Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven

Type Verdrag
Publication 1993-09-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;

Overtuigd van de noodzaak een gezamenlijk strafrechtelijk beleid te voeren dat is gericht op de bescherming van de maatschappij;

Overwegende dat de bestrijding van de zware criminaliteit, die in toenemende mate een internationaal probleem wordt, het gebruik van moderne en doeltreffende methoden vergt op internationaal niveau;

In de mening dat een van die methoden behelst de daders de opbrengsten van misdrijven te ontnemen;

Overwegende dat voor de verwezenlijking van die doelstelling tevens een goed werkend systeem van internationale samenwerking zal moeten worden opgezet;

zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. GEBRUIKTE TERMEN

Artikel 1. Gebruikte termen

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder

HOOFDSTUK II. OP NATIONAAL NIVEAU TE NEMEN MAATREGELEN

Artikel 2. Maatregelen tot confiscatie
1.

Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen hulpmiddelen en opbrengsten, of voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die opbrengsten, te confisqueren.

2.

Elke Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het eerste lid van dit artikel slechts van toepassing is op de in die verklaring genoemde strafbare feiten of categorieën strafbare feiten.

Artikel 3. Maatregelen tot opsporing en voorlopige maatregelen

Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen om de voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie overeenkomstig artikel 2, eerste lid, te identificeren en op te sporen en elke verhandeling, overdracht of vervreemding van die voorwerpen te voorkomen.

Artikel 4. Bijzondere opsporingsbevoegdheden en -technieken
1.

Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar rechters of andere bevoegde autoriteiten de bevoegdheid toe te kennen te bevelen dat bankdossiers, financiële bescheiden of commerciële dossiers ter beschikking worden gesteld of in beslag worden genomen, ten einde de in de artikelen 2 en 3 bedoelde maatregelen te kunnen uitvoeren. Een Partij kan zich niet beroepen op het bankgeheim als grond om te weigeren te handelen volgens de bepalingen van dit artikel.

2.

Elke Partij overweegt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen bijzondere opsporingstechnieken te gebruiken die het identificeren en opsporen van opbrengsten en het vergaren van desbetreffend bewijsmateriaal vergemakkelijken. Onder deze technieken worden begrepen bevelen tot het controleren van bankrekeningen, observatie, het aftappen van telecommunicatiemiddelen, toegang tot computersystemen en bevelen tot het overleggen van bepaalde bescheiden.

Artikel 5. Rechtsmiddelen

Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de personen die worden getroffen door de in de artikelen 2 en 3 bedoelde maatregelen, beschikken over doeltreffende rechtsmiddelen om hun rechten te beschermen.

Artikel 6. Strafbaarstelling van het witwassen
1.

Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende feiten, indien opzettelijk begaan, strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving:

2.

Voor de uitvoering of toepassing van het eerste lid van dit artikel:

3.

Elke Partij neemt de maatregelen die zij noodzakelijk acht om alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde feiten of enkele daarvan ook strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving in de volgende gevallen, indien de dader:

4.

Elke Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het eerste lid van dit artikel slechts van toepassing is op in die verklaring genoemde basisdelicten of categorieën basisdelicten.

HOOFDSTUK III. INTERNATIONALE SAMENWERKING

AFDELING 1. BEGINSELEN VAN INTERNATIONALE SAMENWERKING

Artikel 7. Algemene beginselen en maatregelen voor internationale samenwerking
1.

De Partijen werken in zo ruim mogelijke mate met elkander samen ten behoeve van onderzoeken en procedures gericht op de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten.

2.

Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen, onder de in dit hoofdstuk vervatte voorwaarden, te voldoen aan verzoeken:

AFDELING 2. RECHTSHULP TEN BEHOEVE VAN ONDERZOEKEN

Artikel 8. Verplichting tot verlening van rechtshulp

De Partijen verlenen elkander de ruimst mogelijke mate van rechtshulp bij het identificeren en opsporen van hulpmiddelen, opbrengsten en andere voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie. Deze rechthulp omvat onder meer elke maatregel betreffende het verschaffen en veilig stellen van bewijs met betrekking tot het bestaan, de vindplaats of verplaatsing, de aard, de juridische status of de waarde van de bovengenoemde voorwerpen.

Artikel 9. Uitvoering van de rechtshulp

De rechtshulp ingevolge artikel 8 wordt uitgevoerd op grond van en in overeenstemming met de nationale wetgeving van de aangezochte Partij en in overeenstemming met de in het verzoek omschreven procedures, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met genoemde nationale wetgeving.

Artikel 10. Uit eigen beweging verstrekte informatie

Zonder afbreuk te doen aan haar eigen onderzoeken of procedures, kan een Partij zonder voorafgaand verzoek aan een andere Partij informatie verstrekken omtrent hulpmiddelen en opbrengsten, wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van die informatie de ontvangende Partij van nut kan zijn voor het instellen of afronden van onderzoeken of procedures, of zou kunnen leiden tot een verzoek van die Partij krachtens dit hoofdstuk.

AFDELING 3. VOORLOPIGE MAATREGELEN

Artikel 11. Verplichting voorlopige maatregelen te nemen
1.

