Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa

Type Verdrag
Publication 1994-06-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen ten einde onder meer de idealen en beginselen, die hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken;

Erkennend dat het architectonische erfgoed een onvervangbare weergave is van de rijkdom en de verscheidenheid van het culturele erfgoed van Europa, getuigt van de onschatbare waarde van ons verleden en het gemeenschappelijke erfgoed is van alle Europeanen;

Gezien het Europese Culturele Verdrag, dat is ondertekend te Parijs op 19 december 1954, en met name artikel 1 van dit Verdrag;

Gezien het Europese Handvest betreffende het architectonische erfgoed, dat op 26 september 1975 is aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa en de op 14 april 1976 aangenomen Resolutie (76) 28, betreffende de aanpassing van de nationale wetten en voorschriften aan de vereisten van het geïntegreerde behoud van het architectonische erfgoed;

Gezien Aanbeveling 880 (1979) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa betreffende het behoud van het architectonische erfgoed;

Rekening houdend met Aanbeveling nr. R (80) 16 van het Comité van Ministers aan de Lid-Staten betreffende de gespecialiseerde opleiding van architecten, stedebouwkundigen, civielingenieurs en landschapsarchitecten, alsmede de op 1 juli 1981 aangenomen Aanbeveling nr. R (81) 13 van het Comité van Ministers betreffende de te nemen maatregelen ten gunste van enkele uitstervende beroepen in de ambachtelijke sfeer;

Eraan herinnerend dat het van belang is aan de toekomstige generaties een referentiekader op cultureel gebied door te geven, het stads- en plattelandsmilieu te verbeteren en daarbij de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de Staten en regio's te bevorderen;

Bevestigend dat het van belang is overeenstemming te bereiken over de grote lijnen van een gemeenschappelijk beleid dat het behoud en de verbetering van het architectonische erfgoed waarborgt,

Zijn overeengekomen als volgt:

OMSCHRIJVING VAN HET BEGRIP ARCHITECTONISCH ERFGOED

Artikel 1

Voorde toepassing van deze Overeenkomst, wordt het begrip „architectonisch erfgoed” geacht de volgende onroerende goederen te omvatten:

GOEDEREN DIE BESCHERMD DIENEN TE WORDEN

Artikel 2

Ten einde nauwkeurig te bepalen welke monumenten, gebouwen die een architectonische eenheid vormen en waardevolle gebieden beschermd dienen te worden, verplicht iedere Partij zich ertoe een inventarisatie hiervan bij te houden en, ingeval deze goederen worden bedreigd, zo spoedig mogelijk een passende documentatie op te stellen.

WETTELIJKE BESCHERMINGSPROCEDURES

Artikel 3

Iedere Partij verplicht zich ertoe:

Artikel 4

Iedere Partij verplicht zich ertoe:

Artikel 5

Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.

AANVULLENDE MAATREGELEN

Artikel 6

Iedere Partij verplicht zich ertoe:

Artikel 7

Iedere Partij verplicht zich ertoe ervoor te zorgen dat er maatregelen worden genomen ten einde in de directe omgeving van monumenten en binnen de architectonische eenheden van gebouwen alsmede in de waardevolle gebieden het leefmilieu te verbeteren.

Artikel 8

Ten einde de risico's van een achteruitgang van de toestand van het architectonische erfgoed te beperken, verplicht iedere Partij zich ertoe:

STRAFMAATREGELEN

Artikel 9

Iedere Partij verplicht zich ertoe om, voor zover zulks in haar vermogen ligt, ervoor te zorgen dat bij overtredingen van de wetgeving tot bescherming van het architectonische erfgoed, door de bevoegde autoriteit voldoende en passende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen kunnen, in bepaalde gevallen, voor de overtreders de verplichting inhouden een nieuw gebouw dat niet volgens de voorschriften is gebouwd, af te breken, dan wel het beschermde goed in zijn oude staat te herstellen.

