Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filippijnen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Regering van de Republiek der Filippijnen,
de wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is
Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.
Deze Overeenkomst mag niet zo worden uitgelegd dat de Filippijnen het recht wordt ontnomen zijn eigen staatsburgers, die inwoner zijn van Nederland, ter zake van inkomen dat is verkregen uit zelfstandige of niet-zelfstandige arbeid, verricht buiten de Filippijnen, overeenkomstig de Filippijnse wetgeving te belasten; Nederland zal hierdoor echter niet zijn gehouden voor zulk een belasting enige vrijstelling of verrekening te geven.
Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten.
Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen, verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, en belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen.
De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:
- a). in het geval van Nederland:
- -. de inkomstenbelasting,
- -. de loonbelasting,
- -. de vennootschapsbelasting,
- -. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);
- b). in het geval van de Filippijnen:
- -. de belastingen naar het inkomen die door de Regering van de Republiek der Filippijnen worden geheven, (hierna te noemen: „Filippijnse belasting”).
De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen naar het inkomen die na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
In deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:
- a). betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of de Filippijnen, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en de Filippijnen;
- b). omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten heeft;
- c). betekent de uitdrukking „de Filippijnen” gebezigd in aardrijkskundige zin, het nationale grondgebied dat de Republiek van de Filippijnen vormt;
- d). omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam, een nalatenschap, een onherroepelijke trust en elke andere vereniging van personen;
- e). betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke andere eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- f). betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven dooreen inwoner van de andere Staat;
- g). betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit” de Minister van Financiën van een van de Staten of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- h). betekent de uitdrukking „onderdaan”:
- (i). iedere natuurlijke persoon die de nationaliteit of het staatsburgerschap van een van de Staten bezit;
- (ii). iedere rechtspersoon, vennootschap en vereniging die naar de wetgeving van een van de Staten is opgericht, ingesteld of geïncorporeerd;
- i). betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of luchtvaartuig geëxploiteerd door een onderneming van een van de Staten, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis die deze uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.
Artikel 4. Fiscale woonplaats
Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, gelden voor een zodanig geval de volgende regels:
- a). hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft. Indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede de persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
- b). indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
- c). indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
- d). indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, stellen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg vast van welke Staat die persoon geacht wordt inwoner te zijn.
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a). een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b). een filiaal;
- c). een kantoor;
- d). een fabriek;
- e). een werkplaats;
- f). een mijn, een steengroeve of een andere plaats van exploratie of winning van natuurlijke rijkdommen;
- g). een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie of montagewerkzaamheden of daarmee verband houdende werkzaamheden van toezichthoudende aard, indien dat bouwwerk of die werkzaamheden worden voortgezet gedurende een tijdvak van meer dan 183 dagen;
- h). het verlenen van diensten, met inbegrip van diensten van adviserende aard, door een onderneming door middel van een werknemer of ander personeel, indien werkzaamheden van deze aard (voor hetzelfde of een daarmee samenhangend project) worden verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden een totaal van 183 dagen te boven gaan.
De uitdrukking „vaste inrichting” wordt geacht niet te omvatten:
- a). het gebruik maken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag of lling van aan de onderneming toebehorende goederen of koop waar;
- b). het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag of uitstalling;
- c). het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d). het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- e). het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor soortgelijke werkzaamheden voor de onderneming die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben;
Een persoon die in een van de Staten namens een onderneming van de andere Staat werkzaam is - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger waarop het zesde lid van toepassing is - wordt als een in de eerstbedoelde Staat aanwezige vaste inrichting beschouwd, indien:
- a). hij een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten te sluiten en dit recht in de eerstbedoelde Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot de aankoop van goederen of koopwaar voor de onderneming; of
- b). hij in de eerstbedoelde Staat een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar aanhoudt waaruit hij regelmatig goederen of koopwaar aflevert namens de onderneming.
Een verzekeringsonderneming van een van de Staten wordt, behoudens voor zover het herverzekering betreft, geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten, indien zij op het grondgebied van die Staat premies int of aldaar aanwezige risico's verzekert door middel van een werknemer of een vertegenwoordiger die geen onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid is.
Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die andere Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, wanneer deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.
De omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.
Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen
Inkomsten uit onroerende goederen, waaronder begrepen voordelen uit landbouw- of bosbedrijven, mogen worden belast in de Staat waarin deze goederen zijn gelegen.
De uitdrukking „onroerende goederen wordt gedefinieerd in overeenstemming met de wetgeving van de Staat waarin de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of het recht tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.
De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op de inkomsten, verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.
De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen die worden gebruikt voor de uitoefening van een vrij beroep.
Artikel 7. Winst uit onderneming
De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.
Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.
Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - waaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.
Bij de toepassing van het derde lid wordt, met uitzondering van bedragen wegens werkelijk gemaakte kosten, geen aftrek toegestaan ter zake van bedragen die door het hoofdkantoor van de onderneming of een van haar andere kantoren aan de vaste inrichting in rekening worden gebracht als royalty's, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen voor het gebruik van octrooien of andere rechten, of als commissieloon voor bepaalde diensten of voor het geven van leiding, dan wel, behalve in het geval van een onderneming die het bankbedrijf uitoefent, als interest op gelden die aan de vaste inrichting ter beschikking zijn gesteld. Evenmin zal bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting rekening worden gehouden met zodanige bedragen - met uitzondering van die wegens werkelijk gemaakte kosten - die door de vaste inrichting aan het hoofdkantoor van de onderneming of een van haar andere kantoren in rekening worden gebracht.
Er worden geen voordelen aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.
In het geval van voordelen uit toezicht, levering, installatie-, of constructiewerkzaamheden wordt alleen dat deel daarvan aan een vaste inrichting toegerekend, dat voortvloeit uit het werkelijk verrichten van deze werkzaamheden door middel van die vaste inrichting.
Vergoedingen ontvangen door een onderneming van een van de Staten voor het in de andere Staat verrichten van technische diensten, waaronder begrepen studies of toezichthoudende werkzaamheden van wetenschappelijke, geologische of technische aard, of voor contracten inzake bouw- of constructiewerkzaamheden en de daarop betrekking hebbende blauwdrukken, of voor diensten van raadgevende of toezichthoudende aard, worden beschouwd als voordelen van een onderneming waarop de bepalingen van dit artikel van toepassing zijn.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat hiervan af te wijken.
Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.
Artikel 8. Zeevaart en luchtvaart
Voordelen verkregen door een onderneming van een van de Staten uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in internationaal verkeer, mogen in die Staat worden belast.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.