Burgerrechtelijk Verdrag inzake Corruptie

Type Verdrag
Publication 2008-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa, de andere Staten en de Europese Gemeenschap die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;

Zich bewust van het belang van het versterken van de internationale samenwerking bij het bestrijden van corruptie;

Benadrukkend dat corruptie een belangrijke bedreiging vormt voor de rechtsstaat, democratie en mensenrechten, billijkheid en sociale rechtvaardigheid, de economische ontwikkeling belemmert en de goede en eerlijke werking van markteconomieën in gevaar brengt;

Erkennend de nadelige financiële gevolgen van corruptie voor individuen, ondernemingen en Staten alsmede voor internationale instellingen;

Overtuigd van het belang van de bijdrage van het burgerlijk recht aan de bestrijding van corruptie, met name door personen die schade hebben geleden in staat te stellen een billijke vergoeding daarvan te ontvangen;

Herinnerend aan de conclusies en resoluties van de 19e (Malta, 1994), 21e (Tsjechische Republiek, 1997) en 22e (Moldavië, 1999) Conferenties van de Europese Ministers van Justitie;

Rekening houdend met het Actieprogramma tegen Corruptie aangenomen door het Comité van Ministers in november 1996;

Tevens rekening houdend met het haalbaarheidsonderzoek naar het opstellen van een verdrag inzake civiele rechtsmiddelen ter verkrijging van vergoeding voor schade die het gevolg is van corrupte handelingen, goedgekeurd door het Comité van Ministers in februari 1997;

Gelet op Resolutie (97) 24 inzake de 20 Richtsnoeren voor de bestrijding van corruptie, door het Comité van Ministers aangenomen tijdens zijn 101ste zitting in november 1997, op Resolutie (98) 7 houdende toestemming voor de aanneming van het Gedeeltelijke en Uitgebreide Akkoord tot oprichting van de “Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO)”, aangenomen door het Comité van Ministers in mei 1998, tijdens zijn 102e zitting, en op Resolutie (99) 5 waarbij GRECO wordt opgericht, aangenomen op 1 mei 1999;

Herinnerend aan de Slotverklaring en het Actieplan aangenomen door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Raad van Europa tijdens hun tweede top te Straatsburg in oktober 1997,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. MAATREGELEN TE NEMEN OP NATIONAAL NIVEAU

Artikel 1. Doelstelling

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat personen die schade hebben geleden als gevolg van corrupte handelingen over doeltreffende rechtsmiddelen beschikken, teneinde hen in staat te stellen hun rechten en belangen te doen gelden, met inbegrip van de mogelijkheid vergoeding te verkrijgen voor geleden schade.

Artikel 2. Omschrijving van corruptie

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „corruptie” het, indirect of direct, vragen om, aanbieden, verstrekken of aanvaarden van steekpenningen of enig ander niet-gerechtvaardigd voordeel, of de belofte daarvan, hetgeen een ondermijnende invloed heeft op de correcte uitoefening van de taken of het vereiste gedrag van de ontvanger van de steekpenningen, het niet-gerechtvaardigde voordeel of de belofte daarvan.

Artikel 3. Schadevergoeding
1.

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat personen die schade hebben geleden als gevolg van corruptie het recht hebben een vordering in te stellen teneinde volledige vergoeding voor dergelijke schade te verkrijgen.

2.

Een dergelijke vergoeding kan materiële schade, gederfde winst of niet-geldelijke verliezen omvatten.

Artikel 4. Aansprakelijkheid
1.

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat voor het toekennen van schadevergoeding aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

2.

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat, indien meerdere gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade voortvloeiend uit dezelfde corrupte handeling, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Artikel 5. Verantwoordelijkheid van de Staat

Elke Partij voorziet in haar interne recht in passende procedures voor personen die schade hebben geleden als gevolg van een corrupte handeling van haar ambtenaren bij de uitoefening van hun taken, om schadevergoeding te vorderen van de Staat of, in het geval van een Partij die geen Staat is, van de desbetreffende autoriteiten van die Partij.

Artikel 6. Eigen schuld

Elke Partij voorziet in haar interne recht dat de vergoeding wordt verminderd of niet wordt toegekend, daarbij alle omstandigheden in aanmerking nemend, indien de eiser door zijn of haar eigen schuld heeft bijgedragen aan de schade of aan de toename daarvan.