BELEID TEN AANZIEN VAN HET BEHOUD VAN HET ARCHITECTONISCHE ERFGOED

Artikel 10

Iedere Partij verplicht zich ertoe een geïntegreerd beleid te voeren dat is gericht op het behoud van het architectonische erfgoed en dat:

Artikel 11

Rekening houdend met de architectonische en historische aard van het erfgoed, verplicht iedere Partij zich tot het bevorderen van:

Artikel 12

Erkennend dat het van belang is dat het publiek in staat wordt gesteld beschermde goederen te bezoeken, verplicht iedere Partij zich ertoe alle maatregelen te nemen opdat de gevolgen van dit openstellen voor het publiek, in het bijzonder de nodige voorzieningen voor het toegankelijk maken, geen aantasting betekenen voor de architectonische en historische aard van deze goederen en omgeving.

Artikel 13

Ten einde de toepassing van dit beleid te vergemakkelijken, verplicht iedere Partij zich ertoe om, binnen haar mogelijkheden op het gebied van beleid en bestuur, een doeltreffende samenwerking te bevorderen tussen de diverse niveaus waarop wordt gewerkt aan het behoud van het architectonische erfgoed, de cultuur, het milieu en de ruimtelijke ordening.

DEELNEMING EN VERENIGINGEN

Artikel 14

Ter ondersteuning van het optreden van de overheid bij het vaststellen, het beschermen, het restaureren, het onderhouden en het beheren van, alsmede het aandacht vragen voor het architectonische erfgoed, verplicht iedere Partij zich ertoe:

INFORMATIE EN OPLEIDING

Artikel 15

Iedere Partij verplicht zich ertoe:

Artikel 16

Iedere Partij verplicht zich ertoe de opleiding te bevorderen in verschillende beroepen en ambachten die betrokken zijn bij het behoud van het architectonische erfgoed.

EUROPESE COÖRDINATIE VAN HET BELEID BETREFFENDE HET BEHOUD VAN HET ARCHITECTONISCHE ERFGOED

Artikel 17

De Partijen verplichten zich ertoe over hun beleid betreffende het behoud van het architectonische erfgoed informatie uit te wisselen omtrent:

Artikel 18

De Partijen verbinden zich ertoe elkaar, waar nodig, wederzijdse technische bijstand te verlenen in de vorm van uitwisseling van ervaringen en deskundigen op het gebied van het behoud van het architectonische erfgoed.

Artikel 19

De Partijen verbinden zich ertoe om, in het kader van de nationale wetgeving ter zake of van de internationale overeenkomsten waardoor zij zijn gebonden, op Europees niveau uitwisselingen te bevorderen van deskundigen op het gebied van het behoud van het architectonische erfgoed, met inbegrip van deskundigen belast met bijscholing op dit gebied.

Artikel 20

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt een door het Comité van Ministers van de Raad van Europa ingevolge artikel 17 van het Statuut van de Raad van Europa ingesteld comité van deskundigen belast met het toezicht op de toepassing van de Overeenkomst en in het bijzonder met:

Artikel 21

De bepalingen van deze Overeenkomst doen geen afbreuk aan de toepassing van specifieke bepalingen die gunstiger zijn voor de bescherming van de goederen bedoeld in artikel 1, en die zijn vervat in

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22
1.

Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa. De Overeenkomst dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop drie Lid-Staten van de Raad van Europa hun instemming aan de Overeenkomst te worden gebonden overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid tot uitdrukking hebben gebracht.

3.

Ten aanzien van iedere Lid-Staat die later zijn instemming tot uitdrukking heeft gebracht door de Overeenkomst te worden gebonden, treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 23
1.

Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen lid van de Raad is, alsmede de Europese Economische Gemeenschap uitnodigen toe te treden tot deze Overeenkomst, wanneer daartoe wordt besloten met de meerderheid van stemmen bedoeld in artikel 20, letter d, van het Statuut van de Raad van Europa of met algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Staten die gerechtigd zijn zitting te hebben in het Comité.

2.

Ten aanzien van iedere toetredende Staat of ten aanzien van de Europese Economische Gemeenschap indien deze toetreedt, treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 24
1.

Iedere Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het gebied of de gebieden aanwijzen waarop deze Overeenkomst van toepassing is.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.