Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming

Type Verdrag
Publication 1992-06-15
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk België,

De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

Overwegende dat tijdens de Derde Benelux-Regeringsconferentie, gehouden te Brussel, op 20 en 21 oktober 1975, besloten is dat, in het raam van een actief Benelux-beleid op het gebied van het leefmilieu, het natuurbehoud, het behoud van natuurgebieden en de bescherming van waardevolle landschappen als een concrete doelstelling worden gezien,

Gelet op het door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad op 13 december 1980 uitgebrachte advies,

Hebben besloten te dien einde een Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1
1.

De onderhavige Overeenkomst heeft tot doel het overleg en de samenwerking tussen de drie Regeringen te regelen op het gebied van het behoud, het beheer en het herstel van het natuurlijk milieu en van het landschap.

2.

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

Artikel 2

Om de in artikel 1 neergelegde doelstellingen te verwezenlijken, verbinden de drie Regeringen zich ertoe om op de navolgende gebieden samen te werken:

Artikel 3

Met het oog op een doeltreffende bescherming van hun grensoverschrijdende natuurgebieden en waardevolle landschappen worden door de drie Regeringen de navolgende activiteiten ondernomen of bevorderd:

Artikel 4

Voor de verwezenlijking van de in artikel 2 en 3 genoemde doelstellingen worden door het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie beschikkingen genomen overeenkomstig artikel 18 van het Unieverdrag en rekening houdend met de aan ieder land of deel daarvan eigen omstandigheden. Deze beschikkingen verbinden de drie Regeringen en worden in ieder der drie Staten bekend gemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven.

Artikel 5

De drie Regeringen nemen de nodige maatregelen ter uitvoering van de in artikel 3, punt 3 bedoelde programma's, passen deze toe en passen deze zonodig aan.

Artikel 6

De Overeenkomstsluitende Partijen behouden zich de mogelijkheid voor verdergaande voorzieningen te treffen dan die welke in deze Overeenkomst zijn neergelegd.

Artikel 7
1.

Ieder der drie Regeringen behoudt zich het recht voor om afwijkingen toe te staan van de bepalingen van deze Overeenkomst en van de ter uitvoering daarvan genomen beschikkingen, nadat dienaangaande overeenstemming is bereikt in het Comité van Ministers door middel van een overeenkomstig artikel 4 van deze Overeenkomst genomen beschikking.

2.

In dringende gevallen echter en voor zover hierdoor de doelstellingen van deze Overeenkomst niet worden aangetast, kan elk der Regeringen, in afwachting van de beschikking van het Comité van Ministers, afwijkende maatregelen nemen en toepassen gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden. Van deze voorlopige afwijking wordt via de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie aan de andere Regeringen kennis gegeven.

Artikel 8

Ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, worden de bepalingen van deze Overeenkomst, alsmede de ter uitvoering daarvan door het Comité van Ministers genomen beschikkingen, aangewezen als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van de hoofdstukken III en IV van dat Verdrag.

Artikel 9

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze Overeenkomst alleen voor het Rijk in Europa.

Artikel 10
1.

Deze Overeenkomst zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die de Overeenkomstsluitende Partijen in kennis stelt van de nederlegging van die akten.

2.

Zij treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging.

3.

Zij blijft voor een zelfde tijd van kracht als het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Benelux-overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming, M(81)4 ondertekend te Brussel, op 8 juni 1982 en op 1 oktober 1983 in werking getreden, en artikel 8 van het Unieverdrag,

Overwegende dat tijdens de Derde Benelux-Regeringsconferentie, gehouden te Brussel op 20 en 21 oktober 1975 besloten is dat het overleg en de samenwerking inzake grondwaterwinning in de grensgebieden als een concrete doelstelling moet worden gezien voor een actief Benelux-beleid,

Overwegende dat de Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad op 14 juni 1974 de drie Regeringen een aanbeveling heeft doen toekomen betreffende eventuele schade voor de landbouw, welke door de drinkwaterwinning is veroorzaakt,