Een Partij neemt op verzoek van een andere Partij die een strafrechtelijke procedure of een procedure tot confiscatie heeft ingesteld, de noodzakelijke voorlopige maatregelen, zoals bevriezing of inbeslagneming, ter voorkoming van de verhandeling, overdracht of vervreemding van voorwerpen die in een later stadium het onderwerp zouden kunnen vormen van een verzoek om confiscatie, of die van dien aard zijn, dat daarmede gevolg zou kunnen worden gegeven aan dat verzoek.

2.

Een Partij die een verzoek om confiscatie heeft ontvangen overeenkomstig artikel 13, neemt, indien daarom wordt verzocht, de in het eerste lid van dit artikel genoemde maatregelen met betrekking tot voorwerpen die het onderwerp vormen van het verzoek, of die van dien aard zijn, dat daarmede gevolg zou kunnen worden gegeven aan het verzoek.

Artikel 12. Uitvoering van voorlopige maatregelen
1.

De in artikel 11 genoemde voorlopige maatregelen worden uitgevoerd op grond van en in overeenstemming met de nationale wetgeving van de aangezochte Partij en in overeenstemming met de in het verzoek omschreven procedures, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met genoemde nationale wetgeving.

2.

Alvorens een uit hoofde van dit artikel genomen voorlopige maatregel op te heffen, stelt de aangezochte Partij, indien mogelijk, de verzoekende Partij in de gelegenheid redenen op te geven om de maatregel te handhaven.

AFDELING 4. CONFISCATIE

Artikel 13. Verplichting tot confiscatie
1.

Een Partij die van een andere Partij een verzoek om confiscatie heeft ontvangen betreffende hulpmiddelen of opbrengsten die zich op haar grondgebied bevinden, moet:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, letter b, van dit artikel is elke Partij, indien noodzakelijk, bevoegd een procedure tot confiscatie in te stellen krachtens haar eigen wetgeving.

3.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing op confiscatie bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de opbrengsten, indien zich op het grondgebied van de aangezochte Partij voorwerpen bevinden waarop de confiscatie ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval ziet de aangezochte Partij, wanneer zij overgaat tot de tenuitvoerlegging van de confiscatie overeenkomstig het eerste lid, erop toe dat de vordering, indien geen betaling wordt verkregen, wordt verhaald op voorwerpen die voor dat doel beschikbaar zijn.

4.

Indien een verzoek om confiscatie betrekking heeft op een bepaald voorwerp, kunnen de Partijen overeenkomen dat de aangezochte Partij kan overgaan tot confiscatie in de vorm van een verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van het voorwerp.

Artikel 14. Tenuitvoerlegging van de confiscatie
1.

De procedures tot verkrijging en tenuitvoerlegging van de confiscatie krachtens artikel 13 worden beheerst door de wetgeving van de aangezochte Partij.

2.

De aangezochte Partij is gebonden aan de vaststelling van de feiten, voor zover deze zijn uiteengezet in een veroordeling of rechterlijke uitspraak van de verzoekende Partij of voor zover deze veroordeling of rechterlijke uitspraak impliciet daarop is gegrond.

3.

Elke Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het tweede lid van dit artikel slechts van toepassing is met inachtneming van haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van haar rechtsstelsel.

4.

Indien de confiscatie bestaat in de verplichting een geldbedrag te betalen, zet de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij dit bedrag om in de munteenheid van die Partij tegen de wisselkoers die geldt op het tijdstip waarop de beslissing om tot confiscatie over te gaan wordt genomen.

5.

In het geval bedoeld in artikel 13, eerste lid, letter a, heeft alleen de verzoekende Partij het recht uitspraak te doen over een verzoek om herziening van de beslissing tot confiscatie.

Artikel 15. Geconfisqueerde voorwerpen

De aangezochte Partij beschikt over de geconfisqueerde voorwerpen in overeenstemming met haar nationale wetgeving, tenzij de Partijen anderszins zijn overeengekomen.

Artikel 16. Recht op tenuitvoerlegging en maximum bedrag van de confiscatie
1.

Een verzoek om confiscatie uit hoofde van artikel 13 laat het recht van de verzoekende Partij om de beslissing tot confiscatie zelf ten uitvoer te leggen onverlet.

2.

Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat daardoor de totale waarde van de geconfisqueerde voorwerpen hoger zou zijn dan het in de beslissing tot confiscatie genoemde bedrag. Indien een Partij vaststelt dat dit zich zou kunnen voordoen, plegen de betrokken Partijen overleg ten einde bedoeld gevolg te vermijden.

Artikel 17. Lijfsdwang

De aangezochte Partij mag geen lijfsdwang of enige andere vrijheid beperkende maatregel opleggen naar aanleiding van een verzoek uit hoofde van artikel 13, indien de verzoekende Partij zulks in het verzoek heeft aangegeven.

AFDELING 5. WEIGERING EN UITSTEL VAN DE SAMENWERKING

Artikel 18. Gronden voor weigering
1.

Samenwerking ingevolge dit hoofdstuk kan worden geweigerd indien:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.