Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Saoedi-Arabië inzake luchtvervoer

Type Verdrag
Publication 1985-06-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Saoedi-Arabië, hierna te noemen „de Overeenkomstsluitende Partijen”;

Partijen bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld;

Geleid door de wens een aanvullende overeenkomst bij dat Verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

Artikel 2. Verlening van rechten

A. Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij de volgende rechten ten behoeve van de door die andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij:

B. Geen van de bepalingen in lid A van dit artikel wordt geacht de luchtvaartmaatschappij van een der Overeenkomstsluitende Partijen het recht te geven tot het opnemen, op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, van passagiers, vracht of post, vervoerd tegen beloning of vergoeding en bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 3. Aanwijzing en vergunning

A. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht, in een schriftelijke mededeling aan de andere Overeenkomstsluitende Partij een luchtvaartmaatschappij aan te wijzen voor het exploiteren van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.

B. Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, onverminderd het bepaalde in de leden C en D van dit artikel, onverwijld de vereiste exploitatievergunningen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij.

C. De luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij kunnen verlangen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te hunnen genoegen aantoont te voldoen aan de eisen voor de exploitatie van internationale luchtdiensten, gesteld bij de wetten en voorschriften die gewoonlijk en redelijkerwijze door deze autoriteiten worden toegepast, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

D. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht de in lid B van dit artikel bedoelde exploitatievergunningen niet te verlenen, of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden aan de uitoefening van het in artikel 2 omschreven recht door een aangewezen luchtvaartmaatschappij, wanneer niet ten genoegen van genoemde Overeenkomstsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het feitelijk toezicht op deze luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen of bij haar onderdanen.

E. Onverminderd het bepaalde in lid C van dit artikel kan de aangewezen luchtvaartmaatschappij aan wie de vergunning is verleend, op elk gewenst tijdstip een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen luchtdiensten waarvoor zij is aangewezen, mits met betrekking tot deze diensten een overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van deze Overeenkomst vastgesteld tarief van kracht is.

F. Ten minste 45 dagen voor de aanvang van de exploitatie van een overeengekomen luchtdienst stelt de aangewezen luchtvaartmaatschappij de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis van de frequentie, de dienstregeling en het type luchtvaartuig. Hetzelfde geldt voor latere wijzigingen.

Artikel 4. Intrekking van vergunning

A. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht een exploitatievergunning in te trekken of de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst omschreven rechten door een luchtvaartmaatschappij die door de andere Overeenkomstsluitende Partij is aangewezen, op te schorten of aan de uitoefening van deze rechten de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden, indien:

B. Het recht tot intrekking of opschorting of tot het stellen van voorwaarden wordt uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting of het onmiddellijk stellen van voorwaarden noodzakelijk is ter voorkoming van verdere inbreuken op wetten en voorschriften of van verder verzuim in de uitoefening van de exploitatie overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij.

Artikel 5. Eerlijke mededinging

A. De door beide Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij wordt op billijke en gelijke wijze in de gelegenheid gesteld de overeengekomen diensten op de omschreven routes tussen hun onderscheiden grondgebieden te exploiteren.

B. Bij de exploitatie van de overeengekomen diensten houdt de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij rekening met de belangen van de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, zodat de diensten die de laatstgenoemde luchtvaartmaatschappij op dezelfde routes of een deel daarvan onderhoudt, niet op onredelijke wijze worden getroffen.

C. De luchtdiensten die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de Overeenkomstsluitende Partij worden onderhouden, dienen nauwkeurig te worden afgestemd op de vervoersbehoefte van het publiek op de omschreven routes en hebben als voornaamste doel het verschaffen, bij een redelijke bezettingsgraad, van capaciteit die beantwoordt aan de huidige en de redelijkerwijze te verwachten behoefte aan vervoer van passagiers, vracht en post tussen het grondgebied van de Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en de landen van uiteindelijke bestemming van het vervoer.

