Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven
De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
Overtuigd van de noodzaak een gezamenlijk strafrechtelijk beleid te voeren dat is gericht op de bescherming van de maatschappij;
Overwegende dat de bestrijding van de zware criminaliteit, die in toenemende mate een internationaal probleem wordt, het gebruik van moderne en doeltreffende methoden vergt op internationaal niveau;
In de mening dat een van die methoden behelst de daders de opbrengsten van misdrijven te ontnemen;
Overwegende dat voor de verwezenlijking van die doelstelling tevens een goed werkend systeem van internationale samenwerking zal moeten worden opgezet;
zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. GEBRUIKTE TERMEN
Artikel 1. Gebruikte termen
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder
- a. „opbrengsten”: elk economisch voordeel dat uit strafbare feiten is verkregen. Dit kunnen alle voorwerpen zijn zoals omschreven in dit artikel, letter b;
- b. „voorwerpen”: goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die goederen blijken;
- c. „hulpmiddelen”: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om één of meer strafbare feiten te begaan;
- d. „confiscatie”: een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over voorwerpen;
- e. „basisdelict”: elk strafbaar feit waaruit opbrengsten zijn voortgekomen die het voorwerp kunnen worden van een delict zoals omschreven in artikel 6 van deze Overeenkomst.
HOOFDSTUK II. OP NATIONAAL NIVEAU TE NEMEN MAATREGELEN
Artikel 2. Maatregelen tot confiscatie
Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen hulpmiddelen en opbrengsten, of voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die opbrengsten, te confisqueren.
Elke Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het eerste lid van dit artikel slechts van toepassing is op de in die verklaring genoemde strafbare feiten of categorieën strafbare feiten.
Artikel 3. Maatregelen tot opsporing en voorlopige maatregelen
Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen om de voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie overeenkomstig artikel 2, eerste lid, te identificeren en op te sporen en elke verhandeling, overdracht of vervreemding van die voorwerpen te voorkomen.
Artikel 4. Bijzondere opsporingsbevoegdheden en -technieken
Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar rechters of andere bevoegde autoriteiten de bevoegdheid toe te kennen te bevelen dat bankdossiers, financiële bescheiden of commerciële dossiers ter beschikking worden gesteld of in beslag worden genomen, ten einde de in de artikelen 2 en 3 bedoelde maatregelen te kunnen uitvoeren. Een Partij kan zich niet beroepen op het bankgeheim als grond om te weigeren te handelen volgens de bepalingen van dit artikel.
Elke Partij overweegt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen bijzondere opsporingstechnieken te gebruiken die het identificeren en opsporen van opbrengsten en het vergaren van desbetreffend bewijsmateriaal vergemakkelijken. Onder deze technieken worden begrepen bevelen tot het controleren van bankrekeningen, observatie, het aftappen van telecommunicatiemiddelen, toegang tot computersystemen en bevelen tot het overleggen van bepaalde bescheiden.
Artikel 5. Rechtsmiddelen
Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de personen die worden getroffen door de in de artikelen 2 en 3 bedoelde maatregelen, beschikken over doeltreffende rechtsmiddelen om hun rechten te beschermen.
Artikel 6. Strafbaarstelling van het witwassen
Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om de volgende feiten, indien opzettelijk begaan, strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving:
- a. de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen opbrengsten zijn, met het oogmerk de illegale herkomst van de voorwerpen te verhelen of te verhullen of een persoon die bij het begaan van het basisdelict is betrokken, te helpen te ontkomen aan de wettelijke gevolgen van zijn daden;
- b. het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen opbrengsten zijn; en, met inachtneming van haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van haar rechtsstelsel:
- c. de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van verkrijging, dat deze voorwerpen opbrengsten zijn;
- d. deelneming aan, medeplichtigheid tot, samenspanning tot, poging tot, hulp aan, aanzetten tot, vergemakkelijken van, of het geven van raad met het oog op het begaan van één of meer van de in overeenstemming met dit artikel strafbaar gestelde feiten.
Voor de uitvoering of toepassing van het eerste lid van dit artikel:
- a. doet niet terzake of het basisdelict onder de strafrechtelijke rechtsmacht van de Partij valt;
- b. kan worden bepaald dat de in dat lid genoemde strafbare feiten niet van toepassing zijn op de personen die het basisdelict hebben begaan;
- c. kan medeweten, oogmerk of opzet, vereist als bestanddeel van een in dat lid omschreven strafbaar feit, worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
Elke Partij neemt de maatregelen die zij noodzakelijk acht om alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde feiten of enkele daarvan ook strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving in de volgende gevallen, indien de dader:
- a. had behoren te vermoeden dat de voorwerpen opbrengsten waren;
- b. heeft gehandeld uit winstbejag;
- c. heeft gehandeld met het oogmerk de voortzetting van criminele activiteiten te bevorderen.
