Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland,
Geleid door de wens de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer in de Eemsmonding te bevorderen;
Gelet op het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, met Bijlagen en Slotprotocol (Eems-Dollardverdrag);
Zijn ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, van dit Verdrag het volgende overeengekomen:
Artikel 1
In de Eemsmonding, zoals nader aangeduid in paragraaf 1 van Bijlage B bij het Eems-Dollardverdrag, gelden in afwijking van en als aanvulling op de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee de in Bijlage A vervatte verkeersvoorschriften („Scheepvaartreglement Eemsmonding”).
Artikel 2
(1). Voor het vervoer van vloeibare petroleumgassen (LPG) in de Eemsmonding naar Emden gelden, als aanvulling op de in artikel 1 genoemde verkeersvoorschriften, de in Bijlage B bedoelde regelingen.
(2). Overeenkomstige veiligheidseisen voor het vervoer van LPG worden voortaan volgens het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst geregeld, voor zover geen overeenkomstige veiligheidsbepalingen in de binnenlandse veiligheidsvoorschriften zijn opgenomen. Voor zover de Overeenkomstsluitende Partijen het opstellen van plaatselijke regelingen aan de plaatselijke autoriteiten hebben overgelaten, kunnen de plaatselijke autoriteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, eerste lid, de in Bijlage B opgenomen verkeersvoorschriften wijzigen en aanvullen.
(3). Op het overige gastankerverkeer is het bepaalde in de eerste zin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
(1). De Overeenkomstsluitende Partijen verwerken de inhoud van deze Overeenkomst in het nationale recht en nemen daarbij een algemene clausule inzake het verkeersgedrag op volgens welke de deelnemers aan dit verkeer zich zodanig dienen te gedragen, dat de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer zijn gewaarborgd, en de voorzorgmaatregelen in acht dienen te nemen die volgens het gewone zeemansgebruik geboden zijn. Het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partijen kan bepalen dat bij onmiddellijk dreigend gevaar kan worden afgeweken van het gemeenschappelijke verkeersrecht, indien dit op grond van bijzondere omstandigheden noodzakelijk wordt.
(2). In het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partijen dient een voorschrift te worden opgenomen volgens hetwelk de krachtens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van het Eems-Dollardverdrag bevoegde Nederlandse autoriteiten in bijzondere gevallen vrijstelling kunnen verlenen van de naleving van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee en van de bepalingen van het gemeenschappelijke verkeersrecht.
(3). In het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partijen dient een voorschrift te worden opgenomen volgens hetwelk de gezagvoerder of iedere andere persoon die voor de veiligheid verantwoordelijk is, het gemeenschappelijke verkeersrecht in acht dient te nemen.
Artikel 4
(1). Indien een Overeenkomstsluitende Partij een wijziging van deze Overeenkomst noodzakelijk acht, deelt zij dit de andere Overeenkomstsluitende Partij mee. De daartoe vereiste onderhandelingen vinden plaats binnen een commissie, waarin drie vertegenwoordigers van elke Overeenkomstsluitende Partij zitting hebben.
(2). De Overeenkomstsluitende Partijen verplichten zich ertoe, de resultaten van deze onderhandelingen - voor zover nodig - met inachtneming van de binnenlandse wetgeving in het nationale recht te verwerken, tenzij een Overeenkomstsluitende Partij binnen een termijn van zes maanden bezwaren indient tegen deze door de commissie overeengekomen resultaten.
(3). De overeenkomstsluitende Partijen werken ook ten aanzien van de in deze Overeenkomst niet uitdrukkelijk geregelde kwesties die zich in de Eemsmonding met betrekking tot de verkeersvoorschriften voordoen, in een geest van goede nabuurschap samen.
Artikel 5
(1). De uitvaardiging van de ingevolge het Scheepvaartreglement Eemsmonding voorziene plaatselijke regelingen kan door de Overeenkomstsluitende Partijen aan de plaatselijke autoriteiten worden overgelaten. Met name betreft het daarbij de vaststelling van
- a. de reden, alsmede de voorwaarden voor het gebruik daarvan;
- b. binnen het vaarwater gelegen wateroppervlakken waarbinnen het ankeren is toegestaan, en buiten het vaarwater gelegen wateroppervlakken waarbinnen het ankeren verboden is;
- c. de plaatsen waarop het aanleggen en het meren verboden zijn;
- d. de anker- en ligplaatsen waarop kleine vaartuigen zonder lichten mogen liggen;
- e. de gedeelten van het vaarwater waarin links mag worden gevaren;
- f. de gedeelten van het vaarwater waarin oplopen en ontmoeten kunnen worden verboden;
- g. de wateroppervlakken, waarop het waterskiën, het plankzeilen en het varen met waterscooters toegestaan of verboden zijn;
- h. de bijzondere voorrangsregels;
- i. de reden en ligplaatsen waarop de overslag van goederen is toegestaan, alsmede de voorwaarden daarvoor;
- j. de aanvullende voorwaarden voor schepen, zoals bedoeld in artikel 21, derde lid, van het Scheepvaartreglement Eemsmonding, met inbegrip van de wateroppervlakken die slechts met inachtneming van de regelingen voor de verkeersgeleiding binnen bepaalde tijdvakken, bij bepaalde waterstanden of weersomstandigheden mogen worden bevaren;
- k. de afmetingen van de schepen met het oog op de meldingsverplichtingen;
- l. de afmetingen van de schepen waarvoor op grond van hun grootte een vergunning vereist is;
- m. de voorwaarden voor het varen met snelle schepen;
- n. de veiligheidszones waarin niet gevaren mag worden.