Overwegende, dat het in het raam van die doelstelling van belang is de belemmeringen weg te nemen die zich kunnen voordoen ten aanzien van de mogelijkheid tot vaststelling van schade bij grensoverschrijdende gevolgen van grondwateronttrekking in de grensgebieden,

Overwegende, dat daarmede in het bijzonder de belangen zijn gebaat van degenen die voor de vaststelling van hun aanspraken op vergoeding van zodanige schade de op grond van het van toepassing zijnde nationale recht voorgeschreven administratief-rechtelijke of burgerrechtelijke procedures moeten volgen,

Heeft het volgende beslist:

Artikel 1

Ten behoeve van het onderzoek van aanspraken op vergoeding van schade, aan ene zijde van de Belgisch-Nederlandse grens veroorzaakt door grondwaterwinning aan de andere zijde van die grens, wordt een permanente Gemengde Schadecommissie ingesteld, verder te noemen de Commissie.

Artikel 2
1.

Iedere betrokken Regering benoemt in de Commissie drie leden, onder wie een voorzitter en hun plaatsvervangers.

2.

Het voorzitterschap van de Commissie wordt beurtelings en voor een periode van 3 jaren door de delegatiehoofden waargenomen.

3.

De Commissie kan zich desgewenst laten bijstaan door deskundigen.

4.

De Commissie stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 3

Degene die meent schade te ondervinden die wordt veroorzaakt door een grondwateronttrekking aan de andere zijde van de grens, kan zich tot de Commissie wenden met een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek om daarnaar een onderzoek in te stellen.

Artikel 4
1.

De Commissie gaat zo spoedig mogelijk over tot het instellen van een onderzoek.

2.

Indien de Commissie van oordeel is dat aan het verzoek gegevens ontbreken, die voor het onderzoek noodzakelijk zijn en die redelijkerwijs door de verzoeker kunnen worden verschaft, deelt zij dit zo spoedig mogelijk en met redenen omkleed aan verzoeker mede onder het stellen van een termijn binnen welke verzoeker in de gelegenheid is de ontbrekende gegevens te verschaffen.

3.

Bij overschrijding van de in het vorige lid bedoelde termijn wordt het verzoek, behoudens het geval dat de Commissie termen aanwezig ziet voor het stellen van een nadere termijn, afgewezen.

Artikel 5
1.

De Commissie wijst het verzoek eveneens af indien zij binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek van oordeel is dat er geen redelijke grond aanwezig is voor het vermoeden dat er sprake is van schade die wordt veroorzaakt door een grondwateronttrekking aan de andere zijde van de grens. De mededeling aan verzoeker, waarbij diens verzoek wordt afgewezen, geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

2.

Indien daarentegen de Commissie van oordeel is dat er wel redelijke grond is voor zodanig vermoeden deelt zij dit de verzoeker zo spoedig mogelijk mee. De Commissie zet in dat geval haar onderzoek voort, zodra verzoeker zich schriftelijk heeft verbonden de aan dat onderzoek verbonden kosten, voorzover deze bij de Commissie in rekening worden gebracht, te zullen voldoen uit het bij minnelijke regeling of rechterlijk vonnis vast te stellen schadevergoedingsbedrag dat hij zal ontvangen van de onttrekker van grondwater door wiens toedoen de schade is veroorzaakt.

Artikel 6
1.

De Commissie legt haar bevindingen over de grensoverschrijdende gevolgen van grondwaterwinning en over de soort en omvang van de schade neer in een rapport dat aan verzoeker wordt toegezonden.

2.

Indien naar het oordeel van de Commissie sprake is van schade veroorzaakt door een grondwaterwinning aan de andere zijde van de grens, zendt zij haar rapport bovendien toe aan degene door wiens toedoen naar haar oordeel de schade wordt veroorzaakt, alsmede aan de beide Regeringen.

3.

In het geval, bedoeld in het tweede lid, gaat het rapport van de Commissie vergezeld van een ontwerpakkoord ten behoeve van een minnelijke regeling. Dit ontwerp betreft de hoogte van de te vergoeden schade alsmede eventuele maatregelen ter ondervanging, beperking of voorkoming van verdere schade.

Artikel 7
1.

