Protocol inzake een eventuele wijziging van de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien
DEEL EERSTE. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Gemeenschapsoctrooirechtbanken
De Verdragsluitende Staten wijzen op hun grondgebied een zo beperkt mogelijk aantal nationale rechterlijke instanties van eerste en tweede aanleg aan, hierna genoemd „Gemeenschapsoctrooirechtbanken”, die de hun bij dit Protocol opgedragen taken vervullen.
De namen van de Gemeenschapsoctrooirechtbanken en hun territoriale bevoegdheid zijn vermeld in de Bijlage van dit Protocol. Wat evenwel het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek betreft wordt van de namen van deze rechtbanken en hun territoriale bevoegdheid uiterlijk op het tijdstip van bekrachtiging van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.
Van elke verandering in het aantal, de namen of de territoriale bevoegdheid van deze rechtbanken wordt door de betrokken Verdragsluitende Staat kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 2. Gemeenschappelijk Hof van Beroep
Bij dit Protocol wordt een Hof van Beroep voor het Gemeenschapsoctrooi opgericht dat de Verdragsluitende Staten gemeen hebben, hierna genoemd „Gemeenschappelijk Hof van Beroep”. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vervult de taken die daaraan bij dit Protocol worden opgedragen.
De zetel van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt in onderlinge overeenstemming door de Regeringen van de ondertekenende Staten vastgesteld.
Artikel 3. Rechtspositie
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep bezit rechtspersoonlijkheid.
In elk der Verdragsluitende Staten heeft het Gemeenschappelijk Hof van Beroep de meest volledige rechtsbevoegdheid die door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend; het kan met name roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en in rechte optreden.
De President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vertegenwoordigt het Gemeenschappelijk Hof Van Beroep.
Artikel 4. Voorrechten en immuniteiten
In het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt bepaald onder welke voorwaarden het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, de rechters daarvan, de leden van de Administratieve Commissie, de ambtenaren en andere personeelsleden van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep en de overige in het Protocol nader genoemde personen die werkzaam zijn bij het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, op het grondgebied van elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten welke ter vervulling van hun taak nodig zijn.
Artikel 5. Plenum en griffie
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep bestaat uit het door de Administratieve Commissie bij eenparig besluit en na raadpleging van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep te bepalen aantal rechters; dit aantal is ten minste gelijk aan het aantal Verdragsluitende Staten.
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep komt bijeen in voltallige zitting. Het kan echter kamers vormen, die elk bestaan uit een aantal rechters als bepaald in het reglement voor de procesvoering.
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep heeft een griffie.
Artikel 6. Benoeming van de rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep
De rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep worden gekozen uit personen die aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden Staten rechterlijke ambten te bekleden en die ervaring hebben met octrooirecht; zij worden in onderlinge overeenstemming door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Verdragsluitende Staten benoemd voor een termijn van zes jaar.
Aftredende rechters zijn herbenoembaar.
Artikel 7. President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep
De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep. Hij is herkiesbaar.
In geval van afwezigheid of verhindering van de President wordt zijn taak waargenomen door een ander lid van het Hof in volgorde van anciënniteit.
Artikel 8. Leiding
De leiding van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep berust bij zijn President. De President is tegenover de Administratieve Commissie verantwoording verschuldigd voor het bestuur, het financiële beheer en de rekeningen van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep.
Artikel 9. Administratieve Commissie
De Administratieve Commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, de vertegenwoordiger van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en uit hun plaatsvervangers. Elke Verdragsluitende Staat en de Commissie hebben het recht in de Administratieve Commissie een vertegenwoordiger en een plaatsvervanger te benoemen. De President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep neemt in voorkomend geval aan de beraadslagingen van de Administratieve Commissie deel.
Artikel 11, tweede lid, artikel 12, artikel 13, artikel 14, eerste, derde, vierde en vijfde lid, artikel 16, tweede lid, artikel 17, artikel 18 en artikel 19 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zijn op de Administratieve Commissie van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10. Uitgavendekking
De uitgaven van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep worden gedekt:
- a. door de eigen middelen van het Gemeenschappelijk Hof van beroep;
- b. door de financiële bijdragen van de Verdragsluitende Staten, die worden vastgesteld overeenkomstig de uit artikel 20 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag voortvloeiende verdeelsleutel.