Elke Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het eerste lid van dit artikel slechts van toepassing is op in die verklaring genoemde basisdelicten of categorieën basisdelicten.
HOOFDSTUK III. INTERNATIONALE SAMENWERKING
AFDELING 1. BEGINSELEN VAN INTERNATIONALE SAMENWERKING
Artikel 7. Algemene beginselen en maatregelen voor internationale samenwerking
De Partijen werken in zo ruim mogelijke mate met elkander samen ten behoeve van onderzoeken en procedures gericht op de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten.
Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen, onder de in dit hoofdstuk vervatte voorwaarden, te voldoen aan verzoeken:
- a. om confiscatie van bepaalde voorwerpen die hulpmiddelen of opbrengsten zijn, alsmede om confiscatie van opbrengsten, bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de opbrengsten;
- b. om bijstand ten behoeve van onderzoeken en voorlopige maatregelen met het oog op één van de vormen van confiscatie genoemd onder letter a hierboven.
AFDELING 2. RECHTSHULP TEN BEHOEVE VAN ONDERZOEKEN
Artikel 8. Verplichting tot verlening van rechtshulp
De Partijen verlenen elkander de ruimst mogelijke mate van rechtshulp bij het identificeren en opsporen van hulpmiddelen, opbrengsten en andere voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie. Deze rechthulp omvat onder meer elke maatregel betreffende het verschaffen en veilig stellen van bewijs met betrekking tot het bestaan, de vindplaats of verplaatsing, de aard, de juridische status of de waarde van de bovengenoemde voorwerpen.
Artikel 9. Uitvoering van de rechtshulp
De rechtshulp ingevolge artikel 8 wordt uitgevoerd op grond van en in overeenstemming met de nationale wetgeving van de aangezochte Partij en in overeenstemming met de in het verzoek omschreven procedures, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met genoemde nationale wetgeving.
Artikel 10. Uit eigen beweging verstrekte informatie
Zonder afbreuk te doen aan haar eigen onderzoeken of procedures, kan een Partij zonder voorafgaand verzoek aan een andere Partij informatie verstrekken omtrent hulpmiddelen en opbrengsten, wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van die informatie de ontvangende Partij van nut kan zijn voor het instellen of afronden van onderzoeken of procedures, of zou kunnen leiden tot een verzoek van die Partij krachtens dit hoofdstuk.
AFDELING 3. VOORLOPIGE MAATREGELEN
Artikel 11. Verplichting voorlopige maatregelen te nemen
Een Partij neemt op verzoek van een andere Partij die een strafrechtelijke procedure of een procedure tot confiscatie heeft ingesteld, de noodzakelijke voorlopige maatregelen, zoals bevriezing of inbeslagneming, ter voorkoming van de verhandeling, overdracht of vervreemding van voorwerpen die in een later stadium het onderwerp zouden kunnen vormen van een verzoek om confiscatie, of die van dien aard zijn, dat daarmede gevolg zou kunnen worden gegeven aan dat verzoek.
Een Partij die een verzoek om confiscatie heeft ontvangen overeenkomstig artikel 13, neemt, indien daarom wordt verzocht, de in het eerste lid van dit artikel genoemde maatregelen met betrekking tot voorwerpen die het onderwerp vormen van het verzoek, of die van dien aard zijn, dat daarmede gevolg zou kunnen worden gegeven aan het verzoek.
Artikel 12. Uitvoering van voorlopige maatregelen
De in artikel 11 genoemde voorlopige maatregelen worden uitgevoerd op grond van en in overeenstemming met de nationale wetgeving van de aangezochte Partij en in overeenstemming met de in het verzoek omschreven procedures, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met genoemde nationale wetgeving.
Alvorens een uit hoofde van dit artikel genomen voorlopige maatregel op te heffen, stelt de aangezochte Partij, indien mogelijk, de verzoekende Partij in de gelegenheid redenen op te geven om de maatregel te handhaven.
AFDELING 4. CONFISCATIE
Artikel 13. Verplichting tot confiscatie
Een Partij die van een andere Partij een verzoek om confiscatie heeft ontvangen betreffende hulpmiddelen of opbrengsten die zich op haar grondgebied bevinden, moet:
- a. de door een rechter van de verzoekende Partij gegeven beslissing tot confiscatie ten uitvoer leggen met betrekking tot die hulpmiddelen of opbrengsten; of
- b. het verzoek voorleggen aan haar bevoegde autoriteiten, ten einde een beslissing tot confiscatie te verkrijgen, en de beslissing ten uitvoer leggen, indien zij wordt gegeven.
