Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake het wederzijds meerekenen van voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten

Type Verdrag
Publication 1983-12-04
State In force
Source BWB
artikelen 9
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg

Overwegende dat:

de richtlijn 68/414/EEG van 20 december 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen de Lid-Staten van de EG ertoe verplicht een minimumvoorraad van 65 dagen ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden en dat, meer inzonderheid, artikel 6 - lid 2 - van deze richtlijn voorziet in het meerekenen van de voorraden gelegen op het grondgebied van een andere Lid-Staat in het kader van bijzondere intergouvernementele overeenkomsten;

de richtlijn 72/425/EEG van 19 december 1972 van de Raad der Europese Gemeenschappen de referentie-periode om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden, van 1 januari 1975 af, op 90 dagen brengt;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze Overeenkomst bepaalde wordt verstaan onder:

„Voorraden”: voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten;

„Voorraadplicht”:

„Nederlandse, onderscheidenlijk Luxemburgse voorraadplichtige”: hij, die onderworpen is aan de Nederlandse, onderscheidenlijk Luxemburgse voorraadplicht.

Artikel II

In Nederland opgeslagen voorraden kunnen in het raam der navolgende bepalingen worden meegerekend door Luxemburgse voorraadplichtigen.

Artikel III

Meerekenbaar zijn:

Artikel IV

§ 1. De aanvrage tot het meerekenen van voorraden, vallende onder Artikel III, sub a), dient door de Luxemburgse voorraadplichtige ten laatste 15 werkdagen voor de aanvang van ieder kalenderkwartaal te worden gericht aan de Luxemburgse Minister welke verantwoordelijk is voor de aardolieprodukten. De aanvrage dient de volgende gegevens te bevatten:

De aanvrager dient, ten genoegen van de Luxemburgse Minister, welke verantwoordelijk is voor de aardolieprodukten, aan te tonen dat hij ten aanzien van de betrokken voorraden beschikkingsbevoegd is en zich te verbinden deze beschikkingsbevoegdheid, tenminste voor de duur van het kalenderkwartaal waarvoor de toestemming wordt aangevraagd te handhaven.

Tevens dient de aanvrager aan te tonen dat, in geval gedurende dit kwartaal een voorzieningscrisis ontstaat, de betrokken voorraden zo nodig ook na afloop van dit kwartaal in de betrokken opslagruimten opgeslagen kunnen blijven.

§ 2. De aanvrage tot het aanhouden en meerekenen van de voorraden vallende onder Artikel III, sub b), dient door de Nederlandse voorraadplichtige ten laatste 15 werkdagen voor de aanvang van ieder kalenderkwartaal te worden ingediend bij de Nederlandse Minister van Economische Zaken en vergezeld te gaan van een aan de Luxemburgse voorraadplichtige gerichte verklaring dat deze voorraden tenminste voor de duur van het kalenderkwartaal waarvoor de toestemming wordt gevraagd ter beschikking van de Luxemburgse voorraadplichtige blijven.

Indien de Luxemburgse voorraadplichtige ten aanzien van de betrokken voorraden niet beschikkingsbevoegd is, dient de aanvrage vergezeld te gaan van een aan de Luxemburgse voorraadplichtige gerichte verklaring dat deze voorraden tenminste voor de duur van het kalenderkwartaal waarvoor toestemming wordt gevraagd voorde Luxemburgse voorraadplichtige gereserveerd blijven.

De aan de Luxemburgse voorraadplichtige gerichte verklaring dient tevens in te houden dat, in geval gedurende dit kwartaal een voorzieningscrisis ontstaat, de betrokken voorraden zonodig ook na afloop van dit kwartaal bij de Nederlandse voorraadplichtige ter beschikking van de Luxemburgse voorraadplichtige blijven, c.q. voor de Luxemburgse voorraadplichtige gereserveerd blijven.

In beide gevallen dient de aanvrage de navolgende gegevens te bevatten:

§ 3. De Nederlandse Minister van Economische Zaken zal toestemming tot het aanhouden van de voorraden verlenen indien hij van oordeel is dat de Nederlandse voorraadplichtige gedurende de gehele periode waarvoor toestemming wordt gevraagd over voldoende voorraden beschikt om:

§ 4. Indien de Nederlandse Minister van Economische Zaken van geen bezwaar is gebleken zendt hij de aanvrage naar de Luxemburgse Minister welke verantwoordelijk is voor de aardolieprodukten. Middels een afschrift stelt hij de Nederlandse voorraadplichtige daarvan in kennis.

Indien de Luxemburgse Minister welke verantwoordelijk is voor de aardolieprodukten van geen bezwaar is gebleken, verleent hij toestemming aan de Luxemburgse voorraadplichtige tot meerekenen van de voorraden.

Bij afwijking van de hoeveelheid tot meerekenen waarvan toestemming wordt verleend, ten opzichte van de hoeveelheid tot aanhouden waarvan de Nederlandse Minister van Economische Zaken toestemming heeft verleend doet hij daarvan onverwijld mededeling aan deze laatste. In dat geval wordt de hoeveelheid tot aanhouden waarvan toestemming is verleend in gelijke mate verminderd.