Artikel 7. Verjaringstermijnen
1.

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat op het instellen van de vordering tot schadevergoeding een verjaringstermijn van ten minste drie jaren van toepassing is, te rekenen vanaf de dag waarop de benadeelde persoon bekend is geworden met of redelijkerwijs bekend had behoren te zijn met de opgetreden schade of met het plaatsvinden van een corrupte handeling en met de identiteit van de verantwoordelijke persoon. Een dergelijke vordering kan evenwel niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een verjaringstermijn van ten minste tien jaren, te rekenen vanaf de datum waarop de corrupte handeling plaatsvond.

2.

De wetgeving van de Partijen waarin stuiting of schorsing van de verjaringstermijnen worden geregeld is, indien van toepassing, van toepassing op de in het eerste lid voorgeschreven termijnen.

Artikel 8. Geldigheid van contracten
1.

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat elk contract of elke bepaling van een contract waarmee corruptie bewerkstelligd wordt nietig is.

2.

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat alle partijen bij een contract wier instemming wordt ondermijnd door een corrupte handeling de mogelijkheid hebben zich tot de rechter te wenden om het contract te laten vernietigen, onverminderd hun recht een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

Artikel 9. Bescherming van werknemers

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat werknemers die redelijke gronden hebben om te vermoeden dat er corruptie plaatsvindt en die hun vermoeden te goeder trouw melden aan de verantwoordelijke personen of autoriteiten op passende wijze worden beschermd tegen ongerechtvaardigde sancties.

Artikel 10. Jaarrekeningen en controle
1.

Elke Partij neemt, in haar interne recht, de maatregelen die noodzakelijk zijn opdat de jaarrekening van ondernemingen op heldere wijze wordt opgesteld en een getrouw beeld geeft van de financiële positie van de onderneming.

2.

Met het oog op het voorkomen van corrupte handelingen, voorziet elke Partij in haar interne recht erin dat accountants een verklaring moeten afgeven dat de jaarrekeningen een getrouw beeld geven van de financiële positie van de onderneming.

Artikel 11. Verkrijging van bewijs

Elke Partij voorziet in haar interne recht in doeltreffende procedures voor de verkrijging van bewijs in burgerrechtelijke procedures die voortvloeien uit een corrupte handeling.

Artikel 12. Maatregelen tot bewaring van recht

Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat rechters maatregelen kunnen opleggen tot bewaring van de rechten en belangen van de partijen in burgerrechtelijke procedures die voortvloeien uit een corrupte handeling.

HOOFDSTUK II. INTERNATIONALE SAMENWERKING EN TOEZICHT OP DE UITVOERING

Artikel 13. Internationale samenwerking

De Partijen werken op doeltreffende wijze samen ter zake van aangelegenheden die betrekking hebben op burgerrechtelijke procedures in gevallen van corruptie, met name wat betreft de betekening van documenten, het verkrijgen van bewijs in het buitenland, rechtsmacht, erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke uitspraken en gerechtskosten, overeenkomstig de bepalingen van de toepasselijke internationale instrumenten inzake de internationale samenwerking in burgerlijke en handelszaken waar zij partij bij zijn, alsmede overeenkomstig hun nationale wetgeving.

Artikel 14. Toezicht

De Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) houdt toezicht op de uitvoering van dit Verdrag door de Partijen.

HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 15. Ondertekening en inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, door Staten die geen lid van de Raad zijn en die hebben deelgenomen aan de opstelling hiervan en door de Europese Gemeenschap.

2.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop veertien ondertekenaars overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht. Elk van deze ondertekenaars die op het tijdstip van de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring geen lid is van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO), wordt daarvan automatisch lid op de datum van de inwerkingtreding van het Verdrag.

4.

Ten aanzien van elke ondertekenaar die later zijn instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking is gebracht. Een ondertekenaar die op het tijdstip van de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring geen lid is van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) wordt daarvan automatisch lid op de datum waarop het Verdrag ten aanzien van hem in werking treedt.

5.