D. In het vervoer van passagiers, vracht en post, zowel opgenomen als afgezet op punten van de omschreven routes op het grondgebied van andere Staten dan de Staat die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, wordt voorzien overeenkomstig de algemene beginselen, volgens welke de capaciteit dient te zijn afgestemd op:

Artikel 6. Toepassing van wetten

A. De wetten, voorschriften en procedures van de ene Overeenkomstsluitende Partij betreffende de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van in de internationale luchtvaart gebruikte luchtvaartuigen of betreffende de exploitatie van en het vliegen met zulke luchtvaartuigen dienen door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij te worden nageleefd bij het binnenkomen in of het verlaten van en gedurende het verblijf binnen het bedoelde grondgebied.

B. De wetten en voorschriften van een Overeenkomstsluitende Partij betreffende de binnenkomst, inklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine worden nageleefd door of namens de bemanningen, passagiers, vracht en post bij het binnenkomen op, of het verlaten van en gedurende het verblijf binnen het grondgebied van deze Overeenkomstsluitende Partij.

C. Passagiers, bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer over het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen, en die niet het voor dit doel gereserveerde gedeelte van de luchthaven verlaten, zijn, behalve ten aanzien van veiligheidsmaatregelen tegen geweld en vliegtuigkaping, onderworpen aan niet meer dan een vereenvoudigde controle. Bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en andere soortgelijke heffingen.

Artikel 7. Uitreiking van bewijzen en vergunningen

A. Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een der Overeenkomstsluitende Partijen zijn uitgereikt of geldig verklaard en die nog van kracht zijn, worden door de andere Overeenkomstsluitende Partij als geldig erkend voor de exploitatie van luchtdiensten op de omschreven routes, mits deze bewijzen of vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard ingevolge en overeenkomstig de op grond van het Verdrag gestelde normen. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor, de erkenning van bewijzen van bevoegdheid en van vergunningen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij aan haar onderdanen zijn uitgereikt, te weigeren voor vluchten boven haar eigen grondgebied.

B. Indien de voorrechten of voorwaarden, verbonden aan de in lid A van dit artikel genoemde vergunningen of bewijzen die door de luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij zijn uitgereikt aan een persoon of een luchtvaartuig, een afwijking van de krachtens het Verdrag vastgestelde normen mochten toestaan en indien deze afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaarorganisatie, kunnen de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken om overleg met de luchtvaartautoriteiten van die Overeenkomstsluitende Partij, ten einde zich ervan te vergewissen of het desbetreffende gebruik voor hen aanvaardbaar is. Indien geen bevredigende overeenstemming bereikt wordt inzake deze aangelegenheden de vliegveiligheid betreffende, vormt zulks een grond voor de toepassing van artikel 4 van deze Overeenkomst.

Artikel 8. Kosten voor gebruik en begunstiging

A. De kosten die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen met betrekking tot de luchtvaartuigen aan een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden berekend voor het gebruik van luchthavens en andere luchtvaartvoorzieningen, mogen niet hoger zijn dan die welke in rekening worden gebracht aan luchtvaartuigen van andere luchtvaartmaatschappijen die soortgelijke internationale luchtdiensten uitvoeren.

B. Geen der Overeenkomstsluitende Partijen mag enige andere luchtvaartmaatschappij begunstigen ten opzichte van een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij bij de toepassing van haar voorschriften inzake douane, immigratie, quarantaine en soortgelijke aangelegenheden of bij het gebruik van luchthavens, luchtwegen en luchtverkeersdiensten en aanverwante voorzieningen waarop zij toezicht uitoefent.

Artikel 9. Douanerechten en belastingen

A. Luchtvaartuigen die door de door een der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappijen op internationale luchtdiensten worden gebruikt, alsmede de zich aan boord daarvan bevindende normale uitrustingsstukken, reservedelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen, en andere voorraden (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen), zijn bij binnenkomst op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere soortgelijke heffingen, op voorwaarde dat deze uitrustingsstukken en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven totdat zij weer worden uitgevoerd.

