Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Maleisië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen

Type Verdrag
Publication 2010-10-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en

de Regering van Maleisië,

de wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
1.

De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

2.

De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die door elk van de Staten na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteit van de ene Staat deelt de bevoegde autoriteit van de andere Staat alle belangrijke wijzigingen mede, die in de wetgeving van de betrokken Staat zijn aangebracht met betrekking tot de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is.

HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:

2.

Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis die deze uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.

Artikel 4. Inwoners
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten”:

2.

Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:

3.

Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

Artikel 5. Vaste inrichting
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2.

De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

3.

De uitdrukking „vaste inrichting” omvat eveneens de plaats van uitvoering van een bouwwerk, constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of daarmee in verband staande werkzaamheden van toezichthoudende aard, doch alleen indien de duur van de uitvoering van dat bouwwerk of van die werkzaamheden een tijdvak van zes maanden overschrijdt.

4.

Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien:

5.

Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in de eerstbedoelde Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot elke werkzaamheid die die persoon voor de onderneming verricht, indien de persoon:

6.

Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen, tenzij deze vertegenwoordiger uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zaken doet voor die onderneming zelf of voor die onderneming en andere ondernemingen die zij beheerst of door welke zij wordt beheerst.

7.

Alleen de omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

Artikel 6. Inperking van belastingvermindering
1.

Indien in deze Overeenkomst (al dan niet onder andere voorwaarden) wordt bepaald dat in een van de Staten geheel of gedeeltelijk vermindering van belasting over bepaalde inkomsten moet worden verleend en ingevolge de in de andere Staat geldende wetgeving die inkomsten niet voor het volle bedrag aan belasting onderworpen zijn, doch slechts voor zover die inkomsten naar de andere Staat zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen, wordt de vermindering die de eerstbedoelde Staat ingevolge deze Overeenkomst moet verlenen, slechts toegepast op het gedeelte van de inkomsten dat naar die andere Staat is overgemaakt of aldaar is ontvangen:

Met dien verstande dat indien –

de eerstbedoelde Staat, met inachtneming van elke alsdan van kracht zijnde wetgeving, die de termijn beperkt waarbinnen en de wijze bepaalt waarop een teruggave van belasting plaatsvindt, belastingvermindering verleent met betrekking tot die inkomsten in overeenstemming met de van toepassing zijnde bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

De bepalingen van hoofdstuk III van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op personen die gerechtigd zijn tot enig bijzonder belastingvoordeel op grond van:

HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN

Artikel 7. Inkomsten uit onroerende goederen
1.

Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende goederen die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.

2.

De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat waar de goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, olie- of gasbronnen, steengroeven en andere plaatsen waar natuurlijke rijkdommen of hout- en andere bosbouwprodukten worden gewonnen. Schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

3.

De bepaling van het eerste lid is van toepassing op de inkomsten die zijn verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

4.

De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen, gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep.

Artikel 8. Winsten of andere voordelen uit ondernemingen
1.

De winsten of andere voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de winsten of andere voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

2.

Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de winsten of andere voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

3.

Bij het bepalen van de winsten of andere voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die aftrekbaar zouden zijn, indien de vaste inrichting een onafhankelijke onderneming was, voorzover zij redelijkerwijs aan de vaste inrichting zijn toe te rekenen, zulks ongeacht of zij zijn gemaakt in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, of elders.

4.

Indien de beschikbare gegevens ontoereikend zijn om te bepalen welke inkomsten of voordelen aan de vaste inrichting moeten worden toegerekend, beletten de bepalingen van dit artikel in geen enkel opzicht de toepassing van enige wettelijke bepaling van een Staat met betrekking tot de vaststelling van de belastingaanslag van een persoon aan de hand van een schatting, mits het resultaat in overeenstemming is met de in dit artikel vervatte beginselen.

5.

Geen winsten of andere voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.