Deze plaatselijke regelingen kunnen slechts met wederzijds goedvinden van de plaatselijke autoriteiten worden getroffen.
(2). De Overeenkomstsluitende Partijen delen elkaar mede wie de plaatselijk bevoegde autoriteiten zijn.
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Deze Overeenkomst treedt in werking na één maand, volgend op de dag waarop beide Overeenkomstsluitende Partijen elkaar door middel van een diplomatieke nota hebben meegedeeld dat aan de vereiste binnenlandse voorwaarden voor de inwerkingtreding is voldaan.
Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
(1). Op dit Scheepvaartreglement zijn de begripsbepalingen van de voorschriften 3, 21 en 32 van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, van toepassing; overigens wordt in dit Scheepvaartreglement verstaan onder:
-
- Internationale Bepalingen: de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972;
-
- vaarwater: een gedeelte van het water dat door de verkeerstekens E.2.1 tot en met E.2.3 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 is begrensd of gekenmerkt of dat, voor zover dit niet het geval is, voor de doorgaande scheepvaart is bestemd; een vaarwater wordt beschouwd als nauw vaarwater, zoals bedoeld in de Internationale Bepalingen;
-
- rede: een voor het ankeren bestemd gedeelte van het water dat door de verkeerstekens E.6.1 en E.6.2 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 is begrensd of dat door de bevoegde autoriteit is vastgesteld;
-
- drijvende inrichting: een drijvend bouwsel dat gewoonlijk niet voor de voortbeweging is bestemd, in het bijzonder een dok en een aanlegsteiger; dit wordt in geval van transport beschouwd als een schip in de zin van dit Reglement en van de Internationale Bepalingen;
-
- sleep: een samenstel van één of meer slepende motorschepen (sleepboten) en één of meer daarachter of langszij gesleepte schepen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen dat geen of geen gereed voor het gebruik zijnde voortstuwingsinstallatie bezit of dat in zijn manoeuvreerbaarheid beperkt is;
-
- duwstel: een hecht samenstel van schepen, waarvan er ten minste één is geplaatst voor het motorschip, dat dient voor het voortbewegen van het samenstel en dat wordt aangeduid als „duwboot”;
-
- bovenmaats schip: een schip dat op grond van zijn diepgang, zijn lengte of op grond van andere kenmerken gedwongen is gebruik te maken van het diepste deel van het vaarwater; het wordt in aanvulling op Voorschrift 3, letter g, van de Internationale Bepalingen beschouwd als een schip dat in zijn manoeuvreerbaarheid beperkt is;
-
- bepaalde gevaarlijke goederen: goederen uit klasse 1 – subklassen 1.1, 1.2, 1.3 – en uit de klassen 4.1 en 5.2 van de Internationale voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen met zeeschepen (IMDG-Code), waarvoor de bijkomende aanduiding ,ontploffingsgevaar’ is voorgeschreven, met een totale hoeveelheid van meer dan 100 kg per schip, alsmede de als massagoed in tankschepen of in duwstellen of slepen vervoerde goederen in de zin van artikel 21, eerste lid, onderdeel 1;
-
- Waterscooters: gemotoriseerde watersporttoestellen, die voor een of meerdere personen zijn gebouwd of ingericht ten behoeve van een glijdende voortbeweging door of over het water en als Personal Watercraft, zoals een waterbob, een waterscooter, jetbike of jetski worden aangeduid, of andere soortgelijke toestellen;
-
- Snelle schepen: schepen, die overeenkomstig de Internationale Code voor snelle schepen gebouwd zijn en dienovereenkomstig worden gebruikt, evenals schepen die niet overeenkomstig de Code gebouwd zijn, maar wel overeenkomstig de Code worden gebruikt of ingezet;
-
- Veiligheidszones: zijn wateroppervlakken gelegen buiten het vaarwater, die zich over een afstand van ten hoogste 500 meter, gemeten vanuit ieder punt van de buitenste ring om installaties of andere inrichtingen ten behoeve van wetenschappelijk maritiem onderzoek of onderzoek naar of de ontginning van natuurschatten uitstrekken en door de beide plaatselijke autoriteiten gezamenlijk zijn aangewezen.
