Verdrag inzake handel met voorkennis

Type Verdrag
Publication 1994-11-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen,

Overwegend dat bepaalde financiële transacties in effecten die worden verhandeld op effectenbeurzen worden verricht door personen die trachten verliezen te vermijden of winsten te behalen door gebruik te maken van vertrouwelijke gegevens waarover zij beschikken, waardoor zij de gelijkheid van kansen tussen investeerders en de geloofwaardigheid van de markt ondermijnen,

Overwegend dat een zodanig gedrag eveneens bedreigend blijkt te zijn voor de economieën van de betrokken Lidstaten en in het bijzonder voor het goede functioneren van de effectenmarkten,

Overwegend dat, gezien de internationalisering van de markten en het gemak van moderne communicatiemiddelen, handelingen van deze aard soms op de markt van een Staat worden uitgevoerd door personen die geen ingezetene van die Staat zijn of die handelen door tussenkomst van personen die geen ingezetene van die Staat zijn,

Overwegend dat de strijd tegen dergelijke praktijken, die in vele Lidstaten reeds in gang is gezet, het noodzakelijk maakt specifieke regelingen vast te stellen die op deze situaties van toepassing zijn en die de coördinatie van inspanningen op internationaal niveau mogelijk maakt,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1
1.

In dit Verdrag wordt onder een ongeoorloofde handeling met voorkennis verstaan een ongeoorloofde handeling verricht door een persoon:

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag:

HOOFDSTUK II. UITWISSELING VAN GEGEVENS

Artikel 2

De Partijen verbinden zich ertoe, in overeenstemming met de bepalingen van dit hoofdstuk, elkaar de grootst mogelijke mate van wederzijdse bijstand te verlenen bij het uitwisselen van gegevens die verband houden met feiten die duidelijk maken of het vermoeden doen rijzen dat ongeoorloofde handelingen met voorkennis zijn verricht.

Artikel 3

Elke Partij kan zich er, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, toe verbinden andere Partijen, onder de voorwaarde van wederkerigheid, de grootst mogelijke mate van wederzijdse bijstand te verlenen bij de uitwisseling van gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van toezicht op handelingen die zijn verricht op de gereglementeerde effectenbeurzen die afbreuk zouden kunnen doen aan de gelijkheid van toegang tot gegevens voor alle gebruikers van de effectenmarkt of aan de kwaliteit van de gegevens die aan investeerders worden verstrekt, ten einde te verzekeren dat op eerlijke wijze wordt gehandeld.

Artikel 4
1.

Elke Partij wijst één of meer autoriteiten aan als feitelijk verantwoordelijk voor het indienen van verzoeken om bijstand, en voor het ontvangen van en uitvoering geven aan verzoeken om bijstand van de door elke Partij aangewezen overeenkomstige autoriteiten.

2.

Elke Partij geeft, in een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de naam en het adres op van de autoriteit of autoriteiten die in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel zijn aangewezen, alsmede alle hierop betrekking hebbende wijzigingen.

3.

De Secretaris-Generaal doet van deze verklaringen mededeling aan de andere Partijen.

Artikel 5
1.

Ieder verzoek om bijstand dient met redenen te zijn omkleed.

2.

Het verzoek bevat een omschrijving van de feiten die duidelijk maken danwel het vermoeden doen rijzen dat ongeoorloofde handelingen met voorkennis zijn verricht of bevat, indien om bijstand wordt verzocht overeenkomstig de voorschriften die met toepassing van artikel 3 door de Partijen zijn vastgesteld, een verwijzing naar de in dat artikel genoemde beginselen die zijn geschonden.

3.

Het verzoek dient een verwijzing te bevatten naar de bepalingen krachtens welke de handelingen ongeoorloofd zijn in de Staat van de verzoekende autoriteit.

4.

Het verzoek dient te zijn gesteld of vertaald in één van de officiële talen van de Staat van de aangezochte autoriteit, of in één van de officiële talen van de Raad van Europa.

5.

In het verzoek worden genoemd:

Artikel 6
1.

Verzoeken om bijstand worden door de aangezochte autoriteit uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften en procedures voorzien in de wet van de Partij waaronder die autoriteit valt.

2.

Indien noodzakelijk voor het verkrijgen van gegevens, en bij het ontbreken van specifieke bepalingen, moeten de voorschriften van de nationale wet voor het verkrijgen van bewijs kunnen worden toegepast door of namens de aangezochte autoriteit. Sancties voor schending van het beroepsgeheim zijn niet van toepassing ten aanzien van gegevens die moeten worden verstrekt in de loop van onderzoeken.

3.

Deze bepalingen laten de rechten onverlet, die aan de verdachte ingevolge de nationale wet zijn toegekend.

4.

Behalve voor zover strikt noodzakelijk voor de uitvoering van het verzoek, zijn de aangezochte autoriteit en de personen die belast zijn met de inwinning van de gevraagde gegevens, verplicht tot geheimhouding ten aanzien van het verzoek, de inhoud van het verzoek en de gegevens die in het kader van het verzoek worden verzameld.