Mogelijke bijzondere modaliteiten ten aanzien van de deelname van de Europese Gemeenschap aan de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) worden voorzover nodig in onderlinge overeenstemming met de Europese Gemeenschap vastgesteld.

Artikel 16. Toetreding tot het Verdrag
1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de Partijen bij het Verdrag, iedere Staat die geen lid is van de Raad en niet heeft deelgenomen aan de opstelling ervan, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, door een door de meerderheid als voorzien in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa genomen besluit en door de unanieme stemming door de vertegenwoordigers van de Partijen die recht hebben op een zetel in het Comité.

2.

Ten aanzien van elke toetredende Staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Elke Staat die tot dit Verdrag toetreedt wordt op de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van hem in werking treedt automatisch lid van de GRECO, indien hij daarvan op het tijdstip van toetreding nog geen lid is.

Artikel 17. Voorbehouden

Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag kunnen geen voorbehouden worden gemaakt.

Artikel 18. Territoriale toepassing
1.

Elke Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het tijdstip van de ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.

2.

Elke Partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.

3.

Iedere krachtens de twee vorige leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal van de kennisgeving.

Artikel 19. Verhouding tot andere instrumenten en overeenkomsten
1.

Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit internationale multilaterale instrumenten inzake specifieke aangelegenheden.

2.

De Partijen bij het Verdrag kunnen onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake de aangelegenheden die in dit Verdrag worden geregeld teneinde de bepalingen daarvan aan te vullen of te versterken of de toepassing van de daarin neergelegde beginselen te vergemakkelijken of, onverminderd de doelstellingen of beginselen van dit Verdrag, zich onderwerpen aan regels dienaangaande in het kader van een bijzonder systeem dat bindend is op het tijdstip waarop dit Verdrag voor ondertekening wordt opengesteld.

3.

Indien twee of meer Partijen reeds een overeenkomst of verdrag hebben gesloten met betrekking tot een onderwerp dat door dit Verdrag wordt bestreken of hun betrekkingen wat betreft dat onderwerp anderszins hebben geregeld, hebben zij de bevoegdheid die overeenkomst of dat verdrag toe te passen of hun betrekkingen dienovereenkomstig te regelen, in plaats van dit Verdrag.

Artikel 20. Wijzigingen
1.

Wijzigingen van dit Verdrag kunnen worden voorgesteld door elke Partij en worden door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa medegedeeld aan de lidstaten van de Raad van Europa, aan alle Staten die geen lid zijn van de Raad en hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag, aan de Europese Gemeenschap, alsmede aan elke Staat die is toegetreden of is uitgenodigd toe te treden tot dit Verdrag overeenkomstig de bepalingen van artikel 16.

2.

Elke door een Partij voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan het Europese Comité voor juridische samenwerking (CDCJ) dat zijn oordeel over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van Ministers.

3.

Het Comité van Ministers onderzoekt de voorgestelde wijziging en het door het Europese Comité voor juridische samenwerking (CDCJ) voorgelegde oordeel en kan, na raadpleging van de Partijen bij dit Verdrag die geen lid zijn van de Raad van Europa, de wijziging aannemen.

4.

De tekst van elke wijziging aangenomen door het Comité van Ministers overeenkomstig het derde lid van dit artikel, wordt ter aanvaarding aan de Partijen toegezonden.

5.

Iedere overeenkomstig het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging treedt in werking dertig dagen nadat alle Partijen de Secretaris-Generaal hebben meegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.

Artikel 21. Beslechting van geschillen
1.

Het Europese Comité voor juridische samenwerking (CDCJ) van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de uitleg en toepassing van dit Verdrag.

2.

In geval van een geschil tussen Partijen over de uitleg of toepassing van dit Verdrag, trachten zij het geschil door onderhandeling of op andere vreedzame wijze naar hun keuze te beslechten, met inbegrip van het voorleggen van het geschil aan het Europese Comité voor juridische samenwerking (CDJC), aan een scheidsgerecht dat beslissingen neemt welke bindend zijn voor de Partijen, of aan het Internationale Gerechtshof, als overeengekomen door de betrokken Partijen.

Artikel 22. Opzegging
1.

Iedere Partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 23. Kennisgeving

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa en alle andere ondertekenaars en Partijen bij dit Verdrag in kennis van:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.