Europese Overeenkomst voor de bescherming van gewervelde dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging

Type Verdrag
Publication 2005-12-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend;

Eraan herinnerend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden en dat de Raad wenst samen te werken met andere Staten bij de bescherming van levende dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden;

Erkennend dat de mens de morele plicht heeft alle dieren te respecteren en voldoende rekening dient te houden met het feit dat zij pijn kunnen lijden en een herinneringsvermogen bezitten;

Aanvaardend evenwel dat de mens in zijn streven naar kennis, gezondheid en veiligheid er behoefte aan heeft dieren te gebruiken, indien er een redelijke verwachting bestaat dat het resultaat een verruiming van kennis zal opleveren of ten goede zal komen aan mens en dier in het algemeen, evenals hij dieren gebruikt voor voedsel, kleding en als lastdier;

Vastbesloten het gebruik van dieren voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden te beperken, met als doel de mogelijke vervanging van dit gebruik, in het bijzonder door onderzoek naar en bevordering van de toepassing van alternatieve methoden;

Verlangend gemeenschappelijke bepalingen te aanvaarden met het doel de dieren te beschermen die worden gebruikt bij procedures waarbij pijn, lijden, angst of blijvend letsel kan worden berokkend en om te waarborgen dat deze procedures, indien ze onvermijdelijk zijn, tot een minimum beperkt blijven;

Zijn als volgt overeengekomen:

DEEL I. Algemene principes

Artikel 1
1.

Deze Overeenkomst is van toepassing op elk dier dat wordt gebruikt of is bestemd voor gebruik in enige experimentele of andere wetenschappelijke procedure, welke pijn, lijden, angst of blijvend letsel teweeg kan brengen. Zij is niet van toepassing op niet-experimenteel agrarisch of clinisch veterinair gebruik.

2.

In het verband van deze Overeenkomst verstaat men onder:

Artikel 2

Een procedure mag alleen worden verricht ten behoeve van één of meer van de volgende doelstellingen en onder de beperkingen vastgelegd in deze Overeenkomst:

Artikel 3

Iedere Partij verbindt zich, zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst, alle maatregelen te nemen, nodig om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Overeenkomst en om een doeltreffend systeem van controle en toezicht te verzekeren.

Artikel 4

Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst tast de vrijheid van Partijen aan striktere maatregelen te treffen ter bescherming van dieren gebruikt in procedures of ter controle op en ter beperking van het gebruik van dieren in procedures.

DEEL II. Algemene verzorging en huisvesting der dieren

Artikel 5
1.

Elk dier, gebruikt of bestemd voor gebruik in een procedure, krijgt een onderkomen, een omgeving, ten minste een zekere bewegingsvrijheid, voedsel, water en verzorging passend bij zijn gezondheid en zijn welzijn. Iedere beperking van de mate waarin het dier aan zijn fysiologische en ethologische behoeften kan voldoen, dient zo gering mogelijk te zijn. Bij de naleving van deze bepaling ware acht te slaan op de richtlijnen voor huisvesting en verzorging van dieren, vervat in Bijlage A bij deze Overeenkomst.

2.

De omstandigheden van de omgeving, waarin dieren worden gefokt, gehouden of gebruikt, dienen dagelijks te worden gecontroleerd.

3.

Het welzijn en de gezondheidstoestand van de dieren dienen geobserveerd te worden met voldoende nauwkeurigheid en frequentie om pijn, onnodig lijden, angst of blijvend letsel te voorkomen.

4.

Iedere Partij dient de maatregelen te treffen noodzakelijk voor het op zo kort mogelijke termijn ongedaan maken van ieder geconstateerd gebrek of lijden.

DEEL III. Het verrichten van procedures

Artikel 6
1.

Een procedure mag niet worden verricht voor enige doelstelling, genoemd in artikel 2, indien een andere wetenschappelijk bevredigende methode redelijkerwijs en practisch gezien voor handen is, welke niet het gebruik van een dier met zich brengt.

