Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zimbabwe inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden

Type Verdrag
Publication 1999-08-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zimbabwe (hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen);

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld; en

Geleid door de wens, in aanvulling op genoemd Verdrag een Overeenkomst te sluiten tot het instellen van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden;

Met het oogmerk de vriendschappelijke contacten tussen de volken van Nederland en Zimbabwe te vergemakkelijken en de wederzijdse betrekkingen tussen de twee landen ten aanzien van de burgerluchtvaart tot verdere ontwikkeling te brengen;

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel I. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

Artikel II. Toepasselijkheid van het Verdrag van Chicago

Voor zover de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn op internationale luchtdiensten, zijn deze bepalingen van toepassing op de luchtdiensten, ingesteld ingevolge deze Overeenkomst.

Artikel III. Verlening van rechten
1.

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de volgende rechten met betrekking tot haar geregelde internationale luchtdiensten:

2.

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst aangegeven rechten met het doel geregelde internationale luchtdiensten in te stellen op de routes omschreven in het desbetreffende deel van de Bijlage bij deze Overeenkomst. Deze diensten en routes worden hierna onderscheidenlijk genoemd „de overeengekomen diensten” en de „omschreven routes”

3.

Bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route geniet(en) de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) naast de in het eerste lid van dit artikel omschreven rechten, het recht op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te landen op de in de Bijlage bij deze Overeenkomst voor die route aangegeven punten voor het afzetten en opnemen van passagiers en vracht, met inbegrip van post.

4.

Geen van de bepalingen van dit artikel wordt geacht de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de ene Overeenkomstsluitende Partij het recht te geven tot het aan boord nemen, op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, van passagiers en vracht, met inbegrip van post, bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel IV. Aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen
1.

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht, in een schriftelijke mededeling, gericht aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het exploiteren van de overeengekomen luchtdiensten op de omschreven routes.

2.

Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, onverwijld en onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel, de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen de vereiste exploitatievergunningen.

3.

De luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij kunnen verlangen dat een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij tot hun genoegen aantoont dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden, gesteld ingevolge de wetten en voorschriften die gewoonlijk en redelijkerwijze door deze autoriteiten op de exploitatie van internationale luchtdiensten worden toegepast overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

4.

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunningen niet te verlenen, of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden aan de uitoefening door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de in artikel III omschreven rechten, in die gevallen waarin niet ten genoegen van deze Overeenkomstsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het feitelijke toezicht op deze luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen of bij haar onderdanen, dan wel bij beiden.

5.

Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid van dit artikel, kan een luchtvaartmaatschappij, wanneer zij op deze wijze is aangewezen en haar een zodanige vergunning is verleend, te allen tijde een aanvang maken met het exploiteren van de overeengekomen luchtdiensten waarvoor zij is aangewezen, mits een overeenkomstig het bepaalde in artikel XI van deze Overeenkomst vastgesteld tarief geldt met betrekking tot deze luchtdiensten.

6.

De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) legt (leggen) uiterlijk 30 dagen voor de aanvang van de exploitatie van een overeengekomen dienst de frequentie, de dienstregeling en het type vliegtuig voor aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Hetzelfde geldt voor latere wijzigingen.

Artikel V. Intrekking of opschorting van een exploitatievergunning
1.

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht een exploitatievergunning in te trekken of de uitoefening van de rechten, omschreven in artikel III van deze Overeenkomst, door een luchtvaartmaatschappij die door de andere Overeenkomstsluitende Partij is aangewezen, op te schorten of aan de uitoefening van deze rechten de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden, indien:

2.

Het recht tot intrekking, opschorting of het stellen van voorwaarden wordt uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting of het onmiddellijk stellen van voorwaarden noodzakelijk is ter voorkoming van verdere inbreuken op de wetten en voorschriften of van verder in gebreke blijven, de exploitatie uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel VI. Beginselen inzake de overeengekomen diensten
1.

Beide Overeenkomstsluitende Partijen verzekeren dat er billijke en gelijke mogelijkheden zullen bestaan met betrekking tot het luchtvervoer dat ingevolge deze Overeenkomst door hun aangewezen luchtvaartmaatschappijen wordt verricht.

2.

Bij de exploitatie van de overeengekomen diensten houdt (houden) de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) rekening met de belangen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Overeenkomstsluitende Partij, zodat de diensten die de laatstgenoemde luchtvaartmaatschappij op dezelfde routes of een deel daarvan onderhoudt, niet op onredelijke wijze worden getroffen.

3.

De luchtdiensten die door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de Overeenkomstsluitende Partijen worden onderhouden, dienen nauwkeurig te worden afgestemd op de vervoersbehoeften van het publiek op de omschreven routes en hebben als voornaamste doel het verschaffen, bij een redelijke bezettingsgraad, van capaciteit die beantwoordt aan de huidige en redelijkerwijze te verwachten behoefte aan vervoer van passagiers, vracht en post, op te nemen of af te zetten op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen.

