Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 2 december 1961, zoals herzien te Genève op 10 november 1972, 23 oktober 1978, en 19 maart 1991

Type Verdrag
Publication 1998-04-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Akte:

HOOFDSTUK II. ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

Artikel 2. Hoofdverplichting van de Verdragsluitende Partijen

Elke Verdragsluitende Partij verleent en beschermt de rechten van kwekers.

Artikel 3. Te beschermen geslachten en soorten
1.

[Staten die reeds lid zijn van de Unie] Elke Verdragsluitende Partij die is gebonden door de Akte van 1961/1972 of de Akte van 1978 past de bepalingen van dit Verdrag toe,

2.

[Nieuwe leden van de Unie] Elke Verdragsluitende Partij die niet is gebonden door de Akte van 1961/1972 of de Akte van 1978 past de bepalingen van dit Verdrag toe,

Artikel 4. Nationale behandeling
1.

[Behandeling] Onverminderd de in dit Verdrag genoemde rechten, genieten onderdanen van een Verdragsluitende Partij, alsmede natuurlijke personen die hun woonplaats en rechtspersonen die hun zetel op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij hebben, wat de verlening en bescherming van kwekersrechten betreft, op het grondgebied van elke andere Verdragsluitende Partij dezelfde behandeling als die welke door de wetgeving van die andere Verdragsluitende Partij is toegekend of hierna zal worden toegekend aan haar eigen onderdanen, mits die onderdanen, natuurlijke personen of rechtspersonen de voorwaarden en formaliteiten vervullen die zijn opgelegd aan de onderdanen van de bedoelde andere Verdragsluitende Partij.

2.

[„Onderdanen”] Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder „onderdanen”: wanneer de Verdragsluitende Partij een Staat is, de onderdanen van die Staat en, wanneer de Verdragsluitende Partij een intergouvernementele organisatie is, de onderdanen van de Staten die lid zijn van die organisatie.

HOOFDSTUK III. VOORWAARDEN VOOR HET VERLENEN VAN HET KWEKERSRECHT

Artikel 5. Voorwaarden voor bescherming
1.

[Criteria waaraan dient te worden voldaan] Het kwekersrecht wordt verleend wanneer het ras

is.

2.

[Andere voorwaarden] Het verlenen van het kwekersrecht mag niet afhankelijk worden gesteld van aanvullende of afwijkende voorwaarden, mits het ras wordt aangeduid door een benaming in overeenstemming met de bepalingen van artikel 20, de aanvrager de formaliteiten vervult die zijn bepaald in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij bij de dienst waarvan de aanvraag is ingediend en hij de vereiste rechten heeft betaald.

Artikel 6. Nieuwheid
1.

[Criteria] Het ras wordt als nieuw aangemerkt indien op de datum van indiening van de aanvraag om kwekersrecht geen teeltmateriaal of geoogst materiaal van het ras is verkocht of anderszins ter beschikking is gesteld aan derden, door of met toestemming van de kweker, met het oog op de exploitatie van het ras

2.

[Recentelijk gekweekte rassen] Wanneer een Verdragsluitende Partij dit Verdrag toepast op een plantengeslacht of een plantesoort waarop zij dit Verdrag of een eerdere Akte voorheen niet toepaste, mag zij een recentelijk ontstaan ras dat bestaat op de datum van uitbreiding van de bescherming, beschouwen als voldoend aan de in het eerste lid omschreven voorwaarde van nieuwheid, zelfs wanneer de in dat lid bedoelde verkoop of terbeschikkingstelling aan derden vóór de in dat lid genoemde termijnen plaatsvond.

3.

[„Grondgebied” in bepaalde gevallen] Voor de toepassing van het eerste lid kunnen alle Verdragsluitende Partijen die lidstaat zijn van één en dezelfde intergouvernementele organisatie gezamenlijk handelen, wanneer de regelgeving van die organisatie zulks vereist, om handelingen verricht op de grondgebieden van de lidstaten van die organisatie gelijk te stellen met handelingen verricht op hun eigen grondgebied, waarvan zij, indien zij zulks doen, de Secretaris-Generaal in kennis dienen te stellen.