(2). In de zin van dit Scheepvaartreglement wordt verstaan onder:
-
- overdag: de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;
-
- des nachts: de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang.
Artikel 2. Verkeerstekens
(1). Verkeerstekens, zoals bedoeld in dit Scheepvaartreglement, zijn optische en akoestische tekens die geboden, verboden, waarschuwingen of aanwijzingen inhouden. De in het toepassingsgebied van dit Scheepvaartreglement gebruikte verkeerstekens die geboden en verboden inhouden, zijn samengevat in Aanhangsel 1 van dit Scheepvaartreglement.
(2). De door de gebods- en verbodstekens gegeven voorschriften dienen te worden opgevolgd.
(3). Het beschadigen van de verkeerstekens of het afbreuk doen aan de herkenbaarheid daarvan is verboden.
Artikel 3. Optische tekens en geluidsseinen
(1). Voorzover in de volgende voorschriften geen bijzondere bepalingen ter zake zijn opgenomen, dienen de schepen uitsluitend in overeenstemming met het bepaalde in Aanhangsel 1 voor de daar voorziene doeleinden optische tekens en geluidsseinen te voeren, te tonen of te geven. Er mogen geen optische tekens worden gevoerd of getoond, alsmede geen geluidsseinen worden gegeven, die met de voorgeschreven of toegestane optische tekens of geluidsseinen kunnen worden verward.
(2). Met betrekking tot de middelen voor het geven van de krachtens dit Reglement voorgeschreven geluidsseinen zijn de Voorschriften 33 en 38, letter g, van de Internationale Bepalingen van toepassing. De werking en de betrouwbaarheid van deze geluidsinstallaties moeten te allen tijde gewaarborgd zijn. Indien de werking of de betrouwbaarheid op duidelijk herkenbare wijze wordt beïnvloed, dienen de gezagvoerder, de eigenaar en de bezitter onverwijld te zorgen voor een doelmatig herstel.
(3). Zoeklichten en andere dan de voorgeschreven lichten mogen slechts zodanig worden gebruikt, dat zij niet verblinden en daardoor de scheepvaart in gevaar kunnen brengen of hinderen.
Optische tekens van schepen
Artikel 4. Algemeen
(1). Met betrekking tot de krachtens dit Scheepvaartreglement voorgeschreven optische tekens zijn de Voorschriften 20 en 38, letters c tot en met f en h, van de Internationale Bepalingen van toepassing. Optische tekens die krachtens dit Scheepvaartreglement en krachtens de Internationale Bepalingen door vaartuigen moeten worden gevoerd, dienen permanent te worden meegevoerd en gedurende de tijd dat zij dienen te worden gevoerd, vast te worden aangebracht. Zij dienen te worden gevoerd daar waar zij het best zichtbaar zijn. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin is het bepaalde in Aanhangsel I, No. 5, eerste volzin, van de Internationale Bepalingen niet van toepassing met betrekking tot de afscherming van de boordlichten van binnenschepen, indien navigatielantaarns worden gebruikt die met betrekking tot de horizontale en verticale lichtverdeling ook zonder afscherming voldoen aan de voorschriften in Aanhangsel I, No. 9 en 10, van de Internationale Bepalingen of aan de voorschriften, genoemd in artikel 5, derde lid. Bij gebruik van boordlichten met afscherming is het bepaalde in Aanhangsel I, No. 5, eerste en tweede volzin, van de Internationale Bepalingen niet van toepassing op binnenschepen met betrekking tot de dofzwarte kleur.
(2). De minimale zichtbaarheid van alle in dit Scheepvaartreglement voorgeschreven lichten moet 2 zeemijlen bedragen.
(3). De krachtens dit Scheepvaartreglement en de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven ballen, kegels, ruiten en cilinders (dagtekens) mogen vervangen worden door inrichtingen die in alle richtingen uit de verte hetzelfde uiterlijk hebben als de voorgeschreven dagtekens.
(4). De krachtens dit Scheepvaartreglement te voeren vlaggen en borden moeten, voor zover niet anders is bepaald, rechthoekig en ten minste 1 meter hoog en 1 meter breed zijn. De kleuren mogen niet verbleekt of vervuild zijn. In plaats van de in dit Scheepvaartreglement voorgeschreven vlaggen mogen ook borden van gelijke grootte, vorm en kleur worden gevoerd. Op schepen met een lengte van minder dan 20 meter mogen vlaggen en borden van kleinere afmeting worden gebruikt die passen bij de afmetingen van het schip.