Voor de toepassing van het eerste lid, letter b, van dit artikel is elke Partij, indien noodzakelijk, bevoegd een procedure tot confiscatie in te stellen krachtens haar eigen wetgeving.
De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing op confiscatie bestaande in de verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de opbrengsten, indien zich op het grondgebied van de aangezochte Partij voorwerpen bevinden waarop de confiscatie ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval ziet de aangezochte Partij, wanneer zij overgaat tot de tenuitvoerlegging van de confiscatie overeenkomstig het eerste lid, erop toe dat de vordering, indien geen betaling wordt verkregen, wordt verhaald op voorwerpen die voor dat doel beschikbaar zijn.
Indien een verzoek om confiscatie betrekking heeft op een bepaald voorwerp, kunnen de Partijen overeenkomen dat de aangezochte Partij kan overgaan tot confiscatie in de vorm van een verplichting een geldbedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van het voorwerp.
Artikel 14. Tenuitvoerlegging van de confiscatie
De procedures tot verkrijging en tenuitvoerlegging van de confiscatie krachtens artikel 13 worden beheerst door de wetgeving van de aangezochte Partij.
De aangezochte Partij is gebonden aan de vaststelling van de feiten, voor zover deze zijn uiteengezet in een veroordeling of rechterlijke uitspraak van de verzoekende Partij of voor zover deze veroordeling of rechterlijke uitspraak impliciet daarop is gegrond.
Elke Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat het tweede lid van dit artikel slechts van toepassing is met inachtneming van haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van haar rechtsstelsel.
Indien de confiscatie bestaat in de verplichting een geldbedrag te betalen, zet de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij dit bedrag om in de munteenheid van die Partij tegen de wisselkoers die geldt op het tijdstip waarop de beslissing om tot confiscatie over te gaan wordt genomen.
In het geval bedoeld in artikel 13, eerste lid, letter a, heeft alleen de verzoekende Partij het recht uitspraak te doen over een verzoek om herziening van de beslissing tot confiscatie.
Artikel 15. Geconfisqueerde voorwerpen
De aangezochte Partij beschikt over de geconfisqueerde voorwerpen in overeenstemming met haar nationale wetgeving, tenzij de Partijen anderszins zijn overeengekomen.
Artikel 16. Recht op tenuitvoerlegging en maximum bedrag van de confiscatie
Een verzoek om confiscatie uit hoofde van artikel 13 laat het recht van de verzoekende Partij om de beslissing tot confiscatie zelf ten uitvoer te leggen onverlet.
Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat daardoor de totale waarde van de geconfisqueerde voorwerpen hoger zou zijn dan het in de beslissing tot confiscatie genoemde bedrag. Indien een Partij vaststelt dat dit zich zou kunnen voordoen, plegen de betrokken Partijen overleg ten einde bedoeld gevolg te vermijden.
Artikel 17. Lijfsdwang
De aangezochte Partij mag geen lijfsdwang of enige andere vrijheid beperkende maatregel opleggen naar aanleiding van een verzoek uit hoofde van artikel 13, indien de verzoekende Partij zulks in het verzoek heeft aangegeven.
AFDELING 5. WEIGERING EN UITSTEL VAN DE SAMENWERKING
Artikel 18. Gronden voor weigering
Samenwerking ingevolge dit hoofdstuk kan worden geweigerd indien:
- a. de maatregel waarom wordt verzocht in strijd is met de grondbeginselen van het rechtsstelsel van de aangezochte Partij; of
- b. de uitvoering van het verzoek de soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen van de aangezochte partij zou kunnen schaden; of
- c. naar het oordeel van de aangezochte Partij het belang van de zaak waarop het verzoek betrekking heeft het nemen van de verlangde maatregel niet rechtvaardigt; of
- d. het strafbare feit waarop het verzoek betrekking heeft een politiek of fiscaal delict is; of
- e. de aangezochte Partij van oordeel is dat de ten uitvoerlegging van verlangde maatregel in strijd zou komen met het beginsel „ne bis in idem”; of
- f. het feit waarop het verzoek betrekking heeft niet strafbaar is krachtens de wetgeving van de aangezochte Partij indien het binnen haar rechtsgebied zou zijn begaan. Deze weigeringsgrond geldt echter slechts voor samenwerking uit hoofde van afdeling 2 voor zover de verlangde rechtshulp toepassing van dwangmiddelen inhoudt.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.