B. Voorraden motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingsstukken en andere voorraden, ingevoerd op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij door of namens een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij of aan boord genomen van de door deze luchtvaartmaatschappij geëxploiteerde luchtvaartuigen en uitsluitend bestemd voor gebruik tijdens de exploitatie van internationale luchtdiensten, zijn vrijgesteld van alle rechten en heffingen, met inbegrip van douanerechten en inspectiekosten, opgelegd op het grondgebied van de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij, zelfs indien deze voorraden worden gebruikt op delen van de vlucht boven het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij, waar zij aan boord zijn genomen. De hierboven bedoelde goederen kunnen op verzoek onder toezicht of controle van de douane worden gehouden.

C. De normale boorduitrustingsstukken, reservedelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen en andere voorraden, die zich aan boord bevinden van de luchtvaartuigen van een der Overeenkomstsluitende Partijen, kunnen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douane-autoriteiten van die Partij, die kunnen verlangen, dat deze goederen onder hun toezicht worden geplaatst tot het tijdstip waarop zij weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

Artikel 10. Tarieven

A. De tarieven die door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een Overeenkomstsluitende Partij worden geheven voor het vervoer naar of van het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden op een redelijk niveau vastgesteld, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met alle daarvoor in aanmerking komende factoren, daaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, de kenmerkende eigenschappen van de dienst en de tarieven van andere luchtvaartmaatschappijen.

B. De in lid A van dit artikel bedoelde tarieven worden, indien mogelijk, in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Overeenkomstsluitende Partijen in overleg met andere luchtvaartmaatschappijen die de route of een deel daarvan exploiteren. Deze overeenstemming dient, indien mogelijk, te worden bereikt met gebruikmaking van de procedures voor het vaststellen van tarieven van de Internationale Luchtvervoersvereniging.

C. De aldus overeengekomen tarieven worden aan de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen ter goedkeuring voorgelegd ten minste zestig (60) dagen voor de voorgestelde datum van invoering. In bijzondere gevallen kan dit tijdvak worden verkort, indien de genoemde autoriteiten zulks overeenkomen.

D. Indien de aangewezen luchtvaartmaatschappijen niet tot overeenstemming kunnen komen over deze tarieven, of indien door enige andere oorzaak een tarief niet kan worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van lid B van dit artikel, of indien in de loop van de eerste dertig (30) dagen van het tijdvak van zestig (60) dagen, bedoeld in lid C van dit artikel, een der Overeenkomstsluitende Partijen aan de andere Overeenkomstsluitende Partij kennis geeft van haar bezwaar tegen enig tarief, overeengekomen overeenkomstig de bepalingen van lid B van dit artikel, trachten de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen in onderling overleg het tarief vast te stellen.

E. Indien de luchtvaartautoriteiten niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de goedkeuring van een tarief dat hun is voorgelegd overeenkomstig lid C van dit artikel, of omtrent de vaststelling van een tarief volgens lid D, wordt het geschil opgelost overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van deze Overeenkomst.

F. Een tarief wordt niet van kracht indien dit niet door de luchtvaartautoriteiten van de onderscheiden Overeenkomstsluitende Partijen is goedgekeurd overeenkomstig hun nationale voorschriften.

G. De overeenkomstig de bepalingen van dit artikel vastgestelde tarieven blijven van kracht, totdat nieuwe tarieven zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Artikel 11. Inwisseling van valuta en overmaking

Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht van vrije overmaking, in convertibele valuta, van het batig saldo van de ontvangsten en uitgaven, door elke luchtvaartmaatschappij, verkregen tijdens het normale verloop van haar exploitatie.

Deze overmakingen worden regelmatig en zonder verwijl toegestaan en zijn gebaseerd op de gangbare koersen op de markt voor buitenlandse valuta voor lopende betalingen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.