Elke Verdragsluitende Staat kan aan het Europese Octrooibureau verzoeken om aan het Gemeenschappelijk Hof Beroep de krachtens het eerste lid, sub b), door die Staat verschuldigde bijdragen te betalen door het bedrag daarvan in te houden op de krachtens artikel 20, tweede lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag aan die Staat verschuldigde ontvangsten.
Het in artikel 20, zesde lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag bedoelde onderzoek betreffende de financieringsregeling voor de bijzondere organen van het Europees Octrooibureau strekt zich ook uit tot de bepalingen van het eerste lid. Na dit onderzoek kan dit artikel ook op voorstel van de Commissie, bij besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd.
De artikelen 42 tot en met 48 van het Europees Octrooiverdrag zijn van toepassing op het Gemeenschappelijk Hof van Beroep met dien verstande dat de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie wordt vervangen door de Administratieve Commissie en de Voorzitter van het Europees Octrooibureau door de President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep.
De rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de begroting alsmede de balans van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep worden geverifieerd door de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen. De verificatie, die aan de hand van de stukken en indien nodig ter plaatse geschiedt, heeft ten doel de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven vast te stellen, alsmede een gezond financieel beheer te waarborgen. Na de afsluiting van ieder begrotingsjaar stelt de Rekenkamer een verslag op.
De President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep legt ieder jaar aan de Administratieve Commissie de rekeningen voor die betrekking hebben op de financiële handelingen in het voorafgaande begrotingsjaar alsmede de balans van bezittingen en schulden van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, vergezeld van het verslag van de Rekenkamer.
De Administratieve Commissie keurt de jaarrekening alsmede het verslag van de Rekenkamer goed en verleent de President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep kwijting voor de uitvoering van de begroting.
Artikel 11. Beloning van de leden van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep en Personeelsstatuut
De Administratieve Commissie stelt de bezoldiging, vergoedingen en pensioenen van de President en de rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vast. Zij stelt eveneens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.
De Administratieve Commissie stelt het Statuut van de ambtenaren van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vast, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep.
Een meerderheid van drie vierde van de stemmen uitgebracht voor de vertegenwoordigde Verdragsluitende Staten is vereist voor de beslissingen die de Administratieve Commissie bevoegd is te nemen krachtens dit artikel. Een onthouding geldt niet als een stem.
Artikel 12. Reglement voor de procesvoering van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep stelt zijn reglement voor de procesvoering op waarin onder meer het taalgebruik van het Hof wordt bepaald. Het reglement voor de procesvoering wordt met eenparigheid van stemmen goedgekeurd door de Administratieve Commissie.
DEEL TWEEDE. BEPALINGEN INZAKE INTERNATIONALE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN TENUITVOERLEGGING
Artikel 13. Toepassing van het Bevoegdheids- en Executieverdrag
Tenzij dit Protocol anders bepaalt, is het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, zoals gewijzigd bij de Verdragen houdende toetreding tot dat Verdrag van de tot de Europese Gemeenschappen toetredende Staten, welk geheel van dat Verdrag en van deze Toetredingsverdragen hierna wordt genoemd „Bevoegdheids- en Executieverdrag”, van toepassing op de in dit Protocol bedoelde procedures.
Artikel 2, artikel 4, artikel 5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 24 van het Bevoegdheids- en Executieverdrag zijn niet van toepassing op de in dit Protocol bedoelde procedures. De artikelen 17 en 18 van dat Verdrag zijn van toepassing met inachtneming van de in artikel 14, vierde lid, van dit Protocol bedoelde beperkingen.
Voor de toepassing van het Bevoegdheids- en Executieverdrag op de in dit Protocol bedoelde procedures zijn de bepalingen van Titel II van dat Verdrag die van toepassing zijn op personen met woonplaats in een Verdragsluitende Staat ook van toepassing op personen die geen woonplaats maar een vestiging in een Verdragsluitende Staat hebben.
Artikel 14. Bevoegdheid
Onverminderd de bepalingen van dit Protocol en van de krachtens artikel 13 toepasselijke bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, worden de in het Protocol bedoelde procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar de verweerder zijn woonplaats heeft of, wanneer hij geen woonplaats heeft in een van de Verdragsluitende Staten, waar hij een vestiging heeft.