2.

Iedere Partij zou het wetenschappelijk onderzoek moeten aanmoedigen naar de ontwikkeling van methoden, die dezelfde informatie zouden kunnen verschaffen als die verkregen in procedures.

Artikel 7

Wanneer een procedure moet worden verricht, dient de keuze van de soort zorgvuldig overwogen te worden en, idien vereist, dient de motivering uiteengezet te worden aan de verantwoordelijke autoriteit; bij een keuze tussen procedures dienen die gekozen te worden, die het kleinste aantal dieren gebruiken, het minste pijn, lijden, angst of blijvend letsel veroorzaken en die, naar verwachting, de meest bevredigende resultaten opleveren.

Artikel 8

Een procedure dient te worden verricht onder algehele of plaatselijke anaesthesie of analgesie of middels andere methoden gericht op het zoveel mogelijk uitschakelen van pijn, lijden, angst of blijvend letsel, toegepast gedurende de gehele procedure, tenzij:

Artikel 9
1.

Waar het voornemen bestaat een dier te onderwerpen aan een procedure waarin het hevige pijn zal of kan ervaren, welke waarschijnlijk zal aanhouden, moet die procedure uitdrukkelijk worden aangemeld bij en gerechtvaardigd tegenover, of uitdrukkelijk worden toegestaan door de verantwoordelijke autoriteit.

2.

Passende wettelijke en/of administratieve maatregelen dienen te worden getroffen om te verzekeren dat een dergelijke procedure niet onnodig wordt uitgevoerd.

Zulke maatregelen dienen te omvatten:

Artikel 10

Gedurende een procedure blijft ieder dier dat daarbij wordt gebruikt, onderworpen aan de bepalingen van artikel 5, behalve wanneer die bepalingen onverenigbaar zijn met het doel van de procedure.

Artikel 11
1.

Aan het einde van een procedure dient te worden beslist of het dier in leven zal worden gehouden of zal worden gedood volgens een humane methode. Een dier zal niet in leven worden gelaten, zelfs al is zijn gezondheidstoestand hersteld tot normaal in alle andere opzichten, indien het waarschijnlijk is, dat het blijvend pijn of angst zal ondervinden.

2.

De beslissingen, bedoeld in lid 1 van dit artikel, dienen te worden genomen door een deskundige, in het bijzonder een dierenarts, of door de persoon, die krachtens artikel 13 verantwoordelijk is voor de procedure, of deze heeft uitgevoerd.

3.

Wanneer, na afloop van een procedure:

4.

Geen dier dat is gebruikt in een procedure welke met hevige of langdurige pijn of met hevig of langdurig lijden gepaard ging, onverschillig of anaesthesie of analgesie werd toegepast, mag in een nieuwe procedure worden gebruikt tenzij zijn gezondheidstoestand en zijn welzijn weer normaal zijn geworden, en op voorwaarde dat:

Artikel 12

Niettegenstaande de overige bepalingen van deze Overeenkomst, kan de verantwoordelijke autoriteit, waar noodzakelijk voor de legitieme doelstellingen van de procedure, toestaan dat het dier in kwestie wordt vrijgelaten, op voorwaarde dat hij zich ervan verzekerd heeft dat de grootst mogelijke zorg is aangewend ter bescherming van het welzijn van het dier. Procedures die de vrijlating van het dier met zich brengen zijn niet toegestaan voor het enkele doel van onderwijs en opleiding.

DEEL IV. Vergunning

Artikel 13

Een procedure binnen de doelstellingen genoemd in artikel 2 mag slechts worden verricht door personen aan wie vergunning is verleend, ofwel onder de directe verantwoordelijkheid van een persoon aan wie vergunning is verleend, danwel indien voor het experimentele of wetenschappelijke project vergunning verleend is overeenkomstig de bepalingen van de nationale wetgeving. Deze vergunning wordt slechts toegekend aan personen die door de verantwoordelijke autoriteit deskundig worden geacht.

