Overeenkomst inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Jamaica

Type Verdrag
Publication 1992-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Jamaica, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen,

geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft,

in het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren,

zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze Overeenkomst omvat de term:

Artikel 2
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij stimuleert, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, investeringen op haar grondgebied door onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij door middel van bescherming van dergelijke investeringen. Behoudens haar recht de door haar wetten en voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, laat elke Overeenkomstsluitende Partij dergelijke investeringen toe.

2.

Deze Overeenkomst is van toepassing op alle investeringen, ongeacht of deze voor of na de inwerkingtreding hiervan zijn gedaan.

Artikel 3
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door die onderdanen.

2.

Met name kent elke Overeenkomstsluitende Partij dergelijke investeringen een volledige veiligheid en bescherming toe, die in geen geval minder is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van haar eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdaan.

3.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij onderdanen van een derde Staat bijzondere voordelen heeft toegekend uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van douaneunies, economische unies of soortgelijke instellingen, dan wel op grond van interim-overeenkomsten die tot dergelijke unies of instellingen leiden, is die Overeenkomstsluitende Partij niet verplicht bedoelde voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

4.

Elke Overeenkomstsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met betrekking tot investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

5.

Indien de investeringen door onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij, hetzij krachtens het recht van de andere Overeenkomstsluitende Partij, hetzij op grond van het internationale recht, aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan die waarin deze Overeenkomst voorziet, heeft die behandeling voorrang.

6.

Een bijzonder stimuleringsbeleid van de ene Overeenkomstsluitende Partij uitsluitend jegens haar onderdanen ter bevordering van het doen ontstaan van plaatselijke industrieën wordt verenigbaar met dit artikel geacht, mits het niet in aanzienlijke mate gevolgen heeft voor de investeringen en activiteiten van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij in verband met een investering.

Artikel 4

Met betrekking tot belastingen, heffingen, lasten en verminderingen en vrijstellingen van belasting kent elke Overeenkomstsluitende Partij onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij die zich op haar grondgebied bezighouden met economische activiteiten, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan haar eigen onderdanen of aan die van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst voor de betrokken onderdanen. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met bijzondere belastingvoordelen, door die Partij toegekend:

Artikel 5
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt met betrekking tot op haar grondgebied gedane investeringen de vrije overmaking van:

2.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder onredelijke beperking of vertraging.

3.

Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel is de vrije overmaking afhankelijk van de volgende voorwaarden:

4.

Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt het recht de bepalingen van het eerste en het tweede lid van dit artikel niet toe te passen op het genoemde in het eerste lid, letter f, van dit artikel in geval van uitzonderlijke betalingsbalansproblemen en wanneer het grote bedragen betreft. De uitoefening van dit recht is afhankelijk van de volgende voorwaarden:

Artikel 6

Geen der Overeenkomstsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor direct of indirect aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 7

Aan onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt door laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Overeenkomstsluitende Partij toekent aan haar eigen onderdanen of aan onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 8

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Overeenkomstsluitende Partij krachtens een bij wet ingesteld stelsel zijn verzekerd tegen niet-commerciële risico's, en de verzekeraar of herverzekeraar een betaling doet of ermede instemt een betaling te doen overeenkomstig de voorwaarden van bedoelde verzekering, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar in de rechten van genoemde onderdaan erkend door de andere Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 9
1.

Een geschil tussen de ene Overeenkomstsluitende Partij en een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreffende een investering van laatstgenoemde op het grondgebied van eerstgenoemde wordt indien mogelijk in der minne geschikt.

2.

Indien een dergelijk geschil niet in der minne is geschikt binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop een van beide partijen bij het geschil om een minnelijke schikking heeft verzocht, kan elk van beide partijen gebruik maken van de lokale middelen ter beslechting van dat geschil.

3.

Indien het geschil niet is beslecht binnen een termijn van achttien maanden nadat het is voorgelegd aan een bevoegde instantie ter gebruikmaking van de nationale beslechtingsmiddelen, geeft de Overeenkomstsluitende Partij, ter toepassing van artikel 36 van het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten, opengesteld voor ondertekening te Washington op 18 maart 1965 (het Verdrag), hierbij toestemming het geschil te onderwerpen aan arbitrage uit hoofde van dat artikel.

4.

Geen enkele bepaling van dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat zij de Overeenkomstsluitende Partij en de onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij belet om ermede in te stemmen het geschil op enig tijdstip te onderwerpen aan bemiddeling of arbitrage uit hoofde van artikel 28, onderscheidenlijk artikel 36, van het Verdrag.

5.

Een rechtspersoon die is opgericht overeenkomstig het recht dat van kracht is op het grondgebied van de ene Overeenkomstsluitende Partij en waarvan, voordat een dergelijk geschil ontstaat, een meerderheid van de aandelen eigendom is van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij, wordt in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, letter b, van het Verdrag voor de toepassing van het Verdrag beschouwd als onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

6.

Geen der Overeenkomstsluitende Partijen streeft langs diplomatieke kanalen naar de oplossing van een geschil dat is voorgelegd aan het Internationale Centrum voor de beslechting van investeringsgeschillen (het Centrum), tenzij:

Deze bepaling staat informele diplomatieke stappen, waarmede uitsluitend wordt beoogd de beslechting van het geschil te vergemakkelijken, niet in de weg.

Artikel 10

Ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden is deze Overeenkomst van toepassing op het deel van het Rijk in Europa, de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij in de in artikel 13, eerste lid, bedoelde kennisgeving anders is bepaald.

Artikel 11

Elk van de beide Overeenkomstsluitende Partijen kan de andere Overeenkomstsluitende Partij voorstellen overleg te plegen inzake een aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst. De andere Overeenkomstsluitende Partij besteedt welwillende aandacht aan het voorstel en biedt voldoende gelegenheid voor zulk overleg.

Artikel 12
1.

Enig geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst, dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden geregeld, wordt, tenzij de Partijen anderszins zijn overeengekomen, op verzoek van een van de Partijen voorgelegd aan een uit drie leden bestaand scheidsgerecht. Elke Partij benoemt een scheidsman en de beide aldus benoemde scheidsmannen benoemen te zamen een derde scheidsman, die geen onderdaan is van een der Partijen, tot hun voorzitter.

2.

Indien een van de Partijen nalaat haar scheidsman te benoemen en indien zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Partij binnen twee maanden tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde Partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

3.

Indien de beide scheidsmannen binnen twee maanden na hun benoeming niet tot overeenstemming kunnen geraken over de keuze van een derde scheidsman, kan elk van beide Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

4.

Indien in de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde taak uit te oefenen, of onderdaan is van een van beide Partijen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President verhinderd is genoemde taak uit te oefenen, of onderdaan is van een van beide Partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat het hoogst in anciënniteit is en beschikbaar is en dat geen onderdaan is van een van beide Partijen verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

5.

Het scheidsgerecht doet uitspraak op basis van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht in het geschil een uitspraak ex aequo et bono te doen, indien de Partijen daarmede instemmen.

6.

Tenzij de Partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

7.

Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak bij meerderheid van stemmen. Deze uitspraak is onherroepelijk en bindend voor de Partijen.

Artikel 13

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.