Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied
De Verdragsluitende Partijen,
Zich ten volle bewust van de economische en sociale waarde van het mariene milieu, met inbegrip van de kustgebieden, van het Caraïbisch gebied,
In het besef van hun verantwoordelijkheid tot bescherming van het mariene milieu van het Caraïbisch gebied ten bate van en ten gebruike door de huidige en de komende generaties,
Erkennend de bijzondere hydrografische en ecologische kenmerken van het gebied en zijn kwetsbaarheid voor verontreiniging,
Voorts erkennend de bedreiging van het mariene milieu, van zijn ecologisch evenwicht, van zijn rijkdommen en van de rechtmatige vormen van gebruik, door verontreiniging en door het ontbreken van voldoende integratie van milieu-aspecten in het ontwikkelingsproces,
Overwegend dat de bescherming van de ecosystemen van het mariene milieu van het Caraïbisch gebied een van hun hoofddoelstellingen is,
Ten volle de noodzaak beseffend tot samenwerking, zowel onderling als met bevoegde internationale organisaties, ten einde een gecoördineerde en alomvattende ontwikkeling, zonder schade voor het milieu, te waarborgen,
Erkennend de wenselijkheid van een ruimere aanvaarding van reeds bestaande internationale overeenkomsten inzake verontreiniging van het mariene milieu,
Gelet echter op het feit dat deze overeenkomsten, ondanks de reeds bereikte vooruitgang, niet alle aspecten van de aantasting van het milieu bestrijken en niet geheel voorzien in de bijzondere behoeften van het Caraïbisch gebied,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1. Verdragsgebied
Dit Verdrag is van toepassing op het Caraïbisch gebied, hierna te noemen „het Verdragsgebied", zoals omschreven in artikel 2, eerste lid.
Behalve zoals anders bepaald in een protocol bij dit Verdrag, omvat het Verdragsgebied niet de binnenwateren van de Verdragsluitende Partijen.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag:
-
- Betekent „het Verdragsgebied” het mariene milieu van de Golf van Mexico, de Caraïbische Zee en de daaraan grenzende gebieden van de Atlantische Oceaan, ten zuiden van 30° noorderbreedte en binnen 200 zeemijl van de Atlantische kust van de in artikel 25 van het Verdrag bedoelde Staten.
-
- Betekent „Organisatie” de instelling, aangewezen voor de uitoefening van de in artikel 15, eerste lid, opgesomde functies.
Artikel 3. Algemene bepalingen
De Verdragsluitende Partijen streven naar het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten, met inbegrip van regionale of subregionale overeenkomsten, ter bescherming van het mariene milieu van het Verdragsgebied. Zulke overeenkomsten dienen verenigbaar te zijn met dit Verdrag en in overeenstemming te zijn met het internationale recht. Afschriften van zulke overeenkomsten worden ter kennis gebracht van de Organisatie en, via de Organisatie, van alle ondertekenaars van en Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag.
Dit Verdrag en de protocollen daarbij worden uitgelegd overeenkomstig het op hun onderwerp betrekking hebbende internationale recht. Niets in dit Verdrag of in de protocollen daarbij wordt geacht afbreuk te doen aan door de Verdragsluitende Partijen krachtens eerder gesloten overeenkomsten op zich genomen verplichtingen.
Dit Verdrag of de protocollen daarbij laten geheel onverlet de huidige of toekomstige aanspraken of de juridische opvattingen van enige Verdragsluitende Partij betreffende de aard en de omvang van de rechtsmacht ter zee.
Artikel 4. Algemene verplichtingen
De Verdragsluitende Partijen nemen afzonderlijk of gezamenlijk alle passende maatregelen in overeenstemming met het internationale recht en overeenkomstig dit Verdrag en de van kracht zijnde protocollen daarbij, waarbij zij partij zijn, ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het Verdragsgebied en ter verzekering van een goed milieubeheer, waarbij zij te dien einde de meest geschikte middelen gebruiken die te hunner beschikking staan, zulks overeenkomstig hun vermogen.