Wanneer de verweerder noch zijn woonplaats noch een vestiging heeft in een van de Verdragsluitende Staten, worden de procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar de eiser zijn woonplaats heeft, of, indien deze geen woonplaats heeft in een van de Verdragsluitende Staten, waar hij een vestiging heeft.
Wanneer noch de verweerder noch de eiser aldus een woonplaats of een vestiging heeft, worden deze procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar het Gemeenschappelijk Hof van Beroep zijn zetel heeft.
Onverminderd het eerste tot en met het derde lid:
- a. is artikel 17 van het Bevoegdheids- en Executieverdrag van toepassing indien de partijen overeenkomen dat een andere Gemeenschapsoctrooirechtbank bevoegd is;
- b. is artikel 18 van dat Verdrag van toepassing indien de verweerder voor een andere Gemeenschapsoctrooirechtbank verschijnt.
Met uitzondering van rechtsvorderingen ter verkrijging van een verklaring van niet-inbreuk op een Gemeenschapsoctrooi kunnen de in dit Protocol bedoelde procedures ook aanhangig worden gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigde plaats te vinden, of waar een onder artikel 15, eerste lid, sub c), vallende handeling is verricht.
DEEL DERDE. EERSTE AANLEG
Artikel 15. Bevoegdheid ter zake van inbreuk en geldigheid
De Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg hebben uitsluitende bevoegdheid ter zake van:
- a. alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en - indien naar nationaal recht toegestaan - dreigende inbreuk op Gemeenschapsoctrooien;
- b. rechtsvorderingen betreffende de vaststelling van niet-inbreuk, indien naar nationaal recht toegestaan;
- c. alle rechtsvorderingen ter zake van het gebruik dat van de uitvinding is gemaakt gedurende de in artikel 32, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag bedoelde periode;
- d. tegenvorderingen tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi op grond van het tweede lid.
De Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg beschouwen het Gemeenschapsoctrooi als geldig tenzij de geldigheid door de verweerder wordt betwist met een tegenvordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi. De tegenvordering kan slechts steunen op de in artikel 56, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag genoemde nietigheidsgronden. Artikel 55, eerste lid, tweede zin, en artikel 55, tweede, derde en zesde lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zijn van toepassing.
Indien de tegenvordering wordt ingesteld in een procedure waarin de octrooihouder nog geen partij is, wordt hij daarvan op de hoogte gesteld en kan hij zich in het geding voegen overeenkomstig het nationale recht.
De geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi kan niet worden betwist door een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk.
Artikel 16. Kennisgeving aan het Europees Octrooibureau
De Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg waarbij een tegenvordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi is ingesteld, deelt de datum van instelling van de tegenvordering tot nietigverklaring mee aan het Europees Octrooibureau. Het Europees Octrooibureau schrijft dit feit in het Gemeenschapsoctrooiregister in.
Artikel 17. Territoriale bevoegdheid
Een krachtens artikel 14, eerste tot en met vierde lid, bevoegde Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg is bevoegd terzake van
- -. inbreuken of dreigende inbreuken op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat,
- -. onder artikel 15, eerste lid, sub c), vallende handelingen verricht op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat.
Een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg die krachtens artikel 14, vijfde lid, bevoegd is, heeft alleen bevoegdheid ter zake van handelingen die worden verricht of dreigen te worden verricht op het grondgebied van de Staat waar die rechtbank gevestigd is.
Artikel 18. Schorsing van de procedure
Indien de beslissing over een rechtsvordering die aanhangig is gemaakt bij een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg en die betrekking heeft op een Europese octrooiaanvrage die kan leiden tot de verlening van een Gemeenschapsoctrooi, afhankelijk is van de octrooieerbaarheid van de uitvinding, kan deze beslissing alleen worden gegeven nadat het Europees Octrooibureau een Gemeenschapsoctrooi heeft verleend dan wel de Europese octrooiaanvrage heeft afgewezen.
Artikel 19. Beslissingen omtrent de geldigheid
Wanneer in een procedure voor een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg de geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi in het geding is
- a. beveelt de rechtbank de nietigverklaring van het octrooi, indien zij van oordeel is dat een van de nietigheidsgronden als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zich verzet tegen het in stand blijven van het Gemeenschapsoctrooi;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.