Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens

Type Verdrag
Publication 1993-12-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, gebaseerd in het bijzonder op de eerbiediging van de heerschappij van het recht, alsmede van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

Overwegende dat het wenselijk is de bescherming van ieders rechten en fundamentele vrijheden, en in het bijzonder het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, uit te breiden gezien de toeneming van het grensoverschrijdende verkeer van langs geautomatiseerde weg verwerkte persoonsgegevens;

Opnieuw bevestigend te zelfder tijd hun stellingname ten gunste van de vrijheid van informatie, zonder hierbij acht te slaan op grenzen;

Erkennende dat het noodzakelijk is de fundamentele waarde van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en die van het vrije verkeer van informatie tussen de volkeren met elkaar in overeenstemming te brengen;

Zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Onderwerp en doel

Dit Verdrag heeft tot doel op het grondgebied van elke Partij aan iedere natuurlijke persoon, ongeacht zijn nationaliteit of verblijfplaats, de eerbiediging van zijn rechten en fundamentele vrijheden te waarborgen en met name zijn recht op persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende persoonsgegevens („gegevensbescherming”).

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 3. Werkingssfeer
1.

De Partijen verbinden zich dit Verdrag toe te passen op de geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens en op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in de openbare en particuliere sector.

2.

Elke Staat kan bij de ondertekening of de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of op elk later tijdstip, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa kenbaar maken dat:

3.

Elke Staat die de werkingssfeer van dit Verdrag door middel van een van de in het tweede lid, letter b of c, hierboven bedoelde verklaringen heeft uitgebreid, kan in deze verklaring aangeven dat de uitbreidingen slechts van toepassing zijn op bepaalde categorieën bestanden van persoonsgegevens waarvan een lijst wordt overgelegd.

4.

Een Partij die bepaalde categorieën geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens door middel van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, letter a, hierboven heeft uitgesloten, kan niet van een Partij die deze niet heeft uitgesloten, verlangen dat laatstgenoemde Partij dit Verdrag op zodanige categorieën toepast.

5.

Evenmin kan een Partij die niet tot één der uitbreidingen bedoeld in het tweede lid, letters b en c, van dit artikel is overgegaan van een Partij die wel tot uitbreiding is overgegaan, verlangen dat deze op die punten dit Verdrag zal toepassen.

6.

De verklaringen bedoeld in het tweede lid van dit artikel worden van kracht op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de Staat die deze heeft ingediend, indien deze Staat die verklaringen heeft ingediend bij ondertekening of bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, dan wel drie maanden na ontvangst hiervan door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, indien zij op een later tijdstip zijn ingediend. Deze verklaringen kunnen geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De intrekking wordt van kracht drie maanden na de datum van ontvangst van een zodanige kennisgeving.

HOOFDSTUK II. GRONDBEGINSELEN VAN GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 4. Verplichtingen van Partijen
1.

Elke Partij treft in zijn interne recht de noodzakelijke maatregelen om uitvoering te geven aan de grondbeginselen van gegevensbescherming, vervat in dit hoofdstuk.

2.

Deze maatregelen dienen te zijn getroffen uiterlijk op het tijdstip waarop dit Verdrag ten aanzien van die Partij in werking treedt.

Artikel 5. Hoedanigheid van de gegevens

Persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, dienen:

Artikel 6. Bijzondere categorieën gegevens

Persoonsgegevens waaruit ras, politieke overtuiging, godsdienstige of andere levensbeschouwing blijkt, alsmede die welke betrekking hebben op gezondheid of seksueel gedrag, mogen niet langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, tenzij het interne recht passende waarborgen ter zake biedt. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen.

Artikel 7. Beveiliging van gegevens

Er dienen passende beveiligingsmaatregelen te worden getroffen om persoonsgegevens opgeslagen in geautomatiseerde bestanden te beschermen tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, toevallig verlies en ongeoorloofde toegang, wijziging of verspreiding.

Artikel 8. Bijkomende waarborgen voor de betrokkene

Een ieder dient in staat te worden gesteld:

Artikel 9. Uitzonderingen en beperkingen
1.

Op het in de artikelen 5, 6 en 8 van dit Verdrag bepaalde is geen uitzondering toegestaan, tenzij binnen de in dit artikel gestelde grenzen.

