaan dat het verzoek om bijstand heeft gedaan.

Artikel 5

Bijstand kan worden verleend door experts en diensten die zijn opgeleid en uitgerust voor het bestrijden van rampen en ongevallen. Onder meer kan bijstand worden verleend door de eenheden die in de bijlagen 2 en 3 bij deze Aanvullende Overeenkomst zijn aangegeven. Tevens kan op elke andere wijze bijstand worden verleend.

HOOFDSTUK 3. BIJSTANDSVERLENING DOOR EN AAN AAN ELKAAR GRENZENDE PROVINCIES

Artikel 6
1.

De Ministers bevorderen dat de bevoegde organen van aan elkaar grenzende provincies als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst elkaar en de Ministers kennis geven van adressen, telefoon-, telex- en telefaxnummers die dienen te worden gebruikt in het kader van de uitvoering van de Overeenkomst en deze Aanvullende Overeenkomst.

2.

De Ministers bevorderen dat de bevoegde organen, bedoeld in het eerste lid, elkaar en de Ministers kennis geven van de soorten eenheden die zijn opgeleid en uitgerust voor het bestrijden van rampen en ter bijstand kunnen worden ingezet alsmede van hun omvang en uitrusting.

3.

De Ministers bevorderen dat overigens tussen de bevoegde organen, bedoeld in het eerste lid, afspraken tot stand worden gebracht inzake de uitvoering van de bijstandsverlening en te hunner kennis worden gebracht.

4.

Afspraken tussen de bevoegde organen, bedoeld in het eerste lid, mogen niet in strijd zijn met de Overeenkomst, deze Aanvullende Overeenkomst en hetgeen in het nationale recht van beide landen daartoe is bepaald.

HOOFDSTUK 4. OPLEIDINGEN EN OEFENINGEN

Artikel 7
1.

De Ministers bevorderen de mogelijkheid tot deelname door cursisten uit het andere land aan cursussen en opleidingen die in hun land worden gegeven op het gebied van de bestrijding van rampen en ongevallen. Naar vermogen verlenen zij aan cursisten uit het andere land toegang tot deze cursussen en opleidingen.

2.

Voor de door de Ministers aangemelde deelnemers worden aan de andere Minister van Binnenlandse Zaken geen cursus- en opleidingsgelden in rekening gebracht. Overige kosten, de kosten van verzorging en huisvesting daaronder begrepen, worden gedragen door de verzoekende Minister dan wel de instantie die de deelnemer heeft uitgezonden.

Artikel 8
1.

De Ministers spannen zich in om periodiek gemeenschappelijke oefeningen tot stand te brengen.

2.

Doel en uitvoering van gemeenschappelijke oefeningen worden tussen de voor het houden daarvan verantwoordelijke autoriteiten afgesproken.

3.

Onverminderd de toepasselijkheid van artikel 10, eerste tot en met vierde lid, van de Overeenkomst, en voorts onverminderd nationale regelingen terzake, draagt elk bij een oefening, bedoeld in het eerste lid, betrokken orgaan zijn eigen kosten.

4.

In het kader van de samenwerking als bedoeld in artikel 13 van de Overeenkomst kan elk der Ministers bij enige oefening waarnemers uit het andere land uitnodigen, voor zover de oefenomstandigheden dat mogelijk maken.

Artikel 9
1.

De Ministers stellen naar vermogen faciliteiten beschikbaar op eikaars oefencentra ten behoeve van het houden van oefeningen door eenheden van het andere land.

2.

De kosten voor het gebruik van het oefencentrum alsmede de kosten van verzorging en huisvesting van de betrokken eenheden worden door de verzoekende Minister gedragen.

3.

Door of namens de Ministers worden in onderling overleg nadere regelingen getroffen.

HOOFDSTUK 5. PERMANENTE SAMENWERKING

Artikel 10

In het kader van de samenwerking als bedoeld in artikel 13 van de Overeenkomst overleggen vertegenwoordigers van de bevoegde organen als bedoeld in artikel 3 van de Overeenkomst ten minste eenmaal per jaar met elkaar. Zij bevorderen dat deskundigen uit de disciplines die betrokken zijn bij de rampenbestrijding, aan dit overleg deelnemen.

HOOFDSTUK 6. INFORMATIE-UITWISSELING

Artikel 11
1.

Het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de Overeenkomst geschiedt overeenkomstig het in de volgende leden bepaalde.

2.

De bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst bevorderen dat een burgemeester in wiens gemeente een ramp- of ongevalsgebeurtenis plaatsvindt die een weerslag heeft of kan hebben op het grondgebied van het andere land, onmiddellijk nadat deze gebeurtenis hem ter kennis is gekomen al dan niet op verzoek alle relevante informatie verstrekt aan:

3.

De gouverneur onderscheidenlijk de commissaris van de Koningin van de provincie waarin een ramp- of ongevalsgebeurtenis plaatsvindt die een weerslag heeft of kan hebben op het grondgebied van het andere land, verstrekt onmiddellijk nadat deze gebeurtenis hem ter kennis is gekomen al dan niet op verzoek alle relevante informatie aan:

4.

De Minister van Binnenlandse Zaken van het land waarin een ramp- of ongevalsgebeurtenis plaatsvindt die een weerslag heeft of kan hebben op het grondgebied van het andere land, verstrekt onmiddellijk nadat deze gebeurtenis hem ter kennis is gekomen al dan niet op verzoek alle relevante informatie aan de Minister van Binnenlandse Zaken van het andere land.

Artikel 12

Artikel 2 en artikel 6, eerste lid, van deze Aanvullende Overeenkomst zijn ten aanzien van het verstrekken van en het verzoeken om informatie van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 7. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 13

De in de bijlagen bij deze Aanvullende Overeenkomst vermelde gegevens kunnen worden gewijzigd door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Minister van Binnenlandse Zaken van de andere Overeenkomstsluitende Partij en de overige bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst.

Artikel 14

Ten aanzien van geschillen, geldingsduur en opzegging van deze Aanvullende Overeenkomst zijn de bepalingen van de Overeenkomst van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

Deze Aanvullende Overeenkomst treedt in werking op de dag van ondertekening.

GEDAAN te Baarle-Nassau, 5 februari 1990, in twee exemplaren, in de Franse en Nederlandse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) C. I. DALES

Voor het Koninkrijk België,

(w.g.) L. TOBBACK

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.