De Verdragsluitende Partijen verzekeren, bij het nemen van de in het eerste lid bedoelde maatregelen, dat de tenuitvoerlegging van deze maatregelen geen verontreiniging van het mariene milieu buiten het Verdragsgebied veroorzaakt.
De Verdragsluitende Partijen werken samen bij het opstellen en aannemen van protocollen of andere overeenkomsten ter vergemakkelijking van de doeltreffende tenuitvoerlegging van dit Verdrag.
De Verdragsluitende Partijen nemen alle passende maatregelen, in overeenstemming met het internationale recht, opdat zij zich doeltreffend kunnen kwijten van de in dit Verdrag en de protocollen daarbij voorgeschreven verplichtingen, en streven ernaar, hun beleid in dit opzicht te harmoniseren.
De Verdragsluitende Partijen werken samen met de bevoegde internationale, regionale en subregionale organisaties met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging van dit Verdrag en de protocollen daarbij. Zij helpen elkander bij de vervulling van hun verplichtingen krachtens dit Verdrag en de protocollen daarbij.
Artikel 5. Verontreiniging door schepen
De Verdragsluitende Partijen nemen alle passende maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het Verdragsgebied, veroorzaakt door lozingen uit schepen en ter verzekering te dien einde van de doeltreffende tenuitvoerlegging van de toepasselijke internationale regels en normen, vastgesteld door de bevoegde internationale organisatie.
Artikel 6. Verontreiniging veroorzaakt door storting
De Verdragsluitende Partijen nemen alle passende maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het Verdragsgebied, veroorzaakt door storting van afval en andere stoffen op zee vanuit schepen, luchtvaartuigen of bouwwerken in zee, en ter verzekering van de doeltreffende tenuitvoerlegging van de toepasselijke internationale regels en normen.
Artikel 7. Verontreiniging vanaf het land
De Verdragsluitende Partijen nemen alle passende maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het Verdragsgebied, veroorzaakt door het zich ontdoen van afval en andere stoffen vanaf de kust of door lozingen afkomstig uit rivieren, riviermondingen, inrichtingen op de kust, rioolafvoeren, of door andere bronnen op hun grondgebied.
Artikel 8. Verontreiniging door werkzaamheden op de zeebodem
De Verdragsluitende Partijen nemen alle passende maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het Verdragsgebied, direct of indirect voortvloeiend uit de exploratie en de exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan.
Artikel 9. Door de lucht overgebrachte verontreiniging
De Verdragsluitende Partijen nemen alle passende maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het Verdragsgebied, voortvloeiend uit uitworp in de atmosfeer ten gevolge van werkzaamheden onder hun rechtsmacht.
Artikel 10. Speciaal beschermde gebieden
De Verdragsluitende Partijen nemen, afzonderlijk of gezamenlijk, alle passende maatregelen tot bescherming en behoud van zeldzame of broze ecosystemen, alsook van het leefmilieu van sterk in aantal teruggelopen, met uitsterving bedreigde of in gevaar zijnde soorten in het Verdragsgebied. Met het oog hierop streven de Verdragsluitende Partijen naar het instellen van beschermde gebieden. De instelling van zulke gebieden laat de rechten van andere Verdragsluitende Partijen en derde Staten onverlet. Daarnaast wisselen de Verdragsluitende Partijen informatie uit omtrent het bestuur en het beheer van zodanige gebieden.
Artikel 11. Samenwerking in noodsituaties
De Verdragsluitende Partijen werken samen bij het nemen van alle noodzakelijke maatregelen voor het optreden in noodsituaties betreffende verontreiniging in het Verdragsgebied, ongeacht de oorzaak van zodanige noodsituaties, en voor het bestrijden, verminderen of wegnemen van de daaruit voortvloeiende verontreiniging of de dreiging van verontreiniging. Hiertoe zullen de Verdragsluitende Partijen afzonderlijk en gezamenlijk rampenplannen opstellen en deze bevorderen ten einde te kunnen optreden bij voorvallen die verontreiniging of de dreiging daarvan in het Verdragsgebied met zich brengen.