5.

Op het tijdstip van de aanwijzing van de autoriteit zoals voorzien in artikel 4, geeft elke Partij echter aan welke uitzonderingen op het in het vierde lid van dit artikel beschreven beginsel ingevolge haar nationale wet kunnen worden opgelegd of toegestaan ter zake van:

Artikel 7
1.

De verzoekende autoriteit mag de aan haar verstrekte gegevens niet voor andere dan in haar verzoek genoemde doeleinden gebruiken.

2.

De aangezochte autoriteit kan weigeren de gevraagde gegevens te verstrekken of kan zich na verstrekking ervan verzetten tegen het gebruik ervan voor de in het verzoek genoemde doeleinden, dan wel bepaalde voorwaarden daaraan verbinden, tenzij:

3.

Indien de verzoekende autoriteit de verstrekte gegevens wenst te gebruiken voor andere dan de in het aanvankelijke verzoek genoemde doeleinden, moet zij de aangezochte autoriteit daarvan vooraf in kennis stellen. Deze kan weigeren met zodanig gebruik in te stemmen tenzij wordt voldaan aan de hierboven in het tweede lid gestelde voorwaarden.

4.

De verstrekte gegevens mogen uitsluitend voor een strafrechter worden gebruikt in gevallen waarin zij zouden kunnen zijn verkregen volgens de bepalingen van Hoofdstuk III.

5.

Geen enkele autoriteit van de verzoekende Partij mag deze gegevens gebruiken of doorgeven voor belasting- of douanedoeleinden of ten behoeve van toezicht op de naleving van deviezenwetten tenzij anderszins is bepaald in een verklaring van de aangezochte Partij.

Artikel 8

De aangezochte Partij kan weigeren om gehoor te geven aan het verzoek om bijstand of om de door haar verzamelde gegevens te verstrekken, indien:

Artikel 9

Voor zover dit in haar vermogen ligt verstrekt de aangezochte autoriteit de door de verzoekende autoriteit gevraagde gegevens, in de door die autoriteit gewenste vorm of in de vorm die in hun onderlinge betrekkingen gebruikelijk is.

Artikel 10
1.

Elke Partij die zich ervan heeft vergewist dat de verzoekende Partij de vertrouwelijkheid van de verstrekte gegevens ernstig heeft geschonden, kan de toepassing van Hoofdstuk II van dit Verdrag opschorten ten aanzien van de Partij die haar verplichting niet is nagekomen. Eerstbedoelde Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis van die beslissing. Zij kan de opschorting te allen tijde opheffen. Van de opheffing stelt zij de Secretaris-Generaal in kennis.

2.

Elke Partij die voornemens is gebruik te maken van de in het eerste lid voorziene procedure moet de betrokken Partij eerst in de gelegenheid stellen haar eigen visie te geven op de vermeende schending van de vertrouwelijkheid.

3.

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lidstaten en de Partijen bij dit Verdrag in kennis van ieder geval van gebruikmaking van de in het eerste lid voorziene procedure.

Artikel 11

De Partijen kunnen overeenkomen dat, in afwijking van het bepaalde in het vierde lid van artikel 5, verzoeken om bijstand en antwoorden daarop mogen worden gesteld in de taal van hun keuze en kunnen worden gedaan volgens vereenvoudigde procedures of met behulp van andere dan schriftelijke communicatiemiddelen.

HOOFDSTUK III. WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN

Artikel 12
1.

De Partijen verbinden zich ertoe elkaar in zo ruim mogelijke mate wederzijds rechtshulp te verlenen in strafzaken betreffende strafbare feiten die verband houden met handel met voorkennis.

2.

Niets in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat de toepassing van het Europees Verdrag aangaande de Wederzijdse Rechtshulp in Strafzaken en het Aanvullende Protocol tussen Staten die partij zijn bij die akten, dan wel de toepassing van specifieke overeenkomsten of regelingen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken die van kracht zijn tussen Partijen, beperkt wordt of dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

HOOFDSTUK IV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lidstaten van de Raad van Europa. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 14
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop drie Lidstaten van de Raad van Europa in overeenstemming met de bepalingen van artikel 13 hun instemming zich gebonden te achten door dit Verdrag tot uitdrukking hebben gebracht.

2.

Ten aanzien van iedere Lidstaat die later zijn instemming zich gebonden te achten door dit Verdrag tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 15
1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen lid van de Raad van Europa is en iedere internationale intergouvernementele organisatie uitnodigen toe te treden tot dit Verdrag door een besluit daartoe bij de meerderheid van stemmen, zoals voorzien in artikel 20, letter d, van het Statuut van de Raad van Europa, en bij unanimiteit van de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten gerechtigd zitting te hebben in het Comité.

2.

Ten aanzien van iedere toetredende Staat of internationale intergouvernementele organisatie treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 16
1.

Elke Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het gebied of de gebieden aanwijzen waarop dit Verdrag van toepassing is.

2.

Elke Staat kan te allen tijde daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangewezen gebied. Ten aanzien van dit gebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-Generaal.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.