Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Maleisië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en
de Regering van Maleisië,
de wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST
Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is
Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.
Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:
- (a). in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);
- (i). de inkomstenbelasting,
- (ii). de loonbelasting,
- (iii). de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965,
- (iv). de dividendbelasting,
- (b). in Maleisië: (hierna te noemen: „Maleisische belasting”).
- (i). de "income tax and excess profit tax" (inkomstenbelasting en overwinstbelasting),
- (ii). de "supplementary income taxes, that is, tin profits tax, development tax and timber profits tax" (aanvullende inkomstenbelastingen, te weten belasting op winst uit de winning van tin, ontwikkelingsbelasting en belasting op winst uit bosbouw), en
- (iii). de „petroleum income tax” (belasting op inkomsten uit de winning van aardolie),
De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die door elk van de Staten na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteit van de ene Staat deelt de bevoegde autoriteit van de andere Staat alle belangrijke wijzigingen mede, die in de wetgeving van de betrokken Staat zijn aangebracht met betrekking tot de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:
- (a). betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of Maleisië, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en Maleisië;
- (b). omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten heeft;
- (c). betekent de uitdrukking „Maleisië” de Federatie van Maleisië, daaronder begrepen elk gebied dat aan de territoriale wateren van Maleisië grenst en dat in overeenstemming met het internationale recht door de wetgeving van Maleisië inzake het continentaal plat is of nog zal worden aangewezen als een gebied waarbinnen de rechten van Maleisië met betrekking tot exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, levend of niet levend, van de zeebodem en de ondergrond daarvan en de daarboven gelegen wateren worden uitgeoefend;
- (d). omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen die voor de belastingheffing als een persoon wordt behandeld;
- (e). betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- (f). betekenen de uitdrukking „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de ander Staat;
- (g). betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of een luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming van een van de Staten, behalve wanneer het schip of het luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen;
- (h). betekent de uitdrukking „onderdaan”:
- (i). iedere natuurlijke persoon die het staatsburgerschap of de nationaliteit van een van de Staten bezit;
- (ii). iedere rechtspersoon, vennootschap, vereniging en ieder andere eenheid die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is;
- (i). betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
- (i). in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- (ii). in Maleisië de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.
Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis die deze uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.
Artikel 4. Inwoners
Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten”:
- (a). wat Nederland betreft, een persoon die inwoner van Nederland is voor de toepassing van de Nederlandse belasting; en
- (b). wat Maleisië betreft, een persoon die inwoner van Maleisië is voor de toepassing van de Maleisische belasting.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
- (a). hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
- (b). indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;
- (c). indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
- (d). indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- (a). een plaats waar leiding wordt gegeven;
- (b). een filiaal;
- (c). een kantoor;
- (d). een fabriek;
- (e). een werkplaats, en
- (f). een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen, daaronder begrepen hout- en andere bosbouwprodukten, worden gewonnen;
- (g). een landbouwbedrijf of plantage;
- (h). een installatie of bouwsel gebruikt voor de exploratie van natuurlijke rijkdommen.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat eveneens de plaats van uitvoering van een bouwwerk, constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of daarmee in verband staande werkzaamheden van toezichthoudende aard, doch alleen indien de duur van de uitvoering van dat bouwwerk of van die werkzaamheden een tijdvak van zes maanden overschrijdt.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien:
- (a). gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- (b). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;
- (c). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- (d). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- (e). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het verstrekken van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor soortgelijke werkzaamheden voor de onderneming die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.
- (f). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor een combinatie van de in de letters (a) tot en met (e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in de eerstbedoelde Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot elke werkzaamheid die die persoon voor de onderneming verricht, indien de persoon:
- (a). een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in de eerstbedoelde Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden, genoemd in het vierde lid, welke, indien zij worden uitgeoefend door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken; of
- (b). zulk een machtiging niet bezit, maar gewoonlijk in de eerstbedoelde Staat een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar aanhoudt waaruit hij regelmatig bestellingen uitvoert namens de onderneming.
Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen, tenzij deze vertegenwoordiger uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zaken doet voor die onderneming zelf of voor die onderneming en andere ondernemingen die zij beheerst of door welke zij wordt beheerst.
Alleen de omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.
Artikel 6. Inperking van belastingvermindering
Indien in deze Overeenkomst (al dan niet onder andere voorwaarden) wordt bepaald dat in een van de Staten geheel of gedeeltelijk vermindering van belasting over bepaalde inkomsten moet worden verleend en ingevolge de in de andere Staat geldende wetgeving die inkomsten niet voor het volle bedrag aan belasting onderworpen zijn, doch slechts voor zover die inkomsten naar de andere Staat zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen, wordt de vermindering die de eerstbedoelde Staat ingevolge deze Overeenkomst moet verlenen, slechts toegepast op het gedeelte van de inkomsten dat naar die andere Staat is overgemaakt of aldaar is ontvangen:
Met dien verstande dat indien –
- (a). in overeenstemming met de voorafgaande bepalingen van dit artikel vermindering aanvankelijk niet is toegestaan in de eerstbedoelde Staat met betrekking tot bepaalde inkomsten; en
- (b). die inkomsten vervolgens zijn overgemaakt naar of ontvangen in de andere Staat en op grond daarvan aan belasting zijn onderworpen in die andere Staat,
de eerstbedoelde Staat, met inachtneming van elke alsdan van kracht zijnde wetgeving, die de termijn beperkt waarbinnen en de wijze bepaalt waarop een teruggave van belasting plaatsvindt, belastingvermindering verleent met betrekking tot die inkomsten in overeenstemming met de van toepassing zijnde bepalingen van deze Overeenkomst.
De bepalingen van hoofdstuk III van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op personen die gerechtigd zijn tot enig bijzonder belastingvoordeel op grond van:
- a. een wet van een van de Staten aangewezen in een nota-wisseling tussen de Staten; of
- b. een in wezen gelijksoortige wet die nadien tot stand is gekomen.
HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN
Artikel 7. Inkomsten uit onroerende goederen
Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende goederen die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.
De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat waar de goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, olie- of gasbronnen, steengroeven en andere plaatsen waar natuurlijke rijkdommen of hout- en andere bosbouwprodukten worden gewonnen. Schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.
De bepaling van het eerste lid is van toepassing op de inkomsten die zijn verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.
De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen, gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep.
Artikel 8. Winsten of andere voordelen uit ondernemingen
De winsten of andere voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de winsten of andere voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.
Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de winsten of andere voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.
Bij het bepalen van de winsten of andere voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die aftrekbaar zouden zijn, indien de vaste inrichting een onafhankelijke onderneming was, voorzover zij redelijkerwijs aan de vaste inrichting zijn toe te rekenen, zulks ongeacht of zij zijn gemaakt in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, of elders.
Indien de beschikbare gegevens ontoereikend zijn om te bepalen welke inkomsten of voordelen aan de vaste inrichting moeten worden toegerekend, beletten de bepalingen van dit artikel in geen enkel opzicht de toepassing van enige wettelijke bepaling van een Staat met betrekking tot de vaststelling van de belastingaanslag van een persoon aan de hand van een schatting, mits het resultaat in overeenstemming is met de in dit artikel vervatte beginselen.
Geen winsten of andere voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.