Wanneer een Verdragsluitende Partij gevallen ter kennis komen waarin het Verdragsgebied in onmiddellijk gevaar van verontreiniging verkeert of is verontreinigd, stelt zij onmiddellijk andere Staten die naar alle waarschijnlijkheid door zodanige verontreiniging zullen worden getroffen, alsook de bevoegde internationale organisaties, daarvan in kennis. Voorts stelt zij zo spoedig mogelijk, deze andere Staten en bevoegde internationale organisaties in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om de verontreiniging of de dreiging daarvan te verminderen of tot een minimum te beperken.
Artikel 12. Milieu-effect-evaluatie
Als onderdeel van hun beleid inzake milieubeheer verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe technische en andere richtlijnen uit te werken, zodat de planning van hun grote ontwikkelingsprojecten op zodanige wijze geschiedt dat nadelige gevolgen voor het Verdragsgebied worden voorkomen of tot een minimum beperkt.
Elke Verdragsluitende Partij evalueert naar haar vermogen, of verzekert de evaluatie van, de potentiële gevolgen van zodanige projecten voor het mariene milieu, vooral in kustgebieden, opdat passende maatregelen kunnen worden genomen ter voorkoming van aanzienlijke verontreiniging van of aanmerkelijke en schadelijke veranderingen in het Verdragsgebied.
Met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde evaluaties werkt elke Verdragsluitende Partij, op haar verzoek met steun van de Organisatie, procedures uit voor de verspreiding van informatie en kan zij, waar passend, andere Verdragsluitende Partijen die zulks eventueel raakt, uitnodigen met haar te overleggen en commentaar te leveren.
Artikel 13. Wetenschappelijke en technische samenwerking
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe, rechtstreeks en waar passend via de bevoegde internationale en regionale organisaties, samen te werken op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, bewaking en de uitwisseling van gegevens en andere wetenschappelijke informatie die betrekking hebben op de doeleinden van dit Verdrag.
Te dien einde verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe hun programma's voor onderzoek en bewaking met betrekking tot het Verdragsgebied verder te ontwikkelen en te coördineren en, in samenwerking met de bevoegde internationale en regionale organisaties, voor de nodige verbindingen zorg te dragen tussen hun onderzoekscentra en -instellingen ten einde tot vergelijkbare resultaten te komen. Met de verdere bescherming van het Verdragsgebied als doel, trachten de Verdragsluitende Partijen deel te nemen aan internationale regelingen voor onderzoek en bewaking van de verontreiniging.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe, rechtstreeks en waar passend via de bevoegde internationale en regionale organisaties, mede te werken aan het verschaffen aan andere Verdragsluitende Partijen van technische en andere hulp op terreinen die verband houden met verontreiniging en een verantwoord milieubeheer in het Verdragsgebied, daarbij rekening houdend met de bijzondere behoeften van de kleinere landen en territoria die uit eilanden bestaan en zich in ontwikkeling bevinden.
Artikel 14. Aansprakelijkheid en schadevergoeding
De Verdragsluitende Partijen werken samen ten einde passende regels en procedures aan te nemen, die verenigbaar zijn met het internationale recht, op het gebied van aansprakelijkheid voor en vergoeding van schade, voortvloeiend uit verontreiniging van het Verdragsgebied.
Artikel 15. Institutionele regelingen
De Verdragsluitende Partijen wijzen het Milieuprogramma van de Verenigde Naties aan ter vervulling van de onderstaande secretariaatswerkzaamheden:
- (a). het voorbereiden en bijeenroepen van de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen en van de conferenties, bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18;
- (b). het toezenden van de overeenkomstig de artikelen 3, 11 en 22 ontvangen informatie;
- (c). het verrichten van de door de protocollen bij dit Verdrag aan dit Programma opgedragen functies;
- (d). het bestuderen van verzoeken om inlichtingen door en informatie van de Verdragsluitende Partijen en het plegen van overleg met hen inzake kwesties betreffende dit Verdrag, de protocollen en de bijlagen daarbij;
- (e). het coördineren van de tenuitvoerlegging van samenwerkingsactiviteiten, overeengekomen door de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen en de conferenties, bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18;
- (f). het zorg dragen voor de noodzakelijke coördinatie met andere internationale lichamen die door de Verdragsluitende Partijen als bevoegd worden beschouwd.