Artikel 7. Onderscheidbaarheid

Het ras wordt als onderscheidbaar aangemerkt indien het duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaan op het tijdstip van indiening van de aanvraag algemeen bekend is. In het bijzonder wordt de indiening van een aanvraag tot het verlenen van kwekersrecht voor een ander ras of de inschrijving van een ander ras in een officieel rassenregister, in welk land ook, geacht dat andere ras algemene bekendheid te geven vanaf de datum van de aanvraag, mits de aanvraag leidt tot de verlening van kwekersrecht of tot de inschrijving van dat andere ras in het officiële rassenregister, naar gelang het geval.

Artikel 8. Homogeniteit

Het ras wordt als eenvormig aangemerkt indien het, behoudens de variatie die mag worden verwacht van de bijzonderheden die eigen zijn aan de vermeerdering ervan, voldoende eenvormig is wat zijn van belang zijnde eigenschappen betreft.

Artikel 9. Bestendigheid

Het ras wordt als bestendig aangemerkt indien zijn van belang zijnde eigenschappen onveranderd blijven na achtereenvolgende vermeerderingen of, in het geval van een bijzondere vermeerderingscyclus, aan het einde van iedere cyclus.

HOOFDSTUK IV. AANVRAAG TOT VERLENING VAN HET KWEKERSRECHT

Artikel 10. Indiening van aanvragen
1.

[Plaats van eerste aanvraag] De kweker heeft de vrijheid de Verdragsluitende Partij te kiezen bij wiens dienst hij zijn eerste aanvraag tot kwekersrecht wenst in te dienen.

2.

[Tijdstip van latere aanvragen] De kweker kan bij de diensten van andere Verdragsluitende Partijen de verlening van kwekersrechten aanvragen zonder de verlening van kwekersrecht aan hem door de dienst van de Verdragsluitende Partij waarbij de eerste aanvraag werd ingediend af te wachten.

3.

[Onafhankelijkhe id van de bescherming] Geen enkele Verdragsluitende Partij kan de verlening van een kwekersrecht weigeren of de duur daarvan beperken op grond van het feit dat de bescherming van hetzelfde ras niet is aangevraagd, is geweigerd of is vervallen in een andere Staat of intergouvernementele organisatie.

Artikel 11. Recht van voorrang
1.

[Het recht; de termijn] Een kweker die overeenkomstig de voorschriften een aanvraag om de bescherming van een ras heeft ingediend in één van de Verdragsluitende Partijen („de eerste aanvraag”) geniet voor de indiening van een aanvraag tot verlening van kwekersrecht voor hetzelfde ras bij de dienst van een andere Verdragsluitende Partij („de latere aanvraag”) een recht van voorrang gedurende een termijn van twaalf maanden. De termijn begint te lopen vanaf de datum van indiening van de eerste aanvraag. De dag van indiening is niet in deze termijn begrepen.

2.

[Beroep op het recht] Om in aanmerking te komen voor het recht van voorrang moet de kweker zich in de latere aanvraag beroepen op de voorrang van de eerste aanvraag. De dienst waarbij de latere aanvraag is ingediend, kan van de kweker verlangen dat deze binnen een termijn van ten minste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van indiening van de latere aanvraag, een afschrift overlegt van de bescheiden waaruit de eerste aanvraag bestond, voor eensluidend gewaarmerkt door de dienst waarbij die aanvraag werd ingediend, alsmede monsters en bewijsstukken waaruit blijkt dat het ras waarop beide aanvragen betrekking hebben, hetzelfde is.

3.