Iedere betrokken Regering stelt de Commissie op haar verzoek de bijstand ter beschikking van de onder haar ressorterende technische of administratieve diensten die bevoegd zijn ten aanzien van de grondwaterwinning op ieders grondgebied.

2.

De in het eerste lid bedoelde diensten stellen de Commissie op haar verzoek de technische gegevens beschikbaar waarover die diensten uit hoofde van hun bemoeienis met de grondwaterwinning de beschikking hebben, voor zover die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor de vaststelling van de gevolgen van de grondwaterwinning en van de omvang van de schade.

Artikel 8

Iedere betrokken Regering verleent de Commissie de bevoegdheid tot het zelf verrichten van onderzoek ter plaatse van de grondwateronttrekking en in het gebied waarover de gevolgen van de grondwaterwinning zich kunnen uitstrekken.

Artikel 9

Iedere betrokken Regering bevordert dat de voor de vergunningverlening bevoegde autoriteit aan vergunningen voor grondwaterwinning, waarvan redelijkerwijs grensoverschrijdende gevolgen zijn te verwachten, het voorschrift verbindt dat de vergunninghouder de nodige waarnemingen van de grondwaterstand op zijn kosten doet verrichten, op dezelfde voet als wanneer de gevolgen zich alleen over het nationale grondgebied zouden uitstrekken.

Artikel 10
1.

Deze Beschikking treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening.

2.

Binnen zes maanden na die datum brengen de beide Regeringen verslag uit aan het Comité van Ministers over de maatregelen die zijn getroffen ter uitvoering van deze Beschikking. Bij dit verslag zal de tekst van de nationale uitvoeringsmaatregelen worden gevoegd.

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Benelux Overeenkomst inzake natuurbehoud en landschapsbescherming, M(81) 4 ondertekend te Brussel op 8 juni 1982 en op 1 oktober 1983 in werking getreden,

Gelet op artikel 8 van het Unieverdrag,

Overwegende dat de regeringen tijdens de Derde Benelux Regeringsconferentie van 20 en 21 oktober 1975 besloten hebben het beleid ten aanzien van het leefmilieu te coördineren,

Heeft het volgende beslist,

Artikel 1

De regeringen van de Beneluxlanden dragen, met het oog op het tegengaan van fauna-vervalsing en de oncontroleerbare ontwikkeling van niet-inheemse diersoorten, er zorg voor dat in ieder partnerland de introductie in de natuur van deze diersoorten wordt verboden, behoudens vergunning van de Ministers, verantwoordelijk voor de bescherming en het beheer van fauna en flora.

Artikel 2

De regeringen van de Beneluxlanden dragen er zorg voor dat de in artikel 1 bedoelde vergunning enkel wordt verleend, nadat een grondig onderzoek heeft plaatsgehad van de weerslag van de introductie in de natuur van bedoelde diersoorten op de inheemse fauna en levensgemeenschappen en een inzicht is verworven in hun verspreidingskansen in aangrenzende gebieden.

Zij dragen er zorg voor dat de introductie in de natuur van niet-inheemse diersoorten geen nadelige invloed heeft op de plaatselijke fauna en flora.

Artikel 3

De regeringen van de Beneluxlanden plegen voorafgaandelijk overleg met betrekking tot het vergunningenbeleid en wisselen de in artikel 2 bedoelde onderzoeksresultaten uit.

Het overleg en de informatie-uitwisseling zoals bedoeld in dit artikel vindt plaats in het kader van de Bijzondere Commissie voor het Leefmilieu, Sectie ‘Natuurbehoud en Landschapsbescherming’.

Artikel 4

a). Deze beschikking treedt op de datum van ondertekening in werking.

b). Binnen zes maanden, te rekenen vanaf die datum, brengen de regeringen verslag uit aan het Comité van Ministers over de maatregelen die zijn getroffen ter uitvoering van onderhavige beschikking. Bij dit verslag zal de tekst van de nationale uitvoeringsmaatregelen worden gevoegd.

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming, M(81)4 ondertekend te Brussel, op 8 juni 1982 en op 1 oktober 1983 in werking getreden en gelet op artikel 8 van het Verdrag,

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.