Iedere Verdragsluitende Partij wijst een bevoegde autoriteit aan om te dienen als communicatiekanaal met de Organisatie voor de doelstellingen van dit Verdrag en de protocollen daarbij.
Artikel 16. Vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen
De Verdragsluitende Partijen komen eenmaal per twee jaar in gewone vergadering bijeen en, op verzoek van de Organisatie of van een Verdragsluitende Partij, op elk ander noodzakelijk geacht tijdstip in buitengewone vergadering, mits zodanige verzoeken door de meerderheid van de Verdragsluitende Partijen worden gesteund.
De vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen hebben tot taak de tenuitvoerlegging van dit Verdrag en de protocollen daarbij voortdurend te toetsen en in het bijzonder:
- (a). periodiek de toestand van het milieu in het Verdragsgebied te evalueren;
- (b). de door de Verdragsluitende Partijen ingevolge artikel 22 overgelegde informatie te bestuderen;
- (c). bijlagen bij dit Verdrag en bij de protocollen daarbij aan te nemen, te toetsen en te wijzigen overeenkomstig artikel 19;
- (d). aanbevelingen te doen inzake de aanneming van nieuwe protocollen of wijzigingen van dit Verdrag of van de protocollen daarbij overeenkomstig de artikelen 17 en 18;
- (e). waar nodig werkgroepen in te stellen ter bestudering van aangelegenheden betreffende dit Verdrag en de protocollen, alsmede de bijlagen daarbij;
- (f). samenwerkingsactiviteiten te overwegen die kunnen worden ondernomen in het kader van dit Verdrag en de protocollen daarbij, met inbegrip van de financiële en institutionele consequenties van zodanige activiteiten, en besluiten daaromtrent te nemen;
- (g). alle andere handelingen te overwegen en te ondernemen, die vereist kunnen zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag en de protocollen daarbij.
Artikel 17. Aanneming van protocollen
Op een conferentie van gevolmachtigden kunnen de Verdragsluitende Partijen ingevolge artikel 4, derde lid, aanvullende protocollen bij dit Verdrag aannemen.
Indien een meerderheid van de Verdragsluitende Partijen zulks verzoekt, roept de Organisatie een conferentie van gevolmachtigden bijeen ter aanneming van aanvullende protocollen bij dit Verdrag.
Artikel 18. Wijziging van het Verdrag en van de protocollen daarbij
Iedere Verdragsluitende Partij kan wijzigingen op dit Verdrag voorstellen. Wijzigingen worden aangenomen door een conferentie van gevolmachtigden, die door de Organisatie wordt bijeengeroepen op verzoek van een meerderheid van de Verdragsluitende Partijen.
Iedere Verdragsluitende Partij bij dit Verdrag kan wijzigingen voorstellen op ieder protocol. Zodanige wijzigingen worden aangenomen door een conferentie van gevolmachtigden, die door de Organisatie wordt bijeengeroepen op verzoek van een meerderheid van de Verdragsluitende Partijen bij het desbetreffende protocol.
De tekst van voorgestelde wijzigingen wordt door de Organisatie aan alle Verdragsluitende Partijen medegedeeld ten minste 90 dagen voor de opening van de conferentie van gevolmachtigden.
Wijzigingen op dit Verdrag worden aangenomen met een drievierde meerderheid van stemmen van de Partijen bij het Verdrag die op de conferentie van gevolmachtigden vertegenwoordigd zijn, en worden door de Depositaris voorgelegd voor aanvaarding door alle Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag. Wijzigingen op een protocol worden aangenomen met drievierde meerderheid van stemmen van de Verdragsluitende Partijen bij het protocol die op een conferentie van gevolmachtigden vertegenwoordigd zijn, en worden door de Depositaris voorgelegd ter aanvaarding door alle Verdragsluitende Partijen bij het protocol.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.