Artikel V

§ 1. De voorraden, vallende onder Artikel III, sub b) van deze Overenkomst kunnen door Nederlandse voorraadplichtigen niet worden meegerekend om te voldoen aan de op hen rustende voorraadplicht. Deze voorraden mogen ook niet worden opgenomen in de Nederlandse voorraadplicht. Deze voorraden mogen ook niet worden opgenomen in de Nederlandse voorraadopgaven, bestemd voor de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, het Internationaal Energie Agentschap en voor de Europese Gemeenschappen.

§ 2. Deze Overeenkomst laat de bepalingen, voortvloeiend uit de Overeenkomst inzake een Internationaal Energie-programma, opgesteld en ondertekend te Parijs op 18 november 1974, onverlet.

Artikel VI

§ 1. De Luxemburgse Minister welke verantwoordelijk is voor de aardolieprodukten zendt aan de Nederlandse Minister van Economische Zaken zo spoedig mogelijk een afschrift van het document waarin toestemming wordt verleend tot het meerekenen van de voorraden, vallende onder Artikel III, sub a), waarbij tevens de gegevens omschreven in Artikel IV, § 1, worden vermeld.

§ 2. De Nederlandse Minister van Economische Zaken controleert binnen het kader van zijn bevoegdheden, op verzoek van de Luxemburgse Minister, de aanwezigheid van de voorraden, vallende onder Artikel III van deze Overeenkomst.

§ 3. Indien in geval van een voorzieningscrisis blijkt dat, hetzij door overmacht hetzij door nalatigheid, het totaal van de bij de Nederlandse voorraadplichtige aanwezige voorraden zich bevindt beneden het totaal van:

wordt de Luxemburgse Minister daarvan onverwijld in kennis gesteld. Het tekort zal evenredig worden verdeeld over de betrokken voorraadplichtigen.

Artikel VII

De voorraden, welke mogen worden meegerekend voor de Luxemburgse voorraadplicht, kunnen onder alle om omstandigheden vrij naar het Groothertogdom Luxemburg worden afgevoerd. In geval van een voorzieningscrisis kunnen de voorraden die gedurende het kwartaal waarin de voorzieningscrisis is uitgebroken mogen worden meegerekend, ook na dat kwartaal onbeperkt vrij naar het Groothertogdom Luxemburg worden afgevoerd. De afvoer van de voorraden dient tijdens een voorzieningscrisis zo spoedig mogelijk te worden gemeld aan de Nederlandse Minister van Economische Zaken die bevoegd is ter identificatie van de betrokken voorraden nadere regelen te stellen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de vrije afvoer.

Artikel VIII

De bepalingen van de artikelen I tot en met VII zijn van overeenkomstige toepassing voor in het Groothertogdom Luxemburg opgeslagen voorraden die Nederlandse voorraadplichtigen wensen mee te rekenen voor de op hen rustende voorraadplicht.

Artikel IX

Op voorstel van een der Contracterende Partijen kan nopens al wat de interpretatie en de toepassing van dit Akkoord betreft, overleg worden gepleegd. In geval van voorzieningscrisis vindt dergelijk overleg zo spoedig mogelijk plaats.

Artikel X

Indien een van de Overeenkomstsluitende Partijen het wenselijk acht een bepaling van deze Overeenkomst te wijzigen, kan zij de andere Overeenkomstsluitende Partij om overleg verzoeken. Dit overleg vangt aan binnen zestig (60) dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek.

De Overeenkomstsluitende Partijen stemmen schriftelijk in met elke wijziging van de Overeenkomst en die wijziging wordt van kracht zodra de beide Overeenkomstsluitende Partijen elkander hebben medegedeeld dat de voor de inwerkingtreding vereiste grondwettelijke procedures zijn voltooid.

Artikel XI

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst alleen van toepassing op het Rijk in Europa.

Artikel XII

Deze Overeenkomst treedt in werking een maand nadat de Regeringen van de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar hebben medegedeeld, dat in hun onderscheiden landen de grondwettelijke procedures voor de inwerkingtreding der Overeenkomst hebben plaatsgevonden.

Artikel XIII

Deze Overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen kan haar uiterlijk drie maanden voor het einde van enig kalenderjaar opzeggen, in welk geval de Overeenkomst met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar ophoudt van kracht te zijn. Van de mogelijkheid tot opzegging mag geen gebruik worden gemaakt in geval van een crisis in de voorziening De Commissie der Europese Gemeenschappen dient, in ieder geval, vooraf van de opzegging op de hoogte te worden gesteld.

GEDAAN te Luxemburg, 27 januari 1983 in twee exemplaren, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het

Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) A. H. CROIN

Voor de Regering van het

Groothertogdom Luxemburg,

(w.g.) J. BARTHEL

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.