2.

Van het in de

artikelen 5, 6 en 8 van dit Verdrag bepaalde kan worden afgeweken, indien de wet van de Partij in een dergelijke afwijking voorziet en het hier een maatregel betreft die in een democratische samenleving noodzakelijk is ten behoeve van:

3.

Aan de uitoefening van de in letters b, c en d van artikel 8 opgesomde rechten mogen bij de wet beperkingen worden gesteld wat betreft geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens die worden gebruikt voor statistiek of voor wetenschappelijk onderzoek, indien er kennelijk geen risico bestaat dat inbreuk zal worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen.

Artikel 10. Sancties en rechtsmiddelen

Elke Partij verbindt zich passende sancties en rechtsmiddelen in te stellen ter zake van schending van bepalingen van het interne recht waarmede uitvoering wordt gegeven aan de grondbeginselen van gegevensbescherming, vervat in dit hoofdstuk.

Artikel 11. Verdergaande bescherming

Geen der bepalingen van dit hoofdstuk mag worden uitgelegd in de zin van een beperking of aantasting van de bevoegdheid van iedere Partij om aan betrokkenen een verdergaande bescherming te bieden dan bij dit Verdrag is bepaald.

HOOFDSTUK III. GRENSOVERSCHRIJDEND VERKEER VAN GEGEVENS

Artikel 12. Grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens en intern recht
1.

De volgende bepalingen gelden voor het overbrengen over de landsgrenzen, met welk middel dan ook, van persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt of die zijn verzameld met het doel deze een zodanige verwerking te doen ondergaan.

2.

Een Partij mag niet louter om wille van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer het grensoverschrijdende verkeer van persoonsgegevens van haar grondgebied naar dat van een andere Partij verbieden of aan een speciale vergunning onderwerpen.

3.

Niettemin mag een Partij van het bepaalde in het tweede lid afwijken:

HOOFDSTUK IV. WEDERZIJDSE HULP

Artikel 13. Samenwerking tussen de Partijen
1.

De Partijen verbinden zich elkaar ter uitvoering van dit Verdrag onderling hulp te verlenen.

2.

Te dien einde:

3.

Een door een Partij aangewezen instantie zal op verzoek van een door een andere Partij aangewezen instantie:

Artikel 14. Hulp aan in het buitenland verblijf houdende betrokkenen
1.

Elke Partij verleent hulp aan iedere in het buitenland verblijf houdende persoon waar het de uitoefening betreft van de rechten vervat in zijn interne recht, ter uitvoering van de in artikel 8 van dit Verdrag nedergelegde grondbeginselen.

2.

Indien zulk een persoon op het grondgebied van een andere Partij verblijf houdt, kan hij desgewenst zijn verzoek indienen door tussenkomst van de door die Partij aangewezen instantie.

3.

Het verzoek om hulp dient alle nodige informatie te bevatten met betrekking tot in het bijzonder:

Artikel 15. Waarborgen omtrent hulp verleend door aangewezen instanties
1.

Een door een Partij aangewezen instantie die van een door een andere Partij aangewezen instantie inlichtingen heeft ontvangen, hetzij ter ondersteuning van een verzoek om hulp, hetzij in antwoord op een verzoek om hulp dat zij zelf heeft gedaan, mag deze inlichtingen niet voor andere doeleinden gebruiken dan vermeld in het verzoek om hulp.

2.

Elke Partij ziet erop toe dat personen die behoren tot of handelen namens de aangewezen instantie verplicht worden de nodige geheimhouding of vertrouwelijkheid te betrachten ten aanzien van die inlichtingen.

3.

In geen geval mag een aangewezen instantie een verzoek om hulp namens een in het buitenland verblijf houdende betrokkene als bedoeld in artikel 14, tweede lid, eigener beweging en zonder de uitdrukkelijke toestemming van die persoon indienen.

Artikel 16. Afwijzing van verzoeken om hulp

Een aangewezen instantie tot wie een verzoek om hulp als bedoeld in de artikelen 13 of 14 van dit Verdrag wordt gericht, mag slechts weigeren hieraan gevolg te geven wanneer:

Artikel 17. Kosten en procedures van hulpverlening

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.