4.

De in te zetten capaciteit, de frequentie van de te exploiteren diensten en de aard van een luchtdienst via of eindigend op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij worden tussen de luchtvaartautoriteiten van de beide Overeenkomstsluitende Partijen overeengekomen uiterlijk zestig (60) dagen (of een korter tijdvak dat de luchtvaartautoriteiten van beide Overeenkomstsluitende Partijen kunnen overeenkomen) voor de voorgenomen datum voor de aanvang van zulke diensten.

5.

Elke vergroting van de door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een der Overeenkomstsluitende Partijen in te zetten capaciteit of elke verhoging van de frequentie van door deze te exploiteren diensten, wordt tussen de luchtvaartautoriteiten overeengekomen op basis van de geschatte vervoersbehoeften tussen de grondgebieden van de twee Overeenkomstsluitende Partijen en van gezamenlijk overeengekomen en vastgesteld ander vervoer. In afwachting van zulke overeenstemming of regeling, blijven de reeds van kracht zijnde regelingen inzake capaciteit en frequentie geldig.

6.

In het vervoer van passagiers, vracht en post, zowel opgenomen als afgezet op punten van de omschreven routes op het grondgebied van andere Staten dan de Staat die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, wordt voorzien overeenkomstig de algemene beginselen volgens welke de capaciteit dient te zijn afgestemd op:

Artikel VII. Toepassing van wetten en voorschriften
1.

De wetten, voorschriften en procedures van de ene Overeenkomstsluitende Partij betreffende de toelating tot of het vertrek vanaf haar grondgebied van bij de internationale luchtvaart gebruikte luchtvaartuigen of betreffende de exploitatie van en het vliegen met zulke luchtvaartuigen dienen door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij te worden nageleefd bij het binnenkomen in, het verlaten van, alsmede tijdens het verblijf op het bedoelde grondgebied.

2.

De wetten en voorschriften van een der Overeenkomstsluitende Partijen betreffende binnenkomst, inklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine worden nageleefd door of namens de bemanning, passagiers, vracht en post, bij het binnenkomen in, het verlaten van, alsmede tijdens het verblijf op het grondgebied van deze Overeenkomstsluitende Partij.

3.

Passagiers, bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer over het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen, en die niet het voor dit doel gereserveerde gedeelte van de luchthaven verlaten, zijn, behalve ten aanzien van veiligheidsmaatregelen tegen geweld en vliegtuigkaping, onderworpen aan niet meer dan een eenvoudige controle. Bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en andere soortgelijke heffingen.

Artikel VIII. Erkenning van vergunningen en bewijzen
1.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een der Overeenkomstsluitende Partijen zijn uitgereikt of geldig verklaard en die nog van kracht zijn, worden door de andere Overeenkomstsluitende Partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen luchtdiensten op de omschreven routes, mits deze bewijzen of vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard ingevolge en overeenkomstig de opgrond van het Verdrag gestelde normen. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor, de erkenning van bewijzen van bevoegdheid en van vergunningen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij aan haar onderdanen zijn uitgereikt, te weigeren voor vluchten boven haar eigen grondgebied.

2.

Indien de voorrechten of voorwaarden van de in het eerste lid hierboven bedoelde vergunningen of bewijzen, uitgereikt door de luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij aan een persoon of voor een luchtvaartuig, een afwijking mochten toestaan van de krachtens het Verdrag vastgestelde normen, welke afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, kunnen de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken om overleg met de luchtvaartautoriteiten van die Overeenkomstsluitende Partij ten einde zich ervan te overtuigen of het gebruik in kwestie voor hen aanvaardbaar is. Het niet bereiken van een bevredigende overeenstemming omtrent deze aangelegenheden betreffende de veiligheid van de luchtvaart vormt aanleiding voor de toepassing van artikel V van deze Overeenkomst.

Artikel IX. Kosten voor luchtvaartvoorzieningen en luchthavens

De heffingen die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen aan de luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden berekend voor het gebruik van luchthavens en andere luchtvaartvoorzieningen, mogen niet hoger zijn dan die welke in rekening worden gebracht aan luchtvaartuigen van andere luchtvaartmaatschappijen, die soortgelijke internationale luchtdiensten uitvoeren.

Artikel X. Vrijstelling van douanerechten en uitlading van boorduitrustingsstukken
1.

Luchtvaartuigen die door de door een der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappijen op internationale luchtdiensten worden gebruikt, alsmede de zich aan boord daarvan bevindende normale uitrustingsstukken, reservedelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen en andere voorraden (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) zijn bij binnenkomst op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere soortgelijke heffingen, op voorwaarde dat deze uitrustingsstukken en voorraden aan boord van het luchtvaartuig blijven totdat zij weer worden uitgevoerd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.