Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart

Type Verdrag
Publication 2011-05-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten-Partijen bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,

Erkennend in het bijzonder dat een ieder recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon, zoals uiteengezet in de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Internationale Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten,

Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme in al zijn vormen, waardoor onschuldigen in gevaar worden gebracht of van het leven worden beroofd, fundamentele vrijheden worden bedreigd en de menselijke waardigheid ernstig wordt aangetast,

Overwegend dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van zeediensten ernstig aantasten en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der zeevaart ondermijnen,

Overwegend dat dergelijke gedragingen de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrusten,

Overtuigd van de dringende behoefte aan de totstandkoming van internationale samenwerking tussen Staten bij de opstelling en het nemen van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van alle wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart, alsmede bij de vervolging en bestraffing van de daders,

In herinnering brengend resolutie 40/61 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1985 die, onder andere, „alle Staten dringend verzoekt om hetzij eenzijdig, hetzij in samenwerking met andere Staten, alsook de desbetreffende organen van de Verenigde Naties, een bijdrage te leveren aan de geleidelijke uitbanning van de oorzaken van het internationale terrorisme en bijzondere aandacht te besteden aan alle omstandigheden - met inbegrip van kolonialisme, racisme en omstandigheden waarin sprake is van massale en flagrante schendingen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede omstandigheden waarin sprake is van een vreemde bezetting - die aanleiding kunnen geven tot internationaal terrorisme en die de internationale vrede en veiligheid in gevaar kunnen brengen”,

Voorts in herinnering brengend dat resolutie 40/61 „alle daden, methoden en praktijken van terrorisme, ongeacht waar en door wie gepleegd of toegepast, met inbegrip van die welke de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en hun veiligheid in gevaar brengen, ondubbelzinnig bestempelt als misdadig”,

Tevens in herinnering brengend dat de Internationale Maritieme Organisatie in resolutie 40/61 was verzocht „het vraagstuk van het terrorisme aan boord van of gericht tegen schepen te bestuderen, teneinde passende maatregelen te kunnen aanbevelen”,

Indachtig resolutie A.584(14) van 20 november 1985 van de Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie, die opriep tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van wederrechtelijke gedragingen die de veiligheid van schepen en die van hun passagiers en bemanningen bedreigen,

Vaststellend dat gedragingen van de bemanning die zijn onderworpen aan de gewone scheepstucht buiten de werkingssfeer van dit Verdrag vallen,

Bevestigend dat het wenselijk is de regels en normen met betrekking tot de voorkoming en bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen schepen en personen aan boord van schepen nauwlettend te volgen, teneinde deze indien nodig te kunnen aanpassen, en in dat kader met voldoening nota nemend van de maatregelen tot voorkoming van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen passagiers en bemanningen aan boord van schepen, aanbevolen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie,

Voorts bevestigend dat aangelegenheden die niet voor dit Verdrag worden geregeld, beheerst blijven door de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht,

Erkennend de noodzaak dat alle Staten bij de bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht strikt naleven,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

2.

Dit Verdrag laat de immuniteiten van oorlogsschepen en andere staatsschepen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt onverlet.

Artikel 3
1.

Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk:

2.

Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die dreigt, al dan niet gepaard gaand met een voorwaarde zoals voorzien in de nationale wetgeving, teneinde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon te dwingen tot het verrichten of zich onthouden van een handeling, een van de in het eerste lid, sub b, c en e omschreven strafbare feiten te plegen, indien door deze dreiging de veilige vaart van het schip in kwestie in gevaar kan worden gebracht.

Artikel 4
1.

Dit Verdrag is van toepassing indien het schip wateren in-, uit- of doorvaart, dan wel volgens het vaarschema zal in-, uit- of doorvaren, welke zijn gelegen buiten de buitengrenzen van de territoriale zee van één Staat, of de zijgrenzen van zijn territoriale zee met aangrenzende Staten.

2.

Ingeval het Verdrag niet van toepassing is op grond van het eerste lid, is het niettemin van toepassing, indien de dader of de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van een andere dan de in het eerste lid bedoelde Staat-Partij.

Artikel 5

Elke Staat-Partij stelt op de in de artikelen 3, 3bis, 3teren 3quater omschreven strafbare feiten passende straffen die rekening houden met de ernst van deze feiten.

Artikel 6
1.

Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten, wanneer het strafbare feit wordt gepleegd:

2.

Een Staat-Partij kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vastleggen, wanneer:

3.

Elke Staat-Partij die rechtsmacht zoals bedoeld in het tweede lid heeft gevestigd, stelt de Secretaris-Generaal daarvan in kennis. Indien een Staat-Partij daarna zijn rechtsmacht ter zake intrekt, stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis.

4.

Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat-Partij die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste en tweede lid van dit artikel.

5.

Dit Verdrag sluit geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit.

Artikel 7
1.

Een Staat-Partij op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, neemt deze, indien hij, ervan overtuigd is dat de omstandigheden zulks wettigen, in overeenstemming met zijn wetgeving, in hechtenis of neemt andere maatregelen ter verzekering van diens aanwezigheid gedurende de tijd die nodig is voor het instellen van strafvervolging of een uitleveringsprocedure.

2.

Deze Staat stelt terstond een voorlopig onderzoek in naar de feiten in overeenstemming me zijn eigen wetgeving.

3.

Een ieder tegen wie de in het eerste lid genoemde maatregelen worden genomen heeft het recht:

4.

De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.

5.

Wanneer een Staat-Partij krachtens dit artikel een persoon in hechtenis heeft genomen, stelt hij de Staten die overeenkomstig artikel 6, eerste lid, hun rechtsmacht hebben vastgelegd, alsmede, wanneer hij dit nodig acht, alle andere belanghebbende Staten, onverwijld in kennis van het feit dat de betrokken persoon in hechtenis is genomen en van de omstandigheden die zijn hechtenis rechtvaardigen. De Staat die het in het tweede lid van dit artikel bedoelde voorlopig onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mede aan genoemde Staten en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

Artikel 8
1.

De kapitein van een schip van een Staat-Partij (de „vlaggenstaat”) kan aan de autoriteiten van een andere Staat-Partij (de „ontvangende Staat”) elke persoon overdragen ten aanzien van wie de kapitein redelijke gronden heeft om aan te nemen dat deze een van de in de artikelen 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbare feiten heeft gepleegd.

2.

De vlaggestaat ziet erop toe dat de kapitein van zijn schip wordt verplicht, wanneer zulks uitvoerbaar is, en indien mogelijk voordat het schip de territoriale zee van de ontvangende Staat invaart met aan boord een persoon die de kapitein voornemens is over te dragen in overeenstemming met het eerste lid, de autoriteiten van de ontvangende Staat in kennis te stellen van zijn voornemen de betrokken persoon over te dragen, alsook van de redenen daarvoor.

3.

De ontvangende Staat aanvaardt de overdracht, tenzij hij gronden heeft om te menen dat het Verdrag niet van toepassing is op de gedragingen die tot de overdracht aanleiding geven, en handelt overeenkomstig de bepalingen van artikel 7. Een weigering een overdracht te aanvaarden gaat vergezeld van een opgave van de redenen voor de weigering.

4.

De vlaggestaat ziet erop toe dat de kapitein van zijn schip wordt verplicht de autoriteiten van de ontvangende Staat het bewijsmateriaal te verstrekken waarover de kapitein beschikt met betrekking tot het beweerde strafbare feit.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.