Europees Verdrag inzake de schadeloosstelling van slachtoffers van geweldmisdrijven

Type Verdrag
Publication 1988-02-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die Lid zijn van de Raad van Europa en dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen de Leden van de Raad;

Overwegend dat het om redenen van billijkheid en sociale solidariteit noodzakelijk is een regeling te treffen voor de situatie van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven, die lichamelijk letsel of nadeel voor hun gezondheid hebben ondervonden, en van nabestaanden die ten laste kwamen van personen die tengevolge van dergelijke misdrijven zijn overleden;

Overwegend dat het noodzakelijk is regelingen in te voeren of te ontwikkelen voor de schadeloosstelling van deze slachtoffers door de Staat op het grondgebied waarvan die misdrijven werden gepleegd, met name wanneer de dader niet bekend is of geen financiële middelen bezit;

Overwegend dat het noodzakelijk is op dit gebied minimumbepalingen op te stellen;

Gelet op Resolutie (77)27 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa inzake de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven,

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I. Grondbeginselen

Artikel 1

De Partijen verbinden zich de noodzakelijke maatregelen te nemen om de in Deel I van dit Verdrag opgenomen beginselen uit te voeren.

Artikel 2
1.

Wanneer schadeloosstelling niet volledig uit andere bron kan worden verzekerd, draagt de Staat bij aan de schadeloosstelling:

2.

In de bovenvermelde gevallen wordt schadeloosstelling toegekend zelfs indien de dader niet kan worden vervolgd of gestraft.

Artikel 3

De schadeloosstelling wordt betaald door de Staat op het grondgebied waarvan het misdrijf werd gepleegd:

Artikel 4

De schadeloosstelling omvat, afhankelijk van het desbetreffende geval, ten minste de volgende bestanddelen: verlies van inkomsten, medische kosten, ziekenhuiskosten en begrafeniskosten, alsmede, wat de nabestaanden betreft die ten laste van het slachtoffer kwamen, het verlies van inkomsten ter zake van levensonderhoud.

Artikel 5

In de regeling van schadeloosstelling kan, indien nodig, voor een of meer bestanddelen van de schadeloosstelling een boven- en een benedengrens worden vastgesteld, waarboven en waarbeneden geen schadeloosstelling wordt toegekend.

Artikel 6

In de regeling van schadeloosstelling kan een termijn worden vastgesteld waarbinnen de verzoeken tot schadeloosstelling moeten worden gedaan.

Artikel 7

De schadeloosstelling kan worden verminderd of geweigerd op grond van de financiële situatie van de verzoeker.

Artikel 8
1.

De schadeloosstelling kan worden verminderd of geweigerd op grond van het gedrag van het slachtoffer of de verzoeker vóór, tijdens of na het misdrijf, dan wel met betrekking tot het letsel of het overlijden.

2.

De schadeloosstelling kan eveneens worden verminderd of geweigerd op grond van het feit dat het slachtoffer of de verzoeker betrokken is bij georganiseerde misdaad of lid is van een organisatie die zich bezighoudt met het plegen van geweldmisdrijven.

3.

De schadeloosstelling kan eveneens worden verminderd of geweigerd indien toekenning - al dan niet volledig - in strijd zou zijn met het rechtsgevoel of met de openbare orde („ordre public").

Artikel 9

Ten einde dubbele schadeloosstelling te vermijden, kan de Staat of de bevoegde autoriteit eventuele bedragen die tengevolge van het letsel of het overlijden, van de dader, de sociale zekerheid, een verzekering, of uit welke andere bron ook, zijn ontvangen, van de toegekende schadeloosstelling aftrekken of deze van de degene die schadeloos is gesteld, terugvorderen.

Artikel 10

De Staat of de bevoegde autoriteit kan worden gesubrogeerd in de rechten van degene die schadeloos is gesteld voor het bedrag van de betaalde schadeloosstelling.

Artikel 11

Elke Partij neemt de nodige maatregelen om te verzekeren dat gegevens over de regeling voor eventuele verzoekers beschikbaar zijn.

DEEL II. Internationale samenwerking

Artikel 12

Onder voorbehoud van de toepassing van tussen de Verdragsluitende Staten gesloten bilaterale of multilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand verlenen de bevoegde autoriteiten van elke Partij, op verzoek van de desbetreffende autoriteiten van elke andere Partij, bijstand van de grootst mogelijke omvang in verband met de aangelegenheden waarop dit Verdrag betrekking heeft. Met het oog hierop wijst elke Verdragsluitende Partij een centrale autoriteit aan voor het in ontvangst nemen van verzoeken om dergelijke bijstand en voor het treffen van maatregelen naar aanleiding daarvan, en stelt zij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa hiervan in kennis bij het nederleggen van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 13
1.

Het Europese Comité voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de toepassing van het Verdrag.

2.

Met het oog hierop verstrekt elke Partij aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa alle ter zake dienende gegevens aangaande haar wetgevende bepalingen of regelingen betreffende de aangelegenheden waarop het Verdrag betrekking heeft.

DEEL III. Slotbepalingen

Artikel 14

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa en dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 15
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop drie Lid-Staten van de Raad van Europa hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uiting hebben gebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 14.

2.

Ten aanzien van elke andere Lid-Staat die daarna zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uiting brengt, treedt deze in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 16
1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa elke Staat die geen Lid is van de Raad van Europa uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, bij een besluit, genomen door de in artikel 20(d) van het Statuut van de Raad van Europa voorziene meerderheid, en bij algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen die gerechtigd zijn in het Comité zitting te hebben.

2.

Ten aanzien van elke toetredende Staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 17
1.

Elke Staat kan bij de ondertekening of de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Verdrag van toepassing zal zijn.

2.

Elke Staat kan op elk later tijdstip, door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander, in de verklaring aangewezen grondgebied. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-Generaal.

3.

Elke krachtens de twee voorgaande leden afgelegde verklaring kan, ten aanzien van elk in een dergelijke verklaring aangewezen grondgebied, worden ingetrokken door middel van een kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van zes maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.

Artikel 18
1.

Elke Staat kan bij de ondertekening of de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren een of meer voorbehouden te maken.

2.

Elke Verdragsluitende Partij die een voorbehoud krachtens het vorige lid heeft gemaakt, kan dit geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De intrekking wordt van kracht op de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

3.

Een Partij die een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot een bepaling van dit Verdrag kan niet de toepassing van die bepaling door een andere Partij eisen; indien haar voorbehoud gedeeltelijk of voorwaardelijk is, kan zij evenwel de toepassing van die bepaling eisen voor zo ver zij deze zelf heeft aanvaard.

Artikel 19
1.

Elke Partij kan dit Verdrag op elk ogenblik opzeggen door middel van een kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Een dergelijke opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van zes maanden na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 20

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lid-Staten van de Raad en elke Staat die tot dit Verdrag is toegetreden in kennis van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at Strasbourg, this 24th day of November 1983, in English and French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe and to any State invited to accede to this Convention.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.