[Bescheiden en materiaal] De kweker beschikt over een termijn van twee jaar na het verstrijken van de voorrangstermijn of, indien de eerste aanvraag wordt afgewezen of ingetrokken, een passende termijn na die afwijzing of intrekking, waarbinnen hij de dienst van de Verdragsluitende Partij waarbij hij de latere aanvraag heeft ingediend alle nodige inlichtingen, bescheiden of materiaal moet verschaffen die c.q. dat de wetgeving van die Verdragsluitende Partij voorschrijft met het oog op het onderzoek ingevolge artikel 12.

4.

[Feiten die zich voordoen gedurende de voorrangstermijn] Feiten diezich voordoen gedurende de in het eerste lid genoemde termijn, zoals de indiening van een andere aanvraag of de bekendmaking of de exploitatie van het ras waarop de eerste aanvraag betrekking heeft, kunnen geen grond zijn voor afwijzing van de latere aanvraag. Dergelijke feiten kunnen geen rechten van derden doen ontstaan.

Artikel 12. Onderzoek van de aanvraag

Elke beslissing tot verlening van kwekersrecht vereist een onderzoek betreffende het voldoen aan de in de artikelen 5 tot en met 9 genoemde voorwaarden. In de loop van het onderzoek mag de dienst het ras telen of doen telen of andere noodzakelijke proeven uitvoeren of doen uitvoeren, of de resultaten van reeds uitgevoerde teeltproeven of andere proeven in aanmerking nemen. Met het oog op het onderzoek kan de dienst alle benodigde inlichtingen, bescheiden of materiaal van de kweker verlangen.

Artikel 13. Voorlopige bescherming

Elke Verdragsluitende Partij treft maatregelen om de belangen van de kweker veilig te stellen gedurende het tijdvak tussen de indiening of de bekendmaking van de aanvraag tot verlening van kwekersrecht en de verlening van dat recht. Deze maatregelen zijn van zodanige strekking dat de houder van het kwekersrecht ten minste recht heeft op een billijke vergoeding van iedere persoon die gedurende genoemd tijdvak handelingen heeft verricht waarvoor, na verlening van het recht, de toestemming van de kweker, als bedoeld in artikel 14, is vereist. Een Verdragsluitende Partij kan bepalen dat genoemde maatregelen alleen gelden met betrekking tot personen die de kweker uitdrukkelijk in kennis heeft gesteld van de indiening van de aanvraag.

HOOFDSTUK V. DE RECHTEN VAN DE KWEKER

Artikel 14. Omvang van het kwekersrecht
1.

[Handelingen met betrekking tot het teeltmateriaal]

2.

[Handelingen met betrekking tot geoogst materiaal] Behoudens de artikelen 15 en 16 is de toestemming van de kweker vereist voor de onder i tot en met vii van letter a van het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot geoogst materiaal, met inbegrip van hele planten en delen van planten, verkregen door middel van gebruik van teeltmateriaal van het beschermde ras waarvoor geen toestemming is verleend, tenzij de kweker met betrekking tot bedoeld teeltmateriaal een redelijke mogelijkheid tot uitoefening van zijn recht heeft gehad.

3.

[Handelingen met betrekking tot bepaalde produkten] Elke Verdragsluitende Partij kan bepalen dat, behoudens de artikelen 15 en 16, de toestemming van de kweker is vereist voor de in de punten i tot en met vii van letter a van het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot produkten die rechtstreeks zijn vervaardigd uit onder de bepalingen van het tweede lid vallend geoogst materiaal van het beschermde ras door middel van gebruik van bedoeld geoogst materiaal waarvoor geen toestemming is verleend, tenzij de kweker met betrekking tot bedoeld geoogst materiaal een redelijke mogelijkheid tot uitoefening van zijn recht heeft gehad.

4.

[Eventuele extra handelingen] Elke Verdragsluitende Partij kan bepalen dat, behoudens de artikelen 15 en 16, de toestemming van de kweker ook is vereist voor andere handelingen dan die welke zijn genoemd onder i tot en met vii van letter a van het eerste lid.

5.

[Afgeleide rassen en bepaalde andere rassen]

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.