Artikel 5. Optische tekens van schepen
(1). In afwijking van het bepaalde in No. 2, letter a, cijfer i, van Aanhangsel I van de Internationale Bepalingen behoeft het toplicht ook dan slechts op een minimale hoogte van 6 meter boven de romp te worden gevoerd, indien het schip breder dan 6 meter is.
(2). In afwijking van het bepaalde in Voorschrift 23, letter a, cijfer ii, van de Internationale Bepalingen behoeven binnenschepen met een lengte van meer dan 50 meter, doch van niet meer dan 110 meter binnen de vaargebieden tussen de binnenwaartse grens van het gebied waarop de Overeenkomst betrekking heeft, bij Eems-km 35,785, en het einde van de Geisedam bij Eems-km 48,4 geen tweede toplicht te voeren.
(3). Op binnenschepen mogen betrekking tot het voeren van lichten krachtens dit Reglement en krachtens de Internationale Bepalingen ook navigatielantaarns worden gebruikt die door de bevoegde autoriteiten als heldere lichten, bij gebruik als toplichten als krachtige lichten, krachtens de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorschriften zijn toegelaten.
(4). Binnenschepen behoeven in afwijking van het bepaalde in Aanhangsel I, No. 2, letter a, van de Internationale Bepalingen het voorste toplicht of eventueel het enige toplicht slechts op een hoogte van ten minste 5 meter boven de romp, en het achterste toplicht slechts ten minste 3 meter hoger dan het voorste licht te voeren.
Artikel 6. Optische tekens van kleine schepen
(1). In afwijking van het bepaalde in Voorschrift 25, letter d, van de Internationale Bepalingen dienen zeilboten met een lengte van minder dan 12 meter, alsmede roeiboten, indien zij de krachtens Voorschrift 25, letter a of b, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen voeren, ten minste een wit rondom schijnend licht overeenkomstig het bepaalde in No. 1 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 te voeren.
(2). Schepen, zoals bedoeld in het eerste lid, waarop de hierna voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, alsmede motorschepen met een lengte van minder dan 7 meter waarop de krachtens Voorschrift 23, letters a en c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, mogen in de tijd dat het voeren van de lichten is voorgeschreven, niet varen, tenzij zich een noodsituatie voordoet. In dat geval dient permanent een elektrische lamp of een lantaarn die een wit licht geeft, gereed voor het gebruik te worden meegevoerd en tijdig te worden getoond om een aanvaring te voorkomen.
(3). De bevoegde autoriteit kan wateroppervlakken als anker- en ligplaatsen vaststellen waarop schepen met een lengte van minder dan 12 meter de krachtens Voorschrift 30, letter a, b of c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens niet behoeven te voeren; het bepaalde in Voorschrift 30, letter e, van de Internationale Bepalingen blijft onverminderd van kracht.
Artikel 7. Motorschepen die met behulp van een sleepboot worden voortbewogen
Een manoeuvreerbaar motorschip dat varende is en voorzien is van een gereed voor het gebruik zijnde motor en dat wordt bijgestaan door één of meer sleepboten (assisteren), dient de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens van een alleenvarend motorschip te voeren.
Artikel 8. Schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren
(1). Schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, dienen, behalve de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens, des nachts een rood rondom schijnend licht overeenkomstig het bepaalde in No. 2 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 en overdrag seinvlag „B” uit het Internationale Seinboek te voeren. Deze optische tekens dienen ook te worden gevoerd, indien de schepen ten anker gaan of gemeerd hebben. Het bepaalde in de eerste en de tweede volzin is niet van toepassing op oorlogsschepen.
(2). Het bepaalde in het eerste lid is ook van toepassing op tankschepen die na het lossen van bepaalde gevaarlijke goederen nog niet zijn gereinigd en ontgast, tenzij deze volledig geïnertiseerd zijn.
Artikel 9. Beperkt manoeuvreerbare schepen die in het vaarwater bezig zijn met baggeren of met werkzaamheden onder water
(1). Een beperkt manoeuvreerbaar schip dat in het vaarwater bezig is met baggeren of met werkzaamheden onder water en de in Voorschrift 27, letter d, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens dient te voeren moet de optische tekens overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 27, letter d, cijfer ii, aan beide zijden voeren, indien aan geen van beide zijden een belemmering aanwezig is.
(2). Drijvende onderdelen waarvan door schepen die bezig zijn met baggeren of met werkzaamheden onder water, bij hun werkzaamheden gebruik wordt gemaakt, dienen des nachts een wit rondom schijnend licht en overdag een vierkant rood bord overeenkomstig het bepaalde in No. 3 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 te voeren.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.