DEEL V. Fokinstellingen of toeleverende instellingen

Artikel 14

Fok- en toeleverende instellingen dienen geregistreerd te staan bij de verantwoordelijke autoriteit, behoudens verlening van een vrijstelling onder artikel 21 of 22. Dergelijke geregistreerde instellingen dienen te voldoen aan de vereisten van artikel 5.

Artikel 15

De registratie, voorzien in artikel 14, dient de persoon aan het hoofd van de instelling te vermelden, welke deskundig dient te zijn in het op passende wijze verzorgen of doen verzorgen van de dieren of de soorten, die in de instelling worden gefokt of gehouden.

Artikel 16
1.

In geregistreerde fokinstellingen dienen regelingen te worden getroffen voor het bijhouden van een register, waarin worden ingeschreven alle dieren die er zijn gefokt, en waarin wordt aangegeven het aantal en de soort dieren die de instelling verlaten, de datum van hun vertrek en de naam en het adres van de ontvanger.

2.

In geregistreerde toeleverende instellingen dienen regelingen te worden getroffen voor het bijhouden van een register, waarin wordt aangegeven het aantal en het soort van de dieren die de instelling binnenkomen en die deze verlaten, de data van deze bewegingen, de leverancier van de betrokken dieren en de naam en het adres van de ontvanger.

3.

De verantwoordelijke autoriteit schrijft de aard van de registers voor, die dienen te worden bijgehouden en te zijner beschikking gesteld door de persoon aan het hoofd van de instellingen, genoemd in de leden 1 en 2 van dit artikel. Deze registers dienen te worden bewaard gedurende een periode van minimaal drie jaar te rekenen vanaf de datum van de laatste aantekening.

Artikel 17
1.

In iedere instelling dient elke hond of kat, voordat hij wordt gespeend, individueel en permanent van een merkteken te worden voorzien op de minst pijnlijke wijze die mogelijk is.

2.

Wanneer een niet-gemerkte hond of kat voor de eerste maal een instelling binnenkomt na te zijn gespeend, wordt hij zo spoedig mogelijk van een merkteken voorzien.

3.

Wanneer een niet gespeende hond of kat, waarbij het niet mogelijk was hem voordien te merken, wordt overgebracht van de ene instelling naar de andere, dient een compleet registratie document te worden bijgehouden, waarin met name de identiteit van zijn moeder wordt gespecificeerd, totdat hij van een merkteken is voorzien.

4.

De bijzonderheden van de identiteit en van de herkomst van elke hond of kat dienen vermeld te worden in de registers van de instelling.

DEEL VI. Gebruikende instellingen

Artikel 18

De gebruikende instellingen dienen geregistreerd te staan bij de verantwoordelijke autoriteit of anderszins door deze te zijn goedgekeurd en dienen te voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 5.

Artikel 19

Maatregelen dienen te worden getroffen die ertoe moeten leiden dat gebruikende instellingen beschikken over installaties en apparatuur, aangepast aan de diersoorten die worden gebruikt en de procedures die worden uitgevoerd. Het ontwerp, de constructie en de manier van functioneren van die installaties en apparatuur dienen zodanig te zijn dat zij verzekeren dat de procedures zo doelmatig mogelijk worden uitgevoerd met als doel het verkrijgen van samenhangende resultaten met zo min mogelijk dieren en een minimum aan pijn, lijden, angst of blijvend letsel.

Artikel 20

In gebruikende instellingen:

Artikel 21
1.

Dieren van de onderstaande soorten, die zijn bestemd om gebruikt te worden in procedures dienen direct te worden betrokken van geregistreerde fokinstellingen of uit dergelijke instellingen afkomstig te zijn, tenzij een algemene of bijzondere vrijstelling is verkregen in overeenstemming met door de Partij